Het avondmaal: Het lichaam van de Heer

  • ‘Een lichaam is een eenheid die uit veel delen bestaat; ondanks hun veelheid vormen al die delen samen één lichaam. Zo is het ook met het lichaam van Christus’ (1 Cor.12:12).

Het avondmaal

Bij het laatste avondmaal dat de Heer Jezus met zijn leerlingen gebruikte, nam Hij een brood en zei: ‘Dat is mijn lichaam voor u.’ Wat bedoelde Hij hiermee? Het brood dat Hij in de handen hield, was toch niet het lichaam van de mens Jezus? De woorden van de Heer waren op dat moment geest en leven. Hij verbond op dat ogenblik in de geestelijke wereld, zijn lichaam en bloed onverbrekelijk met de gemeente die hier op aarde zou ontstaan: ‘Maakt het brood, dat wij breken, ons niet één met het lichaam van Christus? Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want wij hebben allen deel aan dat ene brood’ (1 Cor.10:16,17). Iedereen heeft het recht om het brood en de beker aan te nemen, als men in de geestelijke en onzichtbare wereld de schuldvergeving, de verzoening en de reiniging geaccepteerd hebben.

Johannes schrijft: ‘Allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen van God te worden.’ Door opnieuw geboren te worden, worden wij kinderen van God. Dit betekent ingevoegd of ingedoopt worden in het lichaam van Christus, ‘want door één Geest zijn Wij allen tot één lichaam gedoopt’ (vers 13). ‘In het lichaam zijn’, waarvan Christus het hoofd is, betekent: gemeenschap hebben aan zijn goddelijke wezen en deel hebben aan zijn behoud. Als iemand met zijn geest (door het geloof) de verzoening niet aangenomen heeft en toch het brood aanneemt, correspondeert zijn inwendige mens niet met wat hij in de zichtbare wereld getuigt. Hij is dan ongeoorloofd bezig en onderscheidt het lichaam van de Heer niet. Men mag het brood alleen aannemen, als men met de geest Jezus aangenomen heeft.

Paulus schrijft, dat de heidenen bij het eten van het afgodenvlees gemeenschap hebben met de demonen. Daarom is afgoderij en occultisme zonde tot de dood. Wie het avondmaal viert, heeft in de geestelijke wereld contact met Jezus. De wetten van Gods Heilige Geest treden dan in werking die leven geven, dat wil zeggen, die de mens vrijmaken van zonde, ziekte en dood. Het hele brood symboliseert het hele mystieke lichaam van Christus. Door het aannemen getuigt men daaraan deel te hebben en met elkaar een geestelijke eenheid te vormen, het lichaam van Christus in de hemelse gewesten. Men viert het Avondmaal om Jezus te herdenken, want het lichaam van Christus, de gemeente, kan er alleen zijn op grond van Jezus’ verzoenend en verlossend werk.

Overeenstemming van het zichtbare met het onzichtbare

Als men door de Geest tot één lichaam gedoopt of ingevoegd is, hoort men ook onafscheidelijk bij elkaar. Dit geestelijke lichaam hoort in deze wereld zichtbaar te zijn. De onzichtbare werkelijkheid moet vorm krijgen in de natuurlijke wereld. Het zienlijke moet overeenkomen met het onzienlijke. Wanneer de leden van het lichaam in de onzienlijke wereld niet goed functioneren en zich in een slechte toestand bevinden, zal dit in de gemeente hier op aarde zichtbaar worden en zijn uitwerking hebben. Wanneer daarentegen de leden vol zijn van Heilige Geest en de liefde van God en hun roeping in het lichaam verstaan, zal de gemeente hier op aarde bloeien. Zij is dan een lichtend licht en een stad op een berg, die niet verborgen kan zijn.

Zo beeldt ook het huwelijk tussen man en vrouw de gemeenschap uit tussen Christus, het Hoofd en de gemeente. Ook deze expressie in de zichtbare wereld moet overeenkomen met de geestelijke realiteit. Het is onmogelijk om in het natuurlijke leven overspel te plegen en toch gemeenschap met God te hebben; dus zich te bevinden in het lichaam van Christus. Omgekeerd, wanneer bij beide huwelijkspartners de band met de Heer goed is, zal ook het huwelijk goed zijn. Dan is er liefde tussen man en vrouw, zoals deze is tussen Christus en de gemeente. Maar wanneer de gemeenschap met God verbroken wordt door geestelijk overspel: afgoderij, toverij, spiritisme, waarzeggerij of magnetisme, zal ook de weerslag gevonden worden in het huwelijksleven. Vandaar dat het heidendom praktisch geen goede huwelijken kent. Wie veel aan zielszorg gedaan heeft, weet ook hoe groot de huwelijksnood in onze christelijke samenleving is.

Zo moet ook de zichtbare kerk of gemeente het wezen van het lichaam van Christus, openbaren. De zonde van de Corinthiërs was, dat zij het lichaam niet onderscheidden. In de eerste plaats aanvaardden zij leden, die ongelovigen waren, dus niet verzoend, niet gereinigd en niet opnieuw geboren. In 2 Corinthe 6:14,15 moet de apostel vermanen: ‘Loop niet in een en hetzelfde span met ongelovigen. Wat is de verwantschap tussen gerechtigheid en wetteloosheid? Wat heeft licht met duisternis te maken? Waarin lijken Christus en Belial op elkaar? Wat hebben een gelovige en een ongelovige gemeen?’ De Corinthische gemeente was op deze manier op weg om een volkskerk te worden, zoals er in onze dagen zoveel van zijn. In 1 Corinthe 5:11 en 13 horen wij de waarschuwende stem:

  • ‘Wat ik bedoel is dit: u mag niet omgaan met iemand die zichzelf een broer of zus noemt, maar in feite een ontuchtpleger is, een geldwolf, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of uitbuiter. Met zo iemand mag u beslist niet eten. Verwijder wie kwaad doet uit uw midden.’

Bij een gemeenschappelijke maaltijd eet men niet alleen hetzelfde voedsel, maar men onderhoudt ook tegelijkertijd geestelijk contact. De Heer wil zijn gemeente zuiver en onberispelijk voor zich stellen. De gemeente in de zienlijke wereld moet daarom ook zuiver en rein zijn. Vertoont zich in het zichtbare lichaam verdeeldheid, ruzie, haat, nijd of jaloezie, dan is dit een teken dat in de geestelijke wereld de gemeente ook niet in orde is. Dan zullen de machten van ontbinding gaan werken in ziekte, zwakheid en dood (1 Cor.11:30).

Helaas, dit is een beeld dat wij vaak terugvinden in de tegenwoordige kerken en kringen, waar men vaak meent dat de geestelijke wetten die in de gemeente van Corinthe golden, nu niet meer functioneren. Maar ook nu nog kan Gods Geest met zijn levenwekkende kracht niet werken. Geestelijke gaven, onder andere die van genezingen, komen alleen tot hun recht waar een onderlinge liefdeband gevonden wordt. Men legt geen handen ter genezing op iemand met wie men het oneens is en evenmin zal men met iemand met wie men ruzie heeft, naar een zieke gaan om deze gezamenlijk met olie te zalven.

Onze verantwoordelijkheid

In 1 Timotheüs 3:5 en 3:15 en Efeze 2:19 wordt het lichaam van de Heer vergeleken met een huisgezin. Ook hier is weer sprake van een Bijbelse gedachte; als het huisgezin goed is, is de gemeente op haar plaats. Wie als voorganger zijn eigen gezin niet kan besturen, met zijn vrouw niet eensgezind kan leven en niet ‘met alle waardigheid zijn kinderen onder tucht houdt’, kan ook niet zorgen voor het huisgezin van God. Zoals het in het huis van voorganger en oudsten toegaat, hoort het te zijn in het gezin van ieder gelovige, want het woord voorganger staat in verband met voorgaan en volgen.

Nu zijn er veel gezinnen, maar ieder heeft vooral te maken met zijn eigen gezin. Wij hebben ons niet te bemoeien met het huishouden van onze buurman, als hij ons niet te hulp roept. Wij zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor de toestand in eigen huis. Verder kunnen wij op vriendschappelijke voet omgaan met andere families, wellicht van hen wat leren of misschien hen tot voorbeeld zijn. Zo zijn er in het lichaam van Christus dat over de hele aarde door de eeuwen heen opgebouwd wordt, kerken en gemeenten.

Jezus zei dat waar twee of drie in zijn Naam vergaderd waren, Hij aanwezig zou zijn. Op die plaats zou het huisgezin van God, zijn lichaam, zichtbaar worden. Wij dragen de verantwoordelijkheid voor eigen gemeente, voor eigen samenkomst en voor eigen kring. Wij hebben geen andere te veroordelen, ook niet hen die in de eeuwen voor ons geweest zijn, maar wij hebben de plicht te zorgen dat ónze samenkomst overeenstemt met de geestelijke werkelijkheid en daarvan een levend en zuiver beeld vormt. Wanneer er onderlinge ruzies zijn, wanneer ongelovigen als broers geaccepteerd worden of wanneer wij zieke of aangevallen broers of zussen aan hun lot overlaten, zal Gods Geest niet onder ons kunnen werken. Wanneer wij in eigen kring het lichaam niet onderscheiden, blijven er zwakke, zieke en gebonden  mensen.

