Onderwerp u dus…

  • ‘Onderwerp u dus nederig aan Gods hoge gezag, dan zal hij u op de bestemde tijd een eervolle plaats geven’ 1 Petrus 5:6.

Wanneer wij in deze tijd zoveel horen spreken over verootmoediging, nederigheid en boetedoening, is het belangrijk dat wij, als Nieuwtestamentische christenen, het Bijbelse standpunt innemen en ons niet laten meezuigen in het gevoelsvlak en verzeild raken in zeeën van sentimentaliteit. Hier geldt de regel dat zij, die niet in staat zijn in de geestelijke wereld te leven, dit proberen te compenseren met alle mogelijke gevoelservaringen. Want de vraag is: wat bedoelt men met zich onderwerpen en nederig?

Nederig van hart

Jezus zei: ‘Ik ben nederig van hart’ (Matth.11:29). Wie zichzelf vernedert, zal dus proberen aan dit beeld van Jezus gelijk te worden, want Hij zegt: ‘Leer van Mij’. Wij wijzen erop, dat dit niets te maken heeft met zonde en schuldgevoel, maar onze Heer stelde zich niet boven zijn broers en zussen. Hij hield zijn gelijkheid aan God niet vast en toch ‘heeft Hij zich vernederd’ en ‘werd gelijk aan een mens’ (Fill.2:6-8). Hij schaamde zich niet ons broers te noemen (Hebr.2:11).

Zich vernederen betekent zich gelijk stellen aan de andere. Het Griekse woord wordt in Lucas 3:5 vertaald door egaliseren: ‘Elke berg en heuvel zal geslecht worden’. Wanneer wij ons vernederen, betekent dit dat wij onze plaats kennen en weten waar wij staan moeten. Wij stellen ons dan op één lijn met onze broers en zussen, maar niet op één lijn met de duivel en zijn demonen. Wanneer wij ons vernederen, erkennen wij zeker niet dat wij slaven van satan zijn; dus onder hem staan. Wij zijn ‘vrijgemaakt van de zonde’ en ‘in dienst gekomen van de gerechtigheid’ (Rom.6:18). Daarom stellen wij ons wel onder de leiding van Gods Heilige Geest, net als Jezus dit deed.

De duivel wil dat wij ons vernederen voor hem en belijden dat wij zijn dienstknechten zijn. Hij werpt vuil op ons, beschuldigt ons en lastert ons. Hij zegt als hij niets anders vinden kan: ‘Je bent smerig, liefdeloos en hoogmoedig’. Gods Heilige Geest, onder wie wij ons stellen, geeft echter de kracht om de duivel terug te dringen en de zonde buiten ons leven te houden. Gods Geest voedt ons op, onderwijst ons en maakt ons geschikt voor de hoge taak, waarvoor wij ons van Godswege geroepen weten.

Zich vernederen betekent zich aan God onderwerpen en zich stellen onder de leiding van zijn Geest. Het houdt in dat wij ‘niet meer naar de begeerte van mensen (menselijke lusten), maar naar de wil van God de tijd, die nog rest in het vlees, leven’ (1 Petr.4:2). Jezus zei:

  • ‘Wie zichzelf klein zal achten (letterlijk: zich vernedert) als dit kind, is de grootste in het Koninkrijk der hemelen.’

Een kind weet van gegeven te leven. Het vernedert zich onder de hand van zijn ouders, laat zich door hen leiden, gehoorzaamt hen en stelt zich niet boven hen. Zo zullen wij ons klein achten ten opzichte van Gods Heilige Geest en uit Gods hand alles aanvaarden. In dit verband zei de Heer: ‘Maar ieder, die één van deze kleinen, die in Mij geloven, tot zonde verleidt, het zou beter voor hem zijn, dat een molensteen om zijn hals was gehangen en hij verzwolgen was in de diepte van de zee’ (Matth.18:4-6). Iemand tot zonde verleiden betekent: weghalen van onder de leiding van de Heilige Geest en stellen onder de leiding van de demonen. Jezus zei immers over ‘die in Mij geloven’, dus die door Heilige Geest in alle waarheid geleid worden. Deze weg is voor allen gelijk. Wat voor de een wit is, is niet voor de andere zwart. De Heilige Geest wil allen op dezelfde weg en in hetzelfde spoor naar hetzelfde doel leiden.

