Geroepen tot gemeenschap

  • ‘God is trouw, door wie u geroepen bent tot gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer’ (1 Cor.1:9).

Als je deze tekst in andere vertalingen opzoekt, valt op dat de ‘moderne’ Bijbelvertalers het woord gemeenschap (bewust?) proberen te mijden. Waarschijnlijk met de bedoeling het woord op een juistere wijze weer te geven, maar misschien ook om het uit een geheimzinnig sfeertje te halen. Want al met al kun je er veel kanten mee uit.

Het woord komt in de Bijbel dan ook niet zo heel vaak voor. Voor het eerst kom je het tegen in Genesis 4:1, waar staat: ‘De mens nu had gemeenschap met Eva, zijn vrouw en zij werd zwanger en baarde Kaïn’. Nu heeft het Hebreeuws helemaal geen woord voor ‘gemeenschap’. Het gebruikt daarvoor het woord ‘kennen’. In de Statenvertaling lees je dan ook: ‘En Adam bekende Eva’. Een mooie uitdrukking, want de basis voor gemeenschap tussen man en vrouw is toch dat je elkaar door en door kent. Je hebt elkaar geaccepteerd zoals je bent. Wat er dan ook komen zal, je weet wat je aan elkaar hebt.

Is het zo ook niet in onze relatie met God? Willen we oprechte gemeenschap met Hem, dan zullen we Hem werkelijk, goed moeten kennen. Niet een kennen, zoals heel Nederland de koning kent, van een foto uit de krant, van tv of van horen zeggen. Nee, als God ons oproept tot gemeenschap met Hem en zijn Zoon, houdt dit in dat we Hem persoonlijk mogen kennen: ‘Als een Vader van de hemellichten; bij Hem is nooit enige verandering of verduistering waar te nemen’ (Jac.1:17). Zo’n Vader kun je vertrouwen.

Beschadigd vaderbeeld

Niet iedereen associeert het woord ‘vader’ met een persoon die je volop vertrouwen kunt, die op een goede manier zorg voor je draagt. Wie kent de verhalen niet van kinderen die opgroeien in een klimaat van angst? Angst, die zelfs kan uitgroeien tot haat. Er zijn duizenden kinderen in Nederland die totaal gefrustreerd zijn door de manier van optreden van hun vader. Er zijn duizenden volwassen geworden mensen, die zijn blijven steken in een beschadigd vaderbeeld. Wat roept zo’n Bijbeltekst bij hen op? Waarschijnlijk alleen maar negatieve gevoelens, wrok en haat.

Hoe kunnen zulke mensen God leren kennen als een liefdevolle Vader? Door naar Jezus Christus, onze grote Broer te kijken. Hij kent de Vader als geen ander. Het is zelfs zo: kijk je naar Jezus, dan zie je God. Hij is de volmaakte afspiegeling van zijn Vader. Bestudeer je het leven van de Zoon van God, dan ga je ontdekken dat er Eén is die veel om je geeft. Een die enkel goed is. Iemand die je volkomen kunt vertrouwen. In gemeenschap met Jezus Christus leren we onze Vader kennen zoals Hij werkelijk is.

Deelgenoten

Gemeenschap met de Vader en Zoon houdt niet in dat we alleen maar vol zijn van lofprijzing en aