Heersen of dienen?

Het gezag van de voorganger

Een lezeres uit Australië, die vanwege haar vragen liever anoniem wenst te blijven, reageerde over een bepaalde koers in enkele pinkstergemeenten in dit werelddeel:

  • ‘Ik zou u willen vragen iets te schrijven over het gezag in de gemeente, dit wil zeggen het gezag van voorgangers en oudsten over de gemeenteleden. Ik denk hierbij aan Hebreeën 13:17 wat ons voortdurend voorgehouden wordt: ‘Gehoorzaam uw voorgangers en onderwerp u aan hen’. Er wordt hier bijna onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van ons gevraagd.
  • Een van de gemeenteleden zei tegen mij: ‘Als de voorganger tegen mij zegt: spring! dan spring ik’. Als je ergens je eigen ideeën over hebt, of eigen initiatief ontwikkelt, wordt dit bijna als rebellie beschouwd. Onze voorganger zei laatst dat we maar veel voor hem moesten bidden, want als hij verkeerd ging, zouden we allemaal verkeerd gaan. Het lijkt mij toe dat daarmee een te grote verantwoordelijkheid op de voorganger wordt gelegd, en niet genoeg op de gemeenteleden.
  • Er wordt veel gepredikt over Hebreeën 13:17 en nooit over 1 Petrus 5:3 waar tot de oudsten wordt gezegd: ‘Stel u niet heerszuchtig op tegenover de kudde die aan u is toevertrouwd.’ In Lucas 22:26 zegt Jezus tot de leerlingen onder wie onenigheid was over de vraag, wie van hen als de eerste moest gelden: ‘De belangrijkste van jullie moet de minste worden en de leider de dienaar.’ In Mattheüs 23:8 lees ik: ‘Jullie moeten je niet rabbi laten noemen, want jullie hebben maar één meester, en jullie zijn elkaars broers en zussen.’
  • Mijn vraag is: wat moet ik doen als men in een gemeente is, waar dit min of meer van je wordt verwacht? Hoe zit dit nu precies met het gezag van voorgangers en oudsten? Hoe ver reikt dit? Zou u hierover willen schrijven?’

Ons antwoord

In het Reformatorisch Dagblad lazen we iets over een boek van psychologen die zich bezighielden met de geestelijke gevolgen van kapingen. De voorspelling werd gedaan dat het terrorisme zich zou uitbreiden:

  • ‘De slechte economische situatie en de huidige structuur van de maatschappij, waardoor angst, onzekerheid en een gevoel van onmacht collectief zeer sterk toenemen, vormen naar de mening van de psychiater een sterke voedingsbodem voor terroristische handelingen en rekrutering van nieuwe terroristen. In de toekomst zijn vooral gevaren te verwachten van charismatische leiders van sekten. Zij bedienen zich van moderne technieken voor het maken van aanhangers en volgelingen. Daarbij worden de leden van hun persoonlijkheid beroofd en hebben zij geen identiteit binnen de groep. Dit komt vrijwel overeen met wat in terroristische groeperingen kan gebeuren’.

Deze visie is vandaag inderdaad actueel en aanwezig. De apostel waarschuwt ons ervoor, dat in de eindtijd de antichrist zich in de tempel van God gaat zetten, om aan zich te laten zien dat hij – als leider – ‘een god is’ (2 Thess.2:4). Het is merkwaardig dat men juist in de zogenaamde ‘vrije’ groepen in onze tijd de slinger naar de kant ziet doorslaan van gebondenheid aan personen of aan systemen, waarbij gehoorzaamheid aan de charismatische leider of aan de vertegenwoordiger van het groepssysteem geëist wordt. Ieder nieuw lid moet zich vrijwillig onderwerpen en een belofte van gehoorzaamheid afleggen om te kunnen toetreden tot de gemeenschap.

Men ziet dat het hiërarchische systeem met zijn piramidevorm in charismatische kringen, vooral in Amerika en in de Angelsaksische landen, opnieuw naar voren komt, net als men dit tot het extreme heeft in de rooms-katholieke kerk. Zelfs in het natuurlijke leven, zoals in het gezinsverband, in het besteden van het salaris, in het spenderen van de vrije tijd, in het aanknopen van vriendschapsbanden of bij het zoeken van een man of vrouw, is men verplicht de leider te raadplegen.

Ik las ooit een bespreking van het beroemde boek dat George Orwell in 1949 schreef over ‘het jaar 1984′. Daar staat op affiches van de komende maatschappij: ‘Big Brother is watching you’, of grote broer houdt je in de gaten, want hij moet blindelings gehoorzaamd worden. Hij is de vertegenwoordiger van een systeem dat ononderbroken zijn onderdanen controleert door de zogenaamde ‘Gedachtenpolitie’. Een systeem wat er inmiddels werkelijk ook is. Er is een einde gekomen aan het privéleven en de vrije meningsuiting wordt de nek omgedraaid. Het individu is onderworpen aan de belangen van een kleine, westerse elite, net als dit bij het nationaal socialisme het geval was. Denk aan de slogan: ‘Befehl ist Befehl!’