Geen hoogmoed

Overigens, in de omgang met elkaar moet iedereen van u altijd de minste willen zijn, want God keert zich tegen hoogmoedigen, maar aan nederigen schenkt hij zijn genade. Deze uitspraak, die aan onze tekst voorafgaat, waarschuwt dat wij ons niet boven onze broers en zussen zullen verheffen. Alles wat wij bezitten, is immers door genade gekregen. De zonde van de Farizeeën was dat deze zich verhieven boven hun broers: ‘de mensen, die de wet niet kennen, zijn vervloekt!’ (Joh.7:49). Wij mogen ons alleen verheffen boven de boze geesten in de onzienlijke wereld, maar alle broers en zussen, die zich ook onder de leiding van de Heilige Geest gesteld hebben, zijn gelijk.

De apostel Petrus geeft het voorbeeld door te zeggen: ‘Ik doe een beroep op de oudsten onder u als uw mede oudste’. Natuurlijk moet er leiding zijn in een gezin, maar de oudsten zijn er niet om ‘heerszuchtig op te treden tegenover de kudde die aan u is toevertrouwd, maar geef het goede voorbeeld’ (vers 3). De jongeren (ook in het geloof) wordt aangeraden zich aan de oudsten te onderwerpen, zoals in een gezin een jong kind door grote broer of zus bij de hand genomen wordt.

Wij merken op dat al deze vermaningen hun realisering vinden in de plaatselijke gemeente, waar oudsten als opzieners van de kudde zijn. Wij kunnen deze vermaningen niet doortrekken ten opzichte van de broederschap in ons land of in de wereld. Ieder huisgezin van God draagt zijn eigen verantwoordelijkheid. Wij zijn allen gelijk en daarom:

  • ‘U zult u niet rabbi laten noemen; want één is uw Meester en u bent allen broers. En u zult op aarde niemand uw vader noemen, want één is uw Vader, Hij, die in de hemelen is. Laat u ook geen leiders noemen, want één is uw Leider, de Christus’ Matth.23:8-10.

Hoogmoedig zijn zij, die zich niet aan de wil van God onderwerpen, zoals Jezus dit deed. Deze stelde zich altijd onder de Vader, sprak wat Hij van de Vader hoorde en deed wat Hij de Vader zag doen. Zo zegt de Heer van Gods Heilige Geest: ‘Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen’. Waar wij dus gehoorzamen aan Gods Geest en zo nederig zijn, dat wij ons aan zijn leiding onderwerpen, hebben wij de juiste verhouding tot God. Hoogmoedig zijn zij, die zich niet aan de wil van God onderwerpen en die niet in zijn wegen wandelen. Hoogmoedigen gaan een zelf gekozen pad, daartoe geïnspireerd door de machten van de duisternis. Ook Jacobus zegt: ‘Daarom staat er: ‘God keert zich tegen hoogmoedigen, maar aan nederigen schenkt hij zijn genade.’ Onderwerp u dus aan God, en verzet u tegen de duivel, dan zal die van u wegvluchten’ (Jac.4:6,7).

Had Paulus ook zonde gedaan of was hij hoogmoedig geweest, toen hij in 2 Corinthiërs 12:21 schreef: ‘Ik vrees, dat, als ik weer kom, mijn God mij bij u verootmoedigen (vernederen) zal’? Let erop, dat hij niet schrijft, dat hij zich vernederen zal, maar dat God dit misschien zal doen. Wanneer de Corinthiërs blijven zondigen, vreest de apostel dat zijn werk ondeugdelijk zou blijken, dat hij geen goede dienstknecht zou geweest zijn en dat hij om deze slechte resultaten door zijn hemelse werkgever ongeschikt verklaard zou worden.

