Samen verder

Ons fundament

Onze geloofsbelijdenis bouwen wij op ‘het eerste onderwijs over Christus’, namelijk op het fundament dat in Hebreeën 6:1,2 genoemd wordt. Nergens in de Bijbel wordt onze belijdenis zo compact en typerend opgesomd als in deze verzen. Zonder breedsprakigheid of omslachtigheid worden hier een aantal grondwaarheden vermeld, die wij als fundament van ons geloof hebben bloot gelegd: ‘Bekering van dode werken, geloof in God, een leer van dopen, en van oplegging van de handen, opstanding van de doden en een eeuwig oordeel’. Dit fundament heeft onder ons volkomen zekerheid. Het heeft ons denken vernieuwd en verfrist. Het fundament resulteert in de gerechtigheid van de mens. Hij komt hierbij van de duisternis tot het licht. Hij gaat de weg omhoog.

Waarschuwing

De apostel adviseert zijn lezers in Hebreeën 6 om zich niet voortdurend met het fundament te blijven bezighouden. Het hoort immers nog bij ‘de melk’. Het betreft ‘de eerste beginselen’, de rudimenten van ons geloof. Wanneer het hele fundament onder ons is, zijn wij op de weg gekomen die omhoog voert. Daarom mogen wij over dit fundament geen geschillen hebben, want ‘het is hecht en staat ongeschokt’.

Met het verdiepen en uitbreiden van het fundament moeten wij zeer voorzichtig zijn. Men moet daarbij nieuw verworven inzichten niet bindend verklaren. Wij belijden niet een aantal uitgewerkte dogma’s, maar wij zijn ‘deelgenoten van de hemelse roeping en richten daarbij het oog op de apostel en hogepriester van onze belijdenis, Jezus’. Het fundament van ons geloof is uiteindelijk Jezus, de Mensenzoon. Onze belijdenis is het vleesgeworden Woord dat zowel ons verstand als ons gevoelsleven beheerst.

Enige tijd geleden werd het boek van professor Graafland: ‘Van Calvijn tot Barth’ besproken. De inhoud van dit artikel kwam bij mij als volgt over: de uitverkiezing is een Bijbels gegeven. Wij zijn immers ‘uitverkoren in Hem’. Men wordt behouden door het geloof in de Uitverkorene. Dit is een fundamentele waarheid. In de eerste druk van zijn Institutie wijdde Calvijn in het hoofdstuk over de kerk aan dit dogma slechts een sub paragraaf. Ongeveer 25 jaar later was dit geschriftje uitgegroeid tot een volumineus boekwerk. In de Institutie die ik bezit, worden vier hoofdstukken (21-24) aan de uitverkiezingsleer gewijd. Dit was een gevolg van de discussies waarin Calvijn vanwege dit onderwerp gewikkeld werd. Beza, de predikant die Calvijn opvolgde, verhief de uitverkiezingsleer tot hoofdzaak van het geloof. Verzet tegen zijn opvattingen betekende er nog meer nadruk op leggen. Voortaan werden de Calvinisten met de uitverkiezingsleer geïdentificeerd. Calvijn schreef de beruchte verklaring:

  • ‘De hoofdzaak is, dat God door zijn eeuwig voornemen en onveranderlijke raad eenmaal heeft vastgesteld, welke mensen Hij tot zaligheid wil aannemen, maar ook welke Hij aan het verderf zou overgeven’.

De verkiezing ging bij wijze van spreken buiten de wil van God om, ‘die wil dat álle mensen behouden worden’, maar ook buiten Christus, die ‘de wéreld met God verzoenende was’. Deze calvinistische uitverkiezing gaat ook buiten de vrije keus om van een groot aantal mensen, die immers al van eeuwigheid bestemd zijn tot verdoemelingen.

Heel de verwarring begon met een subparagraaf!

In ons land begon Arminius de calvinistische leer van de uitverkiezing te bestrijden vanwege dit noodlotsvoornemen van God. Het resultaat hiervan was, dat de Dordtse synode erin tuinde en de uitverkiezingsleer in haar leerregels juist centraal stelde. Bij de afscheiding in 1834 herhaalde zich dit drama, wat weer aanleiding gaf tot de vele scheuringen in de kerken van de gereformeerde gezindte. Op de catechisatie binnen de Gereformeerde kerken worden jonge mensen bezig gehouden met de volgorde van Gods eeuwige besluiten. De supralapsaristen of bovenvaldrijvers stelden dat Gods soevereine besluit tot verkiezing en verwerping voorafging aan zijn besluit tot het scheppen van de mens en het toelaten van de val. God had dus de val nodig om zijn besluit tot verwerping van een aantal mensen te kunnen realiseren.

  • De infralapsaristen of benedenvaldrijvers meenden dat Gods besluit om de mens te scheppen en zijn val toe te laten, aan zijn verkiezing voorafging. Bij alle onduidelijkheid in deze uiteenzetting blijft de duidelijke vraag voor vele open: hoe kan men weten of men bij de groep van de uitverkorenen tot eeuwig leven hoort?

