Hoe stellen wij ons op…?

…in de gemeente?

Wie zich naar de wil van God in de wereld wil opstellen, zal zich als eerste verantwoorden moeten hoe hij zich in de gemeente gedraagt. Wij weten dat de Heer ons niet uit de wereld wegneemt, maar dat wij voor de satan bewaard zullen worden, als wij altijd ons oog richten op Jezus en zijn woord bewaren. Contacten met andere geesten in de onzienlijke wereld buiten Hem zijn niet geoorloofd.

Ons gedrag in het huisgezin van God bepaalt onze houding in de wereld. Wie zich in de gemeente ongedisciplineerd gedraagt, zal niet in staat zijn zich juist op te stellen in de wereld. De Heer wil dat wij in de gemeente met elkaar verbonden zijn als heiligen en dat wij een vast geloof bezitten in de waarheid, dat is in het plan van God met de mens om ieder tot een mens van God te maken en tot volwassenheid te brengen.

Opnieuw geboren christenen, met Gods Geest vervuld, stellen zich doelbewust op in de onzienlijke wereld. De geestelijke wapenuitrusting wordt aangetrokken, om een concrete strijd te voeren met de machten van de duisternis. Op de hoge weg zijn immers alleen de verlosten, die geen enkele gemeenschap zoeken met de boze geesten. Zij bekeren zich, worden gedoopt in water en in Heilige Geest, worden bevrijd en genezen. Zij leggen de oude mens af. 

We kunnen ons dus alleen goed opstellen in de wereld, als wij de juiste positie innemen in het huisgezin van God. Wij zijn ten opzichte van onze broers en zussen altijd positief en gebruiken onze geestelijke gaven in dienst van de gemeente. Zo helpen wij elkaar bij het voortgaan op de hoge weg. Wanneer de Heilige Geest werkelijk de leiding in ons leven heeft, zal dit allereerst onder de broers en zussen gezien worden. Zo ontstaat gemeenschap op basis van het geloof in de dingen die wij geleerd hebben en kennen. Deze ‘fellowship’ berust op de eenheid in denken en op het gezamenlijk gericht zijn op een doel. Iedere andere ‘fellowship’ is schijn of imitatie. De apostel Johannes schrijft:

  • ‘Wat wij gezien en gehoord hebben – het evangelie van Jezus Christus, of het Woord van God – verkondigen wij ook u, zodat – als u gelooft – ook u met ons gemeenschap zou hebben. En onze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus’.

De duivel probeert altijd het ene gemeentelid tegen het andere op te zetten. Hij is de kwaadspreker en staat bekend als de aanklager, maar in de gemeente vermaant men in zachtmoedigheid om te behouden, om in de andere liefde te wekken uit een zuiver hart. Onze bedoeling is om aan het beeld van de Zoon gelijk te worden en naar Hem toe te groeien. Dit kan alleen als we ons samen vasthouden aan de waarheid. Op deze manier kan de gemeente haar taak als lichtdrager en lichtuitstraler vervullen. We willen licht verspreiden in de gemeente, want licht is leven en dit laatste is een reëel bezit. Daarom: overwin in de gemeente het kwade door het goede!

… in ons gezin?

Onder alle omstandigheden moeten wij ons bewust zijn van ons bezit aan leven en heerlijkheid, en licht blijven uitstralen. Zo willen wij dit ook doen in eigen gezin. Dit is voor ieder van ons een andere opgave. Wanneer man, vrouw en kinderen dezelfde hartsgesteldheid bezitten, is alles eenvoudig. De één is dan bereid de ander te steunen, te helpen en voor de ander iets over te hebben. In zo‘n gezin vinden we een vriendelijke sfeer en het is een gezegende plaats van rust voor allen die erbij horen.

Maar het kan ook zijn dat alleen de man of alleen de vrouw de Heer dient. Dan wordt het voor de gelovige moeilijker het leven te bewaren en licht uit te stralen. Er komen dan ongewilde conflicten en moeilijkheden. Men moet vaak onrecht lijden, zich aanpassen vanwege ongelovige familieleden en kennissen. Soms vanwege de onbekeerde echtgeno(o)t(e), feestjes bijwonen of zelfs plaatsen bezoeken, waar men eigenlijk niet meer komen wil. Iedere gelovige zal in zo’n situatie zijn of haar eigen opstelling moeten vinden. Vanuit de innerlijke mens zal men dan wijsheid en kracht moeten hebben de situatie te beheersen om bijvoorbeeld als vrouw de verschuldigde gehoorzaamheid aan de man te bewijzen, maar ook aan God.