Gewilde nederigheid

De apostel waarschuwt in Colossenzen 2:18 voor ‘gewilde nederigheid en engelenverering’. De Statenvertaling heeft: ‘Dat niemand u overheerst naar zijn wil in nederigheid en dienst van engelen’. Hier is sprake van zondige nederigheid. Men wil zich dieper verootmoedigen dan de Heer verlangt. Men noemt zich maar een arme zondaar, die vergeleken met de heilige en machtige engelen niets is. Wanneer men zegt een zondaar te zijn, belijdt men daarmee dat men een dienstknecht is van de gevallen engelen en hun wil volbrengt. Op deze manier zullen wij de zondemachten niet vereren. Maar het is ook niet Gods bedoeling dat wij ons vernederen zullen tot verering van de heilige engelen. Johannes wierp zich op Patmos neer voor de engel van Jezus om deze te aanbidden. Maar hij zei: ‘Doe dat niet! Ik ben een mededienstknecht van u en uw broers, de profeten en van hen, die de woorden van dit boek bewaren; aanbid God!’ (Op.22:8,9). De goede engelen willen door mensen niet vereerd worden; zij zijn immers ‘allen dienende geesten, die uitgezonden zijn in dienst van hen, die de redding en verlossing zullen erven’ (Hebr.1:14). Als kinderen van God zullen wij ons niet vernederen door ons te onderwerpen aan de demonen, ook niet door goede engelen te aanbidden of te vereren.

De apostel spreekt verder over mensen, die vleselijk gezind zijn in hun denken. Zij moeten erkennen dat ze zondaars zijn, dat ze onwaardig zijn en het bij God verbruid hebben, maar ze beroepen zich toch op openbaringen en visioenen. Zij noemen zich zelfs ‘ingewijden’. Paulus waarschuwt:

  • ‘Laat niemand u overbluffen met gewilde nederigheid en engelendienst. Zo iemand maakt zich druk over zijn visioenen, en wordt verwaand door zijn vleselijke gezindheid zonder enige grond’ (Vert. Canisius).

De boetepredikingen van deze ‘nederigen’ worden niet gesteund door het Woord van God, maar door ervaringen en gezichten, waarmee zij hun oproep tot verootmoediging erdoor willen drukken. Daarom moet iedereen ook weten, hoe klein en gering ze zijn en hoezeer zij zich verootmoedigd hebben, terwijl zij zich anderzijds opblazen en verheffen boven hun broers en zussen door zich te beroepen op hun ervaringen uit de hemel of uit de hel. Zij menen ‘ingewijden te zijn door wat ze gezien hebben’, maar ‘dat moet allemaal voor wijsheid doorgaan, maar het is zelfbedachte godsdienst, zelfvernedering en verachting van het lichaam (in vasten, nachtbidstonden, eindeloos gekerm); het heeft geen enkele waarde en dient alleen maar tot eigen bevrediging’ (Col.2:23).

Wij moeten het sluwe spel van de vrome geesten in onze tijd leren onderscheiden. Jezus zei, overtuigd zijnde dat Hij de waarheid bracht en niet een dwaalleer en hiernaar ook leefde: ‘Maar omdat Ik u de waarheid zeg – Mij gelooft u niet. Wie overtuigt Mij van zonde?’ (Joh.8:46). De boze geesten zullen nooit accepteren dat een mens een rechtvaardige is. Ook Jezus wilden zij daarom even later het masker aftrekken: ‘Geef God de eer; wij weten dat deze mens een zondaar is’ (Joh.9:24). De vrome geesten beschuldigden ook Job van heimelijk bedreven zonde, maar Job antwoordde in zijn onbegrepen nood:

  • ‘Ik blijf bij mijn rechtschapenheid, tot het einde toe, over mijn leven heb ik mijzelf niets te verwijten’ Job 27:6.

