1 Corinthe 14:29-33 ‘En laten twee of drie profeten spreken en laten de anderen het beoordelen’ 29. De geest van de profetie (Op.19:10) kan over allen komen, met het gevolg dat allen profeteren en zelfs buitenstaanders overtuigd worden. Dan brengen dus alle leden van de gemeente geïnspireerde woorden voort. Maar niet allen zijn profeten (12:29). Zij hebben een aparte plaats in de samenkomst omdat zij regelmatig gebruikt worden door Gods Geest (12:10 en Rom.12:7). >>>>>
Tekst voor tekst
2 Timotheüs 3:3-5a ‘Onheilig, liefdeloos, trouweloos, lasteraars, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede’ 3. Paulus somt nog meer tekenen op van het verval in de laatste dagen. Onheilig wil zeggen: verbonden met de demonen van de duisternis, beschadigd en niet geheeld. Het evangelie heeft dus zijn vernieuwende werking in de leden van de kerk van de laatste dagen niet kunnen uitvoeren. >>>>>
Romeinen 11:13-21 ‘Ik spreek nu tot degenen onder u die uit heidense volken komen. Zeker, ik ben een apostel voor de heidenen, maar ik schat mijn taak juist dáárom zo hoog, omdat ik hoop jaloezie bij mijn volksgenoten op te wekken en een deel van hen te redden’ 13,14. Paulus was de geroepen apostel van de heidenen. Hij moest de gelovigen uit de volken vaak een hart onder de riem steken. Dan liet hij duidelijk uitkomen, dat zij geestelijk niet de minderen van de Joden waren. Zo schreef hij aan de Efeziërs: ‘Zo zijn jullie dan geen vreemdelingen en gasten meer, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God’ (2:19). >>>>>
1 Corinthe 14:34-36 ‘Laten uw vrouwen in de gemeenten zwijgen. Het is hun immers niet toegestaan te spreken, maar bevolen onderdanig te zijn, zoals ook de wet zegt. En als zij iets willen leren, laten zij dat dan thuis aan hun eigen man vragen. Het is immers een schande voor vrouwen om in de gemeente te spreken’ 34,35. >>>>>
Romeinen 12:9-13 ‘Laat de liefde oprecht zijn. Heb een afkeer van het kwaad en hou vast aan het goede’ 9. Na de christelijke manier van leven, schrijft Paulus over de christelijke plichten en het persoonlijke gedrag. Hij spreekt over de liefde als de vervulling van de wet van God. De gaven staan daarbij in dienst van de gemeente, het lichaam van de Heer. Net zoals in 1 Corinthiërs 13 volgt de oproep tot liefde na het opsommen van de diversiteit van gaven. >>>>>
1 Corinthe 14:7-19 ‘Dat geldt ook de levenloze dingen die geluid geven, of het nu een fluit is of een citer, als zij zich niet onderscheiden in hun klanken, hoe zal men weten wat op de fluit of op de citer gespeeld wordt? Want ook als de bazuin een onherkenbaar geluid geeft, wie zal zich gereedmaken voor de strijd? Zo is het ook als u door de taal geen goed verstaanbaar woord voortbrengt. Hoe zal dan begrepen worden wat er gezegd wordt? U bent dan namelijk als iemand die maar wat in de lucht spreekt’ 7-9. >>>>>
2 Timotheüs 2:9-13 ‘Daarvoor lijd ik verdrukkingen en draag ik zelfs boeien als een misdadiger. Maar het Woord van God is niet gebonden’ 9. Paulus legt aan Timotheüs uit dat hij, omdat hij het evangelie brengt, moet lijden. Overal stuitte Paulus op weerstand, vaak werd hij vervolgd. De Joden in Jeruzalem en in Asia hadden besloten dat hij met ‘zijn evangelie’ een pest was en een onruststoker. Zij ergerden zich aan hem. Voor de Grieken was zijn evangelie een dwaasheid en de geleerden in Athene verachtten hem openlijk. >>>>>
1 Corinthe 14:5-6 ‘En ik zou wel willen dat u allen in talen spreekt,’ 5a. In de kerk zegt men graag dat het spreken in talen bij de eerste gemeente hoorde: ‘De kerk stond toen nog in de kinderschoenen. Nu de kerk volwassen geworden is, hebben wij dit spreken in talen niet meer nodig’. Onder deze volwassenheid verstaat men dan de ouderdom van de kerk van twintig eeuwen en haar uitbreiding over een groot deel van de wereld. Het naamchristendom is een groot lichaam geworden, maar dit wil echter niet zeggen dat al haar leden nu ook geestelijk volwassen zouden zijn. >>>>>
Romeinen 11:1-12 ‘Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Zeer zeker niet! Ik ben immers ook een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van de stam Benjamin’ 1. Het volk Israël heeft Jezus Christus in radicale bewoordingen en duidelijke uitspraken verworpen. Toen het volk moest kiezen wie over hen regeren zou, riep het volk uit: ‘Laat zijn bloed óns dan maar worden aangerekend, en onze kinderen!’ (Joh.19:15). De leiders verbraken bewust ieder contact met Degene die gezonden was door de Vader. >>>>>
2 Timotheüs 2:1-4 ‘U dan, mijn kind, wees sterk door de genade van Christus Jezus. En wat u van mij in het bijzijn van veel getuigen hebt gehoord, geef dat door aan betrouwbare mensen, capabel om op hun beurt anderen te onderwijzen’ 1,2. Paulus drukt zijn genegenheid t.o.v. Timotheüs, die zo lang bij hem in de leer was geweest, uit, door hem ‘mijn kind’ te noemen, een woord dat in het Grieks inniger klinkt dan ‘zoon’. Dit kind zou opgroeien tot een geestelijk volwassen man, die het werk van de apostel zou kunnen voortzetten. >>>>>
1 Corinthe 14:1-4 ‘Jaag de liefde na en streef naar de geestelijke gaven en vooral daarnaar dat u mag profeteren’ 1. De liefde en de gaven horen samen te gaan. Natuurlijke talenten komen het beste tot hun recht, wanneer ze in dienst gesteld worden van de naaste. Zo horen ook de geestelijke gaven verbonden te zijn met de goddelijke liefde. Haar najagen betekent letterlijk haar achtervolgen of achternazitten. >>>>>
3 Johannes 9-15 ‘Ik heb aan de gemeente geschreven; maar Diotrefes, die steeds onder hen de eerste wil zijn, ontvangt ons niet’ 9. De apostel Paulus schreef veel over moeilijkheden in de gemeenten die hij had gesticht en over mensen die niet akkoord gingen met zijn leer. Ook Johannes kreeg onder zijn ‘kinderen’ te maken met ruziemakers. Deze mensen verzetten zich niet alleen tegen de leer van de apostel, maar tastten ook zijn persoon en ambt aan. De derde Johannesbrief wordt geschreven aan Gajus. >>>>>
1 Corinthe 14:24-28 ‘Maar als allen zouden profeteren en er kwam een ongelovige of niet-ingewijde binnen, dan zou die door allen overtuigd en door allen beoordeeld worden. En zo worden de verborgen dingen van zijn hart openbaar en zo zal hij zich met het gezicht ter aarde werpen en God aanbidden en getuigen dat God werkelijk in uw midden is’ 24,25. Paulus is dit hoofdstuk begonnen met de oproep om vooral te streven naar de profetische gave. Ieder kind van God, gedoopt met Gods Geest, heeft deze gave latent in zich. Zijn geest is immers verbonden met Gods Geest die hem in alle waarheid wil en kan onderwijzen, zodat hij woorden van God spreekt. >>>>>
Jesaja 40:1-11 Wat voor God heeft u? Aan wie klemt u zich vast als u in de strijd van het leven door moeite, zorg of door verdriet overspoeld wordt? Waar haalt u dan uw hulp vandaan? Heeft u een goede Vader in de hemel van wie Jezus Christus verteld heeft óf heeft u een god die wraak neemt en met offers gediend wil worden? >>>>>