Ieder mens heeft recht op een eigen leven. De man mag zijn vrouw niet dwingen een samenkomst te verzuimen en de vrouw mag haar man het niet moeilijk maken de stem van zijn geweten te volgen. Ook kinderen mogen niet eisen dat hun ouders hun leven opofferen voor hen. Niemand heeft het recht de levensontplooiing van een ander in de weg te staan. Als oudere kinderen niet meegaan, doet men verstandig om de natuurlijke band zo lang mogelijk te bewaren. Altijd zal men, ook voor onze ongelovige kinderen, het goede moeten zoeken, maar tot geloven kan niemand gedwongen worden. De natuurlijke liefde is dan altijd nog het middel om het contact niet te verliezen. Het kind doet u niet tekort als het zich geestelijk distantieert, maar zichzelf. U hoeft niet gekwetst te reageren, maar het is jammer voor uw kind als het de weg van het evangelie niet gaat. Wanneer u het natuurlijke contact bewaart, zal zo’n kind zich toch nog blijven oriënteren op het gezin en van daaruit bestaat nog een mogelijkheid om het te helpen en te beïnvloeden. Wanneer het plotseling in nood komt, klopt het bij vader of moeder toch aan om hulp. Daarom, als God zich altijd positief opstelt tegenover de mens en zijn zon doet opgaan over bozen en goeden en regen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, zullen wij dit ook doen tegenover andersdenkenden.

Misschien bent u na uw huwelijk tot de Heer gekomen of heeft u andere inzichten gekregen. Denk eraan dat uw levenspartner u trouwde zoals u vroeger was. Hij of zij veranderde niet, maar u. Neem het hem of haar dan niet kwalijk, als hij of zij niet direct dezelfde stappen kan doen die u deed. Blijf liefdevol en geduldig!

… in onze werkomgeving?

Ook in de omgeving waar u werkt, zult u een lichtdrager moeten zijn, iemand die de sfeer van het Koninkrijk van God om zich heeft en ook in dit geval zijn de situaties verschillend. U werkt bij een christelijke baas tussen rustige collega’s of in een goddeloze omgeving waar de werknemers en de baas vol zitten met afkeer van het geloof in God en hun ontspanning vinden in gore grappen. Misschien ook werkt u bij een zeer ‘vrome’ baas, wat zeker voor u als christen niet gemakkelijk zal zijn.

Van u wordt niet gevraagd eens opzettelijk een demonstratie te geven van uw geloof of te spreken over de dingen die u heel anders ziet, maar u zult in uw leven de goedheid van de hemelse Vader moeten openbaren: zijn gerechtigheid, liefde, vrede, zuiverheid en blijdschap. Ieder heeft hier een eigen speciale opgave. Ik merk op dat u de tijd van uw baas niet moet gebruiken om te evangeliseren. De werkgevers onder ons zullen hun werknemers humaan behandelen, niet onderbetalen of ze zonder vergoeding laten overwerken. God ziet alle onrecht en u zult beoordeeld worden naar uw gedragspatroon. Laat daarom uw vriendelijkheid en goedheid en zelfbeheersing bekend zijn bij alle mensen.

… ten opzichte van ons aardse bezit?

Wij zijn blij en dankbaar voor alles wat de Heer schenkt. Wij streven niet naar eer en rijkdom, want dat is onchristelijk en niet uit de Vader. Ook in verband met ons bezit is de gemeente een essentieel deel van ons leven. Daar worden wij immers geestelijk gevoed en leren wij ons geestelijk te kleden. Dat is een reëel stuk leven. Daarom geven wij aan de gemeente onze bijdrage. Wij spréken daar wel niet zoveel over, maar dat doen wij ook niet in verband met de uitgaven voor onze levensbehoeften, de kleding van onze vrouw of die van onze kinderen. Dit is een vanzelfsprekende zaak. Wij schenken hun geen gift, als wij onze kinderen onderhouden en zo spreken wij ook niet van giften aan de gemeente, maar over onze bijdrage. Giften geven wij aan die instanties waarmee wij sympathiseren, niet vanuit een gutmensch gevoel, maar vanuit ons hart. Het huisgezin van God laten functioneren is ons eigen belang. Hoevéél u bijdraagt, blijft vrijwillig: het kan een tiende zijn, een vijfde of in moeilijke omstandigheden minder. God heeft de blijmoedige gever lief.