Een soortgelijke tragiek ontstond in de evangelische kringen en in de pinksterbeweging bij de Israëlleer. De waarheid is, dat God zijn volk niet verstoten heeft en dat bij het binnengaan van de grote menigte die niemand tellen kan en wel uit álle volken, ook Israël zal behouden worden. Deze duidelijke voorzegging wordt vergezeld door tal van dwalingen: men veroordeelt de zending onder de joden. Men spreekt over een twee-wegenleer, waarbij er ook een weg tot behoud is voor de joden buiten Christus om. In een ‘vervangingsleer’ treedt het volk Israël in de eindtijd op de plaats van de gemeente, om zo de wereld te redden. De gemeente zou dan als onrijpe oogst in een punt des tijds door de hemelse Landman zijn binnengehaald en daar buiten spel raken. Een schip op het strand is een baken in zee!

Bouwen op het fundament

De apostel waarschuwt: ‘Maar ieder zie wel toe, hoe hij op het fundament bouwt. Is er iemand die op dit fundament bouwt met goud, zilver, kostbaar gesteente, hout, hooi of stro, ieders werk zal aan het licht komen’ (1 Cor.3:10). Bij de bouw op het fundament van het geloof gaat het niet alleen om de gerechtigheid maar om de volmaaktheid: ‘Laten wij daarom het eerste onderwijs over Christus laten rusten en ons richten op het volkomene’. Het gaat hierbij om het doel: ‘de mens van God tot alle goed werk volkomen toegerust’ (2 Tim.3:17).

Wie met goud bouwt, kijkt niet neer op hem die zilver als grondstof gebruikt, en die met zilver bouwt, ruziet niet met hem die met edelstenen werkt. En wie zal toegeven dat hij eigenlijk nog maar bezig is met hout, stro of riet? Hoedanig het werk is van ieder die op het fundament bouwt, bepalen wij niet, maar het vuur zal dit uitmaken (1 Cor.3:10-15). Houdt onze prediking stand in de dag van beproeving?

Paulus schreef: ‘In een groot huis zijn niet alleen voorwerpen van goud en zilver, maar ook van hout en aardewerk, en wel deels met eervolle, deels met minder eervolle bestemming’. Minder eervolle bestemming betekent: behouden worden als door vuur heen. Men lijdt dan schade, ontvangt geen loon, maar wordt zelf gered. Daarom willen wij ons reinigen van het minder eervolle, zodat wij als gemeenten bruikbaar worden voor de eigenaar van alles, Jezus Christus (2 Tim. 2:19-21).

Brengt onze prediking meer vrije, verloste en genezen mensen voort dan in andere gemeenten die op hetzelfde fundament bouwen? Indien niet, laten wij dan met al onze kennis zeer bescheiden zijn en ons niet verheffen. Indien wel, laten wij dan danken voor de genade die ons overvloedig is bewezen. Is er in onze samenkomsten een blijde ontspannen sfeer? Het Koninkrijk van God resulteert immers niet in grimmigheid, nijd en ruzie en ook niet in dodelijke ernst, maar ‘het bestaat in gerechtigheid, vrede en vreugde in de Heilige Geest’.

Opbouwen

De opbouw is ‘een weg die nog verder omhoog voert’ dan het leggen van het fundament. De optimale openbaring van de geestelijke gaven, die uit de mens van God tevoorschijn komen, wordt dan alleen gezien in de gemeente, waar de liefde tot God en tot de broers en zussen centraal staat. Dan heeft de profeet een zuiverder boodschap en de leraar een hoger geestelijk niveau. Vanwege de ander beoefenen wij intenser de betoningen van geest en kracht en ook die van talen, zoals ook Paulus dit deed.

De gaven werken door middel van de liefde, dat is de positieve instelling t.o.v. de naaste. De mens voor wie men bidt, die ‘bediend’ wordt, moet men ook in zijn desolate toestand liefhebben, want het beeld van God moet in hem tevoorschijn komen. De liefde is niet opgeblazen en acht de andere personen of de andere gemeenten die hetzelfde doel najagen, niet minderwaardig. De liefde is altijd correct en beschaafd in haar optreden. De liefde verbindt ons met God die liefde is. Zij gunt iemand de vrijheid en veroordeelt de ander niet, maar is vol begrip.

Zo groeien wij op het fundament, ons aan de waarheid ervan houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe en dus ook naar elkaar. Wij hebben immers allen hetzelfde doel voor ogen: de volmaakte mens van God. Gegrond op het fundament van het geloof en verbonden door de liefde van God streven wij met elkaar naar de openbaring van de krachten van de toekomstige eeuwen. Deze heerlijke tijd komt niet vanzelf, maar wij halen hem naar ons toe, als wij nu al met deze krachten bezig zijn. Op deze manier bestijgen wij de berg van God onder gejubel en gejuich van de verloste, bevrijde en genezen mensen.

Christus wacht af, totdat zijn volk alle vijanden onder zijn voeten gelegd zal hebben. Hij werkt in de hemelse gewesten met ons mee, want Hij bidt voor ons. Op aarde werkt Hij door zijn Geest in u en mij. ‘Christus in ons, de hoop van de heerlijkheid’. Laat daarbij de blijdschap van de Heer onze kracht zijn!