Met eer en heerlijkheid gekroond

  • ‘Alles hebt U aan hem onderworpen’ (Hebreeën 2:8).

De onzienlijke, nieuwe geboorte

In de aantekening bij de Nieuwe Vertaling, uitgave Kok te Kampen, wordt bij de inleiding op de Hebreeënbrief opgemerkt, dat de vorm van dit geschrift die van de oudchristelijke prediking is. Opvallend is het thema. Niet de aarde, maar de hemel is het terrein waar de schrijver zich mee bezig houdt. Het oude verbond, de schaduw, is het verdwijnende, maar het nieuwe verbond is de werkelijkheid. In deze brief wordt de overeenkomst geschilderd tussen de zichtbare, tijdelijke dingen die voorbij zijn en de onzichtbare, eeuwige dingen die blijven. Er is sprake van een beter verbond, dat op betere beloften rust. Het gaat niet meer om Mozes, maar om de Bemiddelaar van het nieuwe verbond en zijn huis, Jezus Christus. 

  • ‘De Heer, uw God zal u een profeet doen opstaan uit uw broers, zoals ik: naar deze zult u luisteren.’

De nieuwe Bemiddelaar is niet op aarde, maar in de hemel. Aardse afstamming is vervangen door de onzienlijke nieuwe geboorte zonder vader en moeder. Er is een tabernakel in de hemel en de nieuwtestamentische christen zoekt hier geen blijvende stad, maar de toekomende, die bezig is gebouwd te worden in de hemelse gewesten. Het gaat niet om de tastbare berg en de wetten van de Sinaï, maar om de berg Sion, de stad van de levende God met zijn wetten van de Geest.

Merkwaardig is dat er aan dit thema in de kerken en groepen nauwelijks aandacht wordt besteed. Men houdt zich liever niet bezig met de wandel en de strijd in de hemelse gewesten. De pinksterboodschap, die de opnieuw geboren mens kracht geeft om zijn plaats in te nemen in het Koninkrijk der hemelen, wordt genegeerd: ‘Uw zonen en uw dochters zullen profeteren en uw jongeren zullen gezichten zien.’ Het eeuwig evangelie brengt juist eerst de inwendige, onzichtbare mens tot volheid om hem in het laatst van de dagen met een volkomen en onsterfelijk lichaam terug te laten keren tot de aarde. De nieuwe aarde ontstaat dan pas, als de nieuwe schepping aan haar doel beantwoordt in de onzichtbare wereld. Wanneer het nieuwe, hemelse Jeruzalem voltooid is, kan het naar de aarde dalen. De zonen van God moeten eerst geopenbaard zijn om vanuit hun verheven positie de zuchtende schepping te redden.

Bij de eerste schepping schonk God de mens het koningschap over de aarde. De domeinen waren afgebakend: ‘De hemel is de hemel van de Heer, maar de aarde heeft Hij aan de mensen gegeven.’ Adam was koning op de aarde, maar hij had geen hemelse roeping. Hij moest zijn koningschap op aarde echter nog vestigen. De Heer zei: ‘Vervul de aarde en onderwerp haar’. Ook technisch zou dit een ontwikkelingsproces worden. In de onzichtbare wereld had Adam echter geen taak. Met zijn geest stond hij noch boven noch onder de engelen. Bij de zondeval werd hij echter naar de geest een dienaar van de duivel. Deze werd voortaan de overste van de wereld genoemd. Zo kwam de mens beneden de engelen. Wanneer God hem uit de hof van Eden weg stuurt, blijkt dat de engelen meerder zijn in kracht, want zij versperren hem de weg naar de Levensboom. De heerschappij over de aarde berustte nu bij satan, maar ook deze moet haar vestigen. Ieder mens opnieuw moet hij tot zonde verleiden of hem ertoe dwingen en om de mens is de aarde vervloekt.

Hemelse heerschappij

Ook Jezus werd vanwege het lijden tot in de dood, dus vanwege zijn contact met de boze geesten, voor een korte tijd beneden de engelen gesteld (vers 9). Na zijn sterven aan het kruis en na zijn glorieuze opstanding, werd Hem bij zijn Hemelvaart alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Maar ook Hij moet zijn heerschappij vestigen. Ook Hij begint dit te doen in de mens. Door zijn nieuwe geboorte en doop in Heilige Geest wordt de mens een nieuwe schepping, die zonder besef van schuld is. Jezus werd tot erfgenaam gesteld van alle dingen, zowel de zienlijke als de onzienlijke. Het kind van God wordt mede-erfgenaam van Jezus Christus en ook aan hem wordt alles onderworpen.

Maar, zegt de Hebreeënschrijver: Dat alles aan hem onderworpen is, zien wij echter nu nog niet. Want in tegenstelling met de oude schepping begint deze heerschappij in de hemel en niet op de aarde. Zo min Adam in het begin een taak in de hemel had, zomin heeft de nieuwe mens nu de opdracht om het Koninkrijk van Jezus alleen op aarde te vestigen.

Men beschuldigt ons wel eens, wanneer wij spreken over het koningschap, het priesterschap en de heerschappij van het Koninkrijk van God, dat wij vooruit grijpen naar dingen, die later zullen gebeuren. Maar Jezus’ Koninkrijk is niet van deze wereld. Hij vestigt eerst zijn macht in de hemel. Wanneer zijn vrouw (de gemeente) zich naar de inwendige mens bereid heeft, keert Hij terug om zijn heerschappij hier op aarde te vestigen. Zij, die nu de leus huldigen het Koningschap van Jezus op alle terrein van het aardse leven te vestigen, grijpen vooruit naar een toekomend tijdperk en maken dit hier tot een karikatuur.

Jezus zei niet tot zijn volgelingen dat zij op aarde macht zouden uitoefenen, maar wel in de hemel. Het waren geen aardse slangen en schorpioenen waar zij de voet op zetten moesten, maar vijanden in de onzichtbare wereld. Zoals hij ook zei: ‘Ik heb u macht gegeven over de hele legermacht van de vijand’, terwijl tot Adam was gezegd: ‘Heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen’.

De nieuwe schepping van God staat tegenover de ‘brullende leeuw’. Zijn taak is om deze in de hemelse gewesten te overwinnen en te verjagen en de heerschappij van Jezus te vestigen. Want samen met de oudste Broer, Jezus Christus, zijn alle dingen, zowel de onzienlijke als de zienlijke, de zonen van God onderworpen. Zij zijn troonpretendenten en als overwinnaars zullen zij naast de oudste Broer zitten. In deze strijd zijn de heilige engelen allen dienende geesten, die uitgezonden worden om hen te dienen, die het behoud zullen erven.

Het Koninkrijk van God is dichtbij gekomen. Jezus wacht af, totdat al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd zullen zijn (Hebr.10:13). De uitvoerders van deze taak zijn niet de engelen, maar de zonen van God. Zij zijn geroepen om getuigen van Jezus te zijn en door de verkondiging van het evangelie zijn rijk uit te breiden, de duivelen uit te werpen en de zieken te genezen, zodat de gemeente van Jezus Christus groeit, gereinigd en geheiligd wordt. Mag de gemeente dan naar de aardse kant een verzameling zijn van niet veel edelen, niet veel rijken en niet veel machthebbers, in de hemelse gewesten is zij:

  • ‘een heilig volk, een verkregen volk en een koninklijk priesterdom, want Jezus geeft hun de heerlijkheid die Hijzelf van de Vader ontvangen heeft’, Joh.17:22.