… ten opzichte van ongetrouwden in de gemeente?

De gemeente bestaat niet uit christelijke gezinnen. Wie dit beweert, begrijpt niet dat de gemeente het huisgezin van God is, waar wij als broers en zussen, getrouwd of ongetrouwd, samen het gezin vormen. Het gezin van een aards vader kan immers ook bestaan uit getrouwde en ongetrouwde kinderen. Daarom zijn de ongetrouwden onder ons niet minder, maar het is als in een natuurlijk gezin, waar de ongetrouwde kinderen méér op het ouderlijk gezin georiënteerd zijn dan de getrouwde. ‘Een getrouwde man draagt zorg voor aardse zaken en wil zijn vrouw behagen, dus zijn aandacht is verdeeld. Een ongetrouwde vrouw of een jonge man die nog niet getrouwd is, dragen zorg voor de zaak van de Heer, en wel zo dat men God met heel hun lichaam en geest is toegewijd’ (1 Cor.7:33).

Het is de plicht van de getrouwden om de categorie ongetrouwden in de gemeente in het natuurlijke op te vangen. Bij hen dreigt immers het gevaar van vereenzaming. Ze kunnen bij elkaar terecht, maar mogen ook in de gezinnen mee optrekken. Ze komen dan niet om wat rond te hangen, maar ze zullen zowel in de natuurlijke als in de geestelijke wereld hun positieve bijdrage leveren.

… als man en vrouw?

In een boek over ‘Het christelijke gezin’ las ik de verbijsterende onchristelijke uitspraak:

  • ‘De man is de taak opgelegd te heersen’ (pag. 42).

Misschien heeft deze schrijver aan de tekst gedacht in Genesis 3:16: ‘Naar uw man zal uw begeerte uitgaan en hij zal over u heersen’ (NBG-1951). Uiteraard is door de zonde deze situatie ontstaan is en hoe meer de gemeenschap van de mens met God verstoord werd, hoe meer men deze overheersing in de geschiedenis van de volken kan opmerken. De Heer zou echter zeggen: ‘Dit is van het begin af niet zo geweest’. In een christelijk gezin is de man het hoofd van de vrouw zoals Christus het hoofd is van zijn gemeente. Hij héérst niet over ons en dwingt ons niet, maar leidt ons door zijn Geest en ‘de liefde is zijn banier over ons’. Zo roept de apostel ook de oudsten op om geen heerschappij te voeren over wat hun ten deel is gevallen, maar als voorbeelden van de kudde te leven. Zo doet immers ook de Opperherder Jezus Christus (1 Petr. 5:3,4).

Volgens de bovengenoemde schrijver mag de vader vanwege zijn superioriteit niet de afwas doen, zijn loon niet afgeven aan zijn vrouw en moet de vrouw zich niet bemoeien met de financiële problemen van het gezin of met de leiding van de opvoeding van de kinderen. Maar dat is geen christelijk uitgangspunt. De mannen moeten een voorbeeld zijn voor hun vrouw en kinderen, zodat dezen met een gerust hart in hun voetsporen kunnen wandelen. Tussen man en vrouw moet een saamhorigheid zijn en een natuurlijke en geestelijke liefde. Maar in elk gezin liggen de verhoudingen om beslissingen te nemen anders.

Veel jonge gezinnen in de gemeente hebben te maken met de puzzel van onze tijd: de gezinsgrootte. Moeten voorgangers en oudsten de adviezen geven die u ook van aardse instanties kunt krijgen? Moet men luisteren naar wat de ongelovige buurvrouw aanraadt? Of de angstige, medelijdende oma? Of is er sprake van onderling overleg en van het bezitten van een wijsheid die van boven is? Wij laten deze zaak over aan de man en vrouw zelf, die zich samen voor God moeten beraden. Wij veroordelen niemand, want wij weten dat zij in de eerste plaats de wil van God wensen te doen. De belofte van de Heer is, dat degene die in het geloof om wijsheid bidt, deze ook zal ontvangen. Bij dit alles gelden de woorden: ‘Maar wie twijfelt of hij alles mag eten, is op het moment dat hij alles eet al veroordeeld. Want het komt niet voort uit geloof, en alles wat niet uit geloof voortkomt is zondig’ (Rom.14:23).

… ten opzichte van de opvoeding?

Het doel van de opvoeding is om kinderen tot zelfstandigheid te brengen. Vanaf de wieg van het kind moeten wij als ouders leren het los te laten. De kinderen zijn er niet voor óns, maar tot een bepaalde leeftijd zijn wij er voor hén, om hen te verzorgen en hen te heiligen. De opvoeding delen wij met de leraren van school, maar ook met de kinderen op straat, uit andere gezinnen. Overal doen onze kinderen ‘wijsheid’ op. Daarom moeten wij ze leren zelfstandig te leven en sterk te zijn, het goede te doen en het kwade te verwerpen. We mogen er geen kasplantjes van maken. We kunnen ze niet overal vandaan houden, maar we moeten ze onderrichten over goed en kwaad en hen omtuinen met geestelijke kracht. Wij moeten ze een voorbeeld geven van een zuiver christelijke levenswandel, van liefde, zelfverloochening en zelfbeheersing. Ook hier zijn geen regels te geven. Niet één kind is gelijk aan de andere. Ook gezinnen zijn verschillend en ieder voor zich is voor God verantwoordelijk voor de kinderen die Hij heeft toevertrouwd. Ook hierin wil Hij met ons zijn en wanneer onze kracht tekortschiet, kunnen wij ook hulp vragen in de gemeente.

… in onze vrije tijd?

‘Ledigheid is des duivels oorkussen’. Wie zich verveelt, mist de recreatie in de natuurlijke en in de geestelijke wereld. Als ouders zijn we er daarom niet mee klaar door te zeggen: ‘Dit en dat mag niet’. We zullen ons met onze kinderen in hun vrije tijd moeten bemoeien, het oog op hen houden, aandacht hebben voor wat buiten de deur gebeurt. Onze kinderen hebben op de school vaak weinig aansluiting. Ze komen daar met kinderen in aanraking die een ander leefklimaat gewend zijn. Daarom lopen ze gevaar geïsoleerd te gaan leven.

Ook kunnen wij de situatie, waarin onze kinderen nu leven, niet meer beoordelen met de maatstaven van vroeger. Men kan wel zeggen: ‘Zó deed ik het vroeger en zó ging het goed’, maar wij kunnen geen vergelijkingen meer trekken. We zijn een periode ingegaan, zoals er vroeger niet geweest is en die er ook niet meer zal zijn. We zullen daarom als ouders elkaar moeten helpen. We willen het in de hand werken dat de kinderen in de gemeente met elkáár omgaan. We willen ook niet jaloers zijn, omdat er gezinnen in de gemeente zijn waar onze kinderen misschien graag komen in hun vrije tijd. Laten wij er ons over verheugen dat er steeds bepaalde personen zijn, die jongelui aantrekken en waar ze met elkaar gezelligheid vinden en gepaste afleiding. Het contact in de jeugdgroep van de gemeente kan daarbij een belangrijke rol spelen.

Het zijn niet alleen de kinderen die in onze maatschappij veel vrije tijd hebben, maar ook de volwassenen. Ook voor hén is het noodzakelijk goed op te letten dat vakanties, weekenden en vrije avonden zinvol worden besteed. Onderling contact tussen de gemeenteleden is ook daarvoor van groot belang, mits de gesprekken opbouwend en nuttig zijn. We zullen daarom in onze gezinnen datgene weren, wat schadelijk kan worden voor de groei en de opbouw van het geestelijke leven. Het is beter een goed boek te lezen en samen te bespreken, of in de vrije natuur ontspanning te zoeken, of aan sport en spel te doen, dan de geest te laten vergiftigen door de producten van goddeloze, occulte en perverse schrijvers of acteurs, die we via romans, tv, internet, film of radio binnenhalen. Wij willen als leden van het lichaam van Christus niets doen wat de hoge weg blokkeert en wat de ontplooiing van de mens van God belemmert. Wij streven naar het goede, het Hem welgevallige en het volkomene, waartoe de Heer ons geroepen heeft.