Vrome geesten eisen dat de ware christen zich als zondaar blijft beschouwen; dus erkent in dienst van de duisternis te staan. Zij eisen dat de rechtvaardige een toontje lager zingt en ontkennen dat iemand als een vrijgekochte kan leven. Hun surrogaat nederigheid wil dat het kind van God zijn gerechtigheid, die hij door geloof in het verzoenend bloed van Jezus ontving, prijs geeft. Maar dit pantser van de gerechtigheid is een deel van zijn wapenuitrusting, dat beschermd wordt door het schild van het geloof. Daarom gaat de vijand tekeer met beschuldigingen: je bent liefdeloos, je bent hoogmoedig, je moet je zonden belijden, je bent anders dan waarvoor je je uitgeeft. Maar het is geen hoogmoed noch liefdeloosheid, wanneer een rechtvaardige aan zijn gerechtigheid vasthoudt. Vrome geesten haten de rechtvaardige, zoals Kaïn zijn broer Abel haatte, ‘omdat zijn werken slecht waren en die van zijn broer rechtvaardig’ (1 Joh.2:12). Dezelfde apostel Johannes schrijft: ‘Kinderen, ik schrijf u dit zodat u niet zondigt. Mocht een van u echter toch zondigen, dan hebben wij een pleitbezorger bij de Vader: Jezus Christus, de rechtvaardige. Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden’ (1 Joh.2:1,2). Het bloed van Jezus reinigt ons van alle zonden! Daarom: belijd uw zonden, als u iets verkeerds gedaan hebt. Maar sta dan in geloof op als een rechtvaardige. In de strijd in de hemelse gewesten tegen de aanklager van de broers, wordt gezegd:

  • ‘Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam (de basis van de schuldvergeving) en door het woord van hun getuigenis’ Openb.12:11.

De overwinnaars lieten zich hun rechtvaardigheid niet ontnemen. Zij zeiden niet: ‘Ik ben zo’n arme zondaar’, maar zij roemden in de genade. Zij getuigden: Gods Geest woont in ons en wij houden vast, wat God ons in genade geschonken heeft. Gelukkig hij die zijn kleren bewaart! Gelukkig hij die zijn gerechtigheid bewaart! Vrome geesten zijn dieven: zij ontnemen je gerechtigheid, zij stelen je geloofszekerheid en ontfutselen je de waarheid. Zij willen het door God uitverkoren Koninklijke priestergeslacht altijd een minderwaardigheidscomplex aanpraten!

De machtige hand van God

Het loont de moeite in een concordantie eens alle plaatsen in de Bijbel op te zoeken, die in verband gebracht worden met de hand van God, de arm van God of de vinger van God. Door het Woord worden de gedachten van God openbaar en door zijn arm worden ze uitgevoerd of gerealiseerd. De hand van God, de arm van God en de vinger van God zijn daarom beelden van Gods Heilige Geest. Wie met de psalmist zingt: ‘Zijn machtige arm beschermt de vromen’ of ‘en door Zijn hand zich laten leiden’ zal concreet denken aan de bescherming en leiding van Gods Geest. Als Jesaja vraagt: ‘Aan wie is de arm van de Heer geopenbaard?’ bedoelt dit: wie van ons kent ‘de kracht uit de hoogte’? Alleen door Heilige Geest wordt waarheid: ‘Het voornemen van de Heer zal door zijn hand voortgang hebben’.

Jezus zei toen Hij bezig was een boze geest uit te drijven: ‘Als Ik door de vinger van God boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God bij u gekomen’. Wanneer wij ons vernederen, zullen wij dit alleen doen onder de machtige hand van God, dat wil dus zeggen: onder de krachtige leiding van Gods Heilige Geest. Deze zal ons in de volle waarheid leiden en alleen langs deze weg kan God ons verhogen, dat is op de hoge weg brengen, zodat wij het voorgestelde doel bereiken.