Kennis, geloof en liefde

  • ‘Broers en zussen, wij moeten God telkens opnieuw voor u danken. En niet zonder reden: uw geloof groeit krachtig, steeds groter wordt de liefde van u allen voor elkaar. Wij roemen dan ook over u in de gemeenten van God, omdat uw geloof standhoudt onder al de vervolging en onderdrukking die u moet verduren: een bewijs dat Gods rechtvaardig oordeel u geschikt zal bevinden voor het koninkrijk van God, waarvoor u nu lijdt’ (2 Thess.1:3-5). 

De apostel Paulus schrijft dit aan een gevestigde gemeente in Thessalonica. In het eerste hoofdstuk vallen 2 dingen op. Ten eerste dankt hij voor de gemeente, in vers 11 zegt Paulus dat hij ook voor de gemeente moet bidden. Heel herkenbaar ook voor de gemeente van vandaag: je kunt voor bepaalde dingen danken, maar er moet ook gebeden worden. Bij het bezig zijn in de hemelse gewesten hebben we nog niet alles bereikt. Zo was het ook in de gemeente te Thessalonica. Op verschillende punten waren ze nog behoorlijk in verwarring.

Het geloof neemt toe

Toch is er voor Paulus reden genoeg om God te danken. Als eerste dankt hij God omdat het geloof in de gemeente toeneemt, maar daarnaast omdat de liefde t.o.v. elkaar steeds sterker wordt. Dat is een prachtig gegeven voor de gemeente: als de liefde tot elkaar toeneemt, moet er iets zijn wat men gemeenschappelijk heeft. En dat is het geloof en dat geloof neemt toe. Hoe kan geloof toenemen? Dat kan alleen als de kennis toeneemt en dat toegepast wordt in de praktijk. Een timmerman moet allereerst kennis opdoen van de verschillende soorten hout maar ook van afmetingen en berekeningen. In de praktijk moet hij dit gaan toepassen, waardoor hij een vakkundige timmerman wordt. Zo is het ook met het geloof. Er is kennis nodig om te kunnen geloven; de leer van Jezus Christus gaat daarom voorop. Het onderwijs is niet voor iedereen leuk, niet iedereen gaat met plezier naar school, maar toch is de leer belangrijk.

Veel groeperingen vinden de leer belangrijk, maar daar zijn het meestal holle klanken. Er zijn genoeg naamchristenen die in de kerk wel horen over bekering en opnieuw geboren worden, maar die nooit uitgelegd krijgen hoe dat in zijn werk gaat. De kerken hebben daarom veel dogma’s, maar in de praktijk blijken ze niet te werken. Theorie en praktijk komen niet met elkaar overeen. Wij willen niet op deze manier een dood spoor komen. Daarom is het belangrijk om goed onderwijs m.b.t. de leer te volgen. Denk aan Apollos, hij had verstand en inzicht en was een volgeling van de Heer. Toch werd hij onderwezen door Aquila en Priscilla, zij ‘legden hem de weg van de Heer duidelijker uit’. Het gevolg was dat hij na dat onderwijs een heel ander mens werd: Hij sprak in talen en kreeg een andere prediking. De Bijbel spreekt daarom ook van een gezonde leer, een leer die gezond maakt naar geest, ziel en lichaam. Jezus zei:

  • ‘Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus Christus, die U gezonden hebt’ (Joh.17:3).

Het gaat hier dus om kennen, over kennis. Dat is erg belangrijk. Hosea schrijft: ‘Mijn volk gaat te gronde door gebrek aan kennis’. God gaf in het Oude Testament levieten en priesters, om het volk te onderwijzen over de wet. Als het volk de wet goed begreep, ging het volk er ook naar handelen. Dit geldt nu ook voor de leer van het nieuwe verbond, de leer van het koninkrijk der hemelen. De leer van het koninkrijk der hemelen maakt gezond. De leer gaat over de geestelijke wereld. Het gaat over Jezus die op de troon zit, iets wat geestelijk gezien moet worden. De leer gaat over de heilige engelen, waar in de wereld (en in de kerken) weinig rekening mee wordt gehouden. En het gaat over de demonen, die de Heer ontmaskerd heeft. Jezus heeft zijn volgelingen getoond hoe het er aan toe gaat in de hemelse gewesten. Over die geestelijke wereld willen wij alles weten, zodat we in ons geloof sterker worden. Jezus heeft ons dat allemaal geopenbaard, Hij is gekomen om van de waarheid (de leer van het koninkrijk der hemelen) te getuigen en wij willen ons aan die waarheid vasthouden. Die waarheid zal ons vrijmaken.

In de natuurlijke wereld houdt men zijn vakliteratuur bij om zich te ontwikkelen. Zo handelen wij ook in de geestelijke wereld. Wij blijven ons verdiepen in de leer van het koninkrijk der hemelen, zodat wij nieuwe inzichten verwerven. ‘Ieder die bezig is in het koninkrijk der hemelen, zal uit die schat nieuwe en oude dingen voortbrengen’ (Matth. 13:52). Wij luisteren naar de stem van Gods Geest en zoeken naar nieuwe inzichten. Daarmee verrijken we ons eigen leven en delen er van uit aan de ander. Goed onderwijs is het geheim van het Koninkrijk van God. Daardoor leren wij ordelijk denken, waar anderen chaotisch en verward zijn. Door ons steeds meer te verdiepen in de leer van Jezus, krijgen we zicht op allerlei dwalingen, zoals de aards Israëlleer, de erfzonde, zielenslaap of de uitverkiezing. Die dwalingen houden ons weg van het koninkrijk der hemelen, maar de leer van Jezus brengt ons tot een goede onderlinge band in de gemeente. Het gaat daarbij niet om een gezellig samenzijn, zoals we dat in de natuurlijke wereld kennen, maar om een gemeenschappelijk bezig zijn met de leer van het koninkrijk der hemelen. Die leer geeft ons het zuivere leefklimaat en de onderlinge liefde. Zodra je die leer loslaat, ontstaan discussies, partijschappen en onenigheid en krijg je last van en heb je moeite met de mensen uit de gemeente. Dan kan je het niet meer bekijken vanuit de geestelijke wereld. Om zo te kunnen handelen en leven, moet men bekend zijn met die geestelijke realiteit.

In Thessalonica waren er vervolgingen vanwege de leer van het Koninkrijk van God. De praktijk voor de Thessalonicenzen bestond uit verdrukkingen. Paulus zegt dat zij vooral tegenwerking ondervinden van hun eigen volksgenoten (1 Thess.2:14). Dat is een bekend gegeven: als je vasthoudt aan de leer van het koninkrijk der hemelen, heb je vooral te lijden door de mensen die het dichtst bij je staan. Dat zal te maken hebben met de tegenstelling die ontstaat als jij verandert. Ze houden er niet van als je afwijkt van het normale patroon. Maar dat weerhoudt ons niet om zo te leven zoals Jezus het ons geleerd heeft. We blijven ons verdiepen in de verborgenheden van God, we willen ze onder leiding van Gods Geest openbaren en verduidelijken. We willen anderen opwekken om met ons mee op die weg te gaan, het verrijkt ons aller leven. Aardsgerichte leringen vormen echter ballast, het zijn obstakels om de hoge weg te kunnen gaan. We zullen het leven vanuit het koninkrijk der hemelen zelf moeten realiseren. We kunnen dit niet voor elkaar doen, we kunnen het elkaar ook niet opdringen.

De liefde t.o.v. elkaar neemt toe

De liefde bloeit op bij ieder van u, zonder uitzondering, zegt de Roomse vertaling. Een wat romantisch beeld, maar wel duidelijk. Het is daarom ook te begrijpen dat er in heel Klein Azië over deze gemeente gesproken werd. De onderlinge liefde is groot, Paulus kan daarvoor danken. Ieder heeft hetzelfde fundament, ieder bewandelt dezelfde weg en heeft hetzelfde doel voor ogen. Allemaal zijn ze door de poort van het eeuwige leven gegaan op weg naar het doel. Sommigen zijn al halverwege het doel, anderen zijn net op weg, maar het is wel een gezamenlijke weg. Men heeft dezelfde geestesgesteldheid en samen staan ze schouder aan schouder.

Ieder kent de strijd tegen de machten van de duisternis, maar men is ook allemaal ervan overtuigd dat alleen de leer van Jezus woorden van eeuwig leven brengt. Daarom is er onderling sympathie en groeit de liefde. Liefde is dat je positief staat t.o.v. de ander, je wilt de ander bemoedigen en helpen. Er is geen plek voor negativiteit. Negatieve mensen hebben het kwaad in eigen leven nog niet overwonnen, ze worden nog belemmerd door een of ander struikelblok. Negativisme kan als een sluier over de gemeente hangen. Wij willen echter leven in een ontspannen, ongedwongen klimaat.

Wij willen ‘door ons in liefde aan de waarheid (de leer) te houden, in alles toe groeien naar Hem Die het Hoofd is, namelijk Christus’ (Ef.4:15). Jezus Christus heeft maar één vrouw, de gemeente. Hij houdt van die vrouw, zo moeten wij – als gemeente – van elkaar houden. God geeft ons één nieuw gebod (Joh.13:34), dat wij elkaar liefhebben, de gemeenschap komt dan vanzelf. We zijn aan elkaar verbonden door de liefde tot de waarheid en kunnen geen gemeenschap hebben met mensen die er totaal niet in geïnteresseerd zijn of er zelfs vijandig tegenover staan. De liefde is een nieuw gebod, het is Goddelijke, schenkende liefde. Die liefde bestaat uit geven, niet uit nemen. Die liefde veronderstelt ook dat je je broer of zus niet in de ellende laat zitten. Je wilt niet toestaan dat die ander zondigt of verleugend wordt. De liefde bestaat daarom niet alleen uit woorden, maar ook uit daden. De gemeente als vrouw van het Lam heeft de onberispelijkheid tot doel. Petrus schrijft:

  • ‘Wees allen eensgezind, vol medeleven, heb de broers lief, wees barmhartig en vriendelijk’ (1 Petr.3:8).

U zult door allen gehaat worden

Wij willen vol van ontferming zijn, waarbij we ook innerlijk beschaafd zijn. Dat is heel wat anders dan hoe vrome geesten handelen, zij menen dat het verstandig is om het zo nu en dan eens keihard te zeggen, waarbij zij beledigend en kwetsend spreken. Een ware christen beledigt niemand, hij beseft dat hij te maken heeft met medechristenen die ook hun strijd te voeren hebben. Wij strijden niet tegen vlees en bloed, dat is het wezen van de leer van het koninkrijk der hemelen. De ware christen blijft ook vriendelijk tegen andersdenkenden, hij vindt het jammer dat zij een andere weg gaan. Hij zal proberen de ander zoveel als het kan te vertellen over de enige Waarheid. Wij zijn dan niet liefdeloos, hoewel ons dat vaak verweten wordt, maar krijgen vaak met dezelfde haat te maken die ook onze Heer ondervond.

Als erfgenamen van het rijk in de hemelen, bezitten wij een onnoemelijk groot goed. Wij hebben veel zegeningen, waarmee wij zijn gezegend in de hemelse gewesten. Wij gaan niet in op roddels en laster en we gaan ook niet de inwendige mens veroordelen (‘hij zal wel gedacht hebben…’). Door kwaad te spreken over een broer of zus stelt men zich negatief op, zo ontstaat verdeeldheid in de gemeente. Maar ‘wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, die moet zijn tong weerhouden van het kwaad, en zijn lippen van het spreken van bedrog’ (1 Petr.3:10). Als gemeente willen wij gedisciplineerd leven, d.w.z. wij willen discipel, leerling zijn. Daarom houden wij ons ver van het kwaad in de wereld en als we iemand zien zondigen, willen wij hem losmaken van het kwaad, zodat hij contact kan krijgen met God.

Een diepe kloof

Wij hebben te maken met een hele diepe kloof, die ons scheidt van kerkmensen, die niet bezig zijn met het koninkrijk der hemelen. Die kerkgangers worden kleinburgerlijk, ze draaien rond in een kleine cirkel van het natuurlijke leven. Maar wie op zoek is, verheft zijn hart en daardoor verandert de hartsgesteldheid. Dan zie je de veroorzaker van het negativisme bij jezelf of bij de ander en dan wil je die veroorzaker aanpakken. De leugenaar vanaf het begin probeert telkens weer de negativiteit in de gemeente te brengen, maar vanuit de liefde voor de waarheid, de leer, brengen de ware christenen vrede en liefde in de gemeente. Er is rust en er is zuiverheid van levenswandel, waardoor de tongen, die zich in het gericht tegen ons keren, verstommen (Psalm 8). We zijn nog geen perfecte zonen van God, maar we zijn wel op weg om dat te worden. Door de leer van het koninkrijk der hemelen zijn we op de weg naar dat doel gekomen en dat gaat met vallen en opstaan.

Verwijten

De ware christen ontkomt niet aan verwijten. Misschien hebben ze wel eens gelijk, maar de waarheid wordt heel vaak verdraaid en ingekleurd. Er zijn ook baby’s in de gemeente, mensen die altijd wat aan te merken hebben op de gemeente. Zo krijgt de christen verwijten, niet om opgebouwd maar om afgekraakt te worden. Soms zijn er mensen, die bewust stoken en memoreren aan één of andere ongerechtigheid in de gemeente, maar niet zeggen welke. Onze ziel heeft een afkeer van de zonde en van kwaad, wij willen breken met elke vorm van ongerechtigheid. Wij lijden onder deze mensen, want ook wij hechten aan een goede naam. ‘Een goede naam is beter dan olie’ (Prediker 7:1), maar wij zijn ons ervan bewust dat satan altijd zal blijven proberen om ons onderuit te halen. Hij gebruikt daarvoor de gedeelde harten van die gemeenteleden, die in de hemelse gewesten willen wandelen, maar toch getrokken worden naar de natuurlijke wereld.

  • ‘Wij zeggen God dank voor u allen, telkens wanneer wij u gedenken in onze gebeden. Onophoudelijk gedenken wij ten overstaan van onze God en Vader uw krachtdadig geloof, uw onvermoeibare liefde en uw standvastige hoop op onze Heer Jezus Christus’ (1 Thess.1:2,3).

In Thessalonica gingen liefde en geloof samen. Als dat ook in de gemeente samengaat, zijn we saamhorig, niet te kwetsen en onoverwinnelijk. Paulus roemt over zijn gemeente, waarom zouden we het niet doen over de gemeente waar wij bij horen? Tussen alle negatieve geluiden door, mogen wij toch ook getuigen van de zegeningen in de gemeente. Zowel in 1 Thess.1 als in 2 Thess.1 roemt Paulus in het geloof en de liefde van de gemeente, in 1 Thess.1 noemt hij ook nog de hoop op onze Heer Jezus Christus. In de tweede brief laat hij dat weg, omdat ze daarover in grote verwarring waren. Zij verwachtten de Heer Jezus en daarom waren ze gestopt met werken. Maar Paulus vermaant hen dat zij moesten blijven werken, ook al leefden zij dicht bij de Heer. Zo zijn er ook nu overgeestelijk mensen die niet meer willen werken, omdat zij dicht bij de Heer willen leven. Zij ontvangen dan wel een uitkering, maar teren tegelijkertijd op geld en goederen van de gemeente. Het is wel duidelijk dat dit niet de bedoeling kan zijn.

De gemeente te Thessalonica had hun geloof geopenbaard te midden van allerlei verdrukkingen. Die verdrukking was door satan teweeg gebracht door middel van mensen. Maar de gemeente had volhard, ze had het woord van God vastgehouden. De gemeente was bijeengehouden door de dienst van alle leden, het was een welsluitend geheel. Elk lid oefende op zijn eigen wijze kracht uit en daardoor groeide de gemeente en werd zij zelf opgebouwd in de liefde.

  • Hoe is het met uw plaats in uw gemeente? Wat is uw bijdrage, wat is uw kracht, waarin u bijdraagt aan de groei van de gemeente? Bent u de zwakste schakel, door uw negatieve denken, waardoor de ketting (de gemeente) breekt? Of volhardt u in het geloof, in de strijd en de verdrukking?

Als u sterk bent, hebt u het bewijs in handen dat u waardig geacht wordt voor het koninkrijk van God (vers 5). U hebt standgehouden vanwege het koninkrijk van God, dat wilt u niet kwijt. Zo houdt u de vrede, de blijdschap en de gerechtigheid. Zo bewijst u dat u aan de goede kant staat in de strijd, dat het koninkrijk van God in u is.

  • ‘Want het is rechtvaardig dat God hen die u onderdrukken, met onderdrukking vergeldt en dat Hij u die onderdrukt wordt, samen met ons rust geeft, wanneer de Heer Jezus zal verschijnen en met zijn machtige engelen uit de hemel zal neerdalen in een laaiend vuur. Dan zal Hij afrekenen met hen die God niet erkennen en die geen gehoor geven aan het evangelie van onze Heer Jezus. Een eeuwig verderf zal hun straf zijn, ver van het aangezicht van de Heer en de luister van zijn kracht…’ (2 Thess.1:6-9, Openb.6:9-11). 

Het oordeel begint bij het huis van God, waarin scheiding gemaakt wordt tussen goed en kwaad. Door verdrukkingen, moeiten en spanningen zal duidelijk worden en zal bewezen worden of wij stand kunnen houden. Staan we in de geestelijke strijd, dan keren we ons tegen elke vorm van ongerechtigheid, maar als we alleen met de mond belijden, dan komen we terug in de natuurlijke wereld en verliezen wij op geestelijk terrein. De verdrukking gaat gelukkig voorbij, er zijn tijden van verkwikking voor het aangezicht van de Heer.

Wanneer gebeurt dat dan? Bij de openbaring van Jezus Christus en zijn engelen. Vanuit de onzienlijke wereld zijn krachtige werkingen bezig. De kracht van Gods Geest openbaart zich, maar ook de krachten van de demonen zijn meer dan ooit tevoren werkzaam. Die twee tegenpolen gaat altijd samen: het laaiend vuur gaat samen met de verschijning van Jezus Christus, maar Jezus en zijn gemeente nemen daarbij altijd de eerste beslissing, pas daarna volgt de satan met zijn demonen (verg. Op.6:2). Wij leven in het tijdperk dat de krachten steeds sterker worden, daarom is de kracht van Gods Geest onmisbaar voor ons. Mensen, die nog op oudtestamentische wijze leven met een wrekende God (zondag 10), zullen prooi worden van het vlammende vuur. Hun loon wordt uitbetaald, ze worden gebonden aan banden van de duisternis (Judas).

  • ‘…wanneer Hij op die dag komt om verheerlijkt te worden in zijn heiligen en gezien wordt onder alle gelovigen; want bij u heeft ons getuigenis inderdaad geloof gevonden’ (2 Thess.1:10).

Gods Geest openbaart zich in de gemeente met kracht, de gemeente wordt afgezonderd. Er is herstel en genezing, men zal zich verwonderen om wat Gods Geest in de gemeente tot stand brengt. Wij gaan niet ten onder, wij twijfelen niet aan Gods bedoeling met ons, maar wij houden vast aan Zijn Waarheid. Wij willen zonen van God zijn, wij willen met elkaar geloven in wat Jezus ons geleerd heeft, wij willen de werken doen die Hij gedaan heeft. Na de leer, na het onderwijs, na het fundament zullen wij de leer van het koninkrijk der hemelen in de praktijk brengen.