De Bijbel vergelijkt echter de gemeente met een groot gezin. Zij is niet opgebouwd uit natuurlijke gezinnen, maar zij wordt gevormd door broers en zussen, getrouwd of ongetrouwd, die een geestelijke eenheid vormen. Paulus schreef aan de gemeente te Efeze, waar onder de oudsten nogal wat verdeeldheid was: ‘Totdat wij allen de eenheid van het gelóóf en de vólle kennis van de Zoon van God bereikt hebben’. De uitwendige, opgelegde eenheid is een surrogaat voor een geestelijke saamhorigheid die berust op gemeenschappelijk geloof en op gemeenschappelijke inzichten.

In een gezin proberen de ouders de kinderen op te voeden tot zelfstandigheid, dus tot ‘de mannelijke volwassenheid’. Vader en moeder hebben daarom in hun gezin een dienende functie. Uit ervaring weten wij, dat de mooiste tijd aanbreekt, wanneer men met zijn volwassen kinderen op voet van gelijkheid kan spreken. Dan is er een geestelijke band, die ver uitgaat boven een gezagsverhouding, die zich uitdrukt in de woorden: ‘Je moet doen wat ik je zeg’. Wij zijn niet meer verantwoordelijk voor onze volwassen kinderen. Zij moeten zelfstandig beslissen, ook al wonen ze misschien nog bij ons in.

Een voorganger heeft geen gezag in de gemeente vanwege het reglement of vanwege een afgelegde belofte van onderdanigheid, maar vanwege zijn geestelijke structuur en roeping. Een leraar heeft pas echt gezag in de klas, wanneer hij de meerdere is in kennis, in zelfbeheersing en in het voorbeeld dat hij geeft. In de gemeente zal de ziel die hongert en dorst naar de gerechtigheid zeggen: ik wil zijn als mijn geestelijke leider. Paulus schreef: ‘Wordt mijn navolgers, zoals ook ik Christus navolg’ (1 Cor.13:33).

In wezen gaat het dus of men een natuurlijke of een geestelijke autoriteit zoekt om het doel te bereiken: de mens van God tot alle goede werken volkomen toegerust. De leerlingen van Jezus hadden onder elkaar af en toe ruzie, maar als het erop aankwam of ze uiteen zouden gaan, zeiden ze tot Jezus: ‘U verbindt ons, want U hebt woorden van eeuwig leven’. Zijn gedachtewereld hield hen bij elkaar en dat is nu nog zo. Onze eenheid is geestelijk. De Corinthiërs hadden allerlei meningsverschillen. Moesten deze opgeruimd worden door een krachtige leiding aan wie men zich moest onderwerpen? Paulus schreef:

  • ‘En ik broers, kon niet tot u spreken als tot geestelijke mensen, maar slechts als tot vleselijke, nog onmondigen in Christus’ (1 Cor.3:1).

De afvallige, ongeestelijke kerk probeerde in de kerkgeschiedenis langs de weg van autoritair gezag een eenheid te krijgen, maar deze schijneenheid werd telkens verbroken door vleselijke scheuringen. De geestelijke mens heeft geen behoefte aan natuurlijk gezag dat zijn kracht ontleent aan natuurlijke middelen, maar hij bedenkt de dingen die boven zijn. Hij weet dat door zijn gebed en zijn geloof de dingen die mis dreigen te gaan, weer in de juiste banen zullen worden geleid.

Verder blijkt dat de lezeres zich al door haar vraagstelling innerlijk heeft losgemaakt van de voorschriften van de gemeente waar zij bij hoort. Of zij verder de samenkomsten al of niet bezoekt, is een kwestie van mogelijkheden tegen elkaar afwegen.

Tenslotte wil ik nog opmerken, dat de mail van de lezeres Hebreeën 13:17 niet teniet kan doen. Zij is als lid aan haar voorgangers, dus aan voorganger en oudsten, nog gehoorzaamheid verschuldigd en zal zich aan hen moeten onderwerpen. Dezen hebben de leiding en zij moet die niet doorkruisen met haar eigen opvattingen, ook al zouden die beter zijn. Men voegt zich bij een bestaande gemeente en als men het met de regels en inzichten aldaar niet eens is, moet men geen moeilijkheden veroorzaken, maar kan men beter weggaan. Niemand dwingt haar lid te zijn van een bepaalde geloofsgemeenschap. Als men zich ertoe geroepen weet, kan men desnoods zelf aan huis een Bijbelstudie beginnen. Veel gemeenten zijn op deze wijze ontstaan. Verwarring en onrust stichten in een andermans huis is echter nooit geoorloofd.