Wanneer een team van mensen samenwerkt tot een bepaald doel in het Koninkrijk van God, is de grote voorwaarde dat men allen eensgezind is. Eén van hart en één van ziel. Wanneer men deze grondregel in het Koninkrijk van God onderkent, is men waakzaam, verdraagzaam en geneigd, ondanks verschil van inzichten, elkaar als broers te accepteren. Men kan alle zuiverheid van leer en alle geestelijke gaven bezitten, maar als er geen onderlinge liefde is, dat wil zeggen een positieve hand met de naaste, heeft men niets. De liefde is de verbinding tussen de delen van het lichaam onderling en ook de baan waarlangs de geestelijke gaven functioneren.

Zieken delen in een gezond lichaam

Een boom kan bij het naderend voorjaar dode takken hebben. Deze vallen bij de eerste de beste rukwind af. Er zijn ook takken die er dor uitzien; er is nog wel leven in, maar ze dragen weinig bloesem en er is weinig vrucht van te verwachten. Toch horen ze even goed bij de boom als de takken, die overvloedig bloeien. Een levend lichaam verdraagt geen dode delen. Wat afgestorven is, wordt door de omringende cellen afgestoten. Bij melaatsheid, het beeld van de inwerking van zonde, vallen de gestorven delen van het lichaam af. Zo zullen in een levende gemeente de ongelovigen zich niet thuis voelen: ‘Zij waren allen eensgezind samen in de zuilengang van Salomo, maar van de anderen durfde niemand zich bij hen te aansluiten.’

Er zijn ook ‘leden van het lichaam’ die een armetierig bestaan leiden. Het geloof is niet groot en de kracht naar verhouding klein. Maar Hij die het geknakte riet niet verbreekt en de rokende vlaswiek niet uitblust, wil dat wij ‘wat misdeeld is’, met bijzondere zorg omringen en daardoor het oneervolle meer eer bewijzen ‘opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn’, maar eenheid. Gefundeerde kinderen van God, vast in het geloof en in de liefde, krachtig in de Heer en in de sterkte van zijn macht, hebben niet zoveel zorg nodig. Hun is het voorrecht geschonken met de hun toevertrouwde genadegaven te dienen. ‘Onze minder edele leden worden met groter eer behandeld, maar onze edele leden hebben dat niet nodig’ (vers 23,24).

Een gezond lichaam staat voortdurend bloot aan aanvallen van buitenaf. Bacteriën, parasieten en virussen proberen binnen te dringen om het ziek te maken. Het zwakke lichaamsdeel bezwijkt voor deze stormloop. Zo belagen zonde- en ziektemachten het lichaam van de Heer. Zij tasten de hele gemeente af naar een zwakke plaats, misschien een eenzame, soms een kind of een puber. Van hieruit proberen de machten van de duisternis druk uit te oefenen op de hele gemeente. Zo kan een boze geest van kritiek, van jaloersheid of van ruzie een broer of zus gebruiken om een hele gemeente te infecteren. Door geroddel en laster kunnen samenkomsten verwoest worden.

Hoe reageert nu een gezond natuurlijk lichaam op schadelijke invloeden? Bij een ontstane wond worden in de eerste plaats de dichtstbijzijnde cellen actief. Vanuit het omliggende weefsel komen de genezende en opbouwende stoffen door het bloed naar de zieke plaats. Op dezelfde manier werken in de gemeente de geestelijke gaven, want ‘wij zijn met één Geest gedrenkt.’ De belagers van geest, ziel en lichaam worden geweerd door de machten te binden en uit te werpen, door de handen te leggen op zieken ter genezing en zo de aangevallenen te claimen voor het Koninkrijk van God en staan voor hen op de bres. Ook wordt er een beroep gedaan op de herscheppende kracht van de Geest om wat aangetast en geschonden werd, te herstellen. Daarna groeit het herstelde en gezonde lichaam: ‘naar de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus en vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde’ (Efeze 4:13,16).

Zoals de tempel van God opgebouwd wordt uit kleine, levende stenen, die ieder voor zich een tempel zijn, zo vormen de levende gezonde en volgroeide cellen, samen het volwassen lichaam van Christus. Ieder lid wordt aan Jezus gelijkvormig en samen zijn zij het volmaakte afschijnsel van Gods heerlijkheid en de afdruk van zijn Wezen (Hebr.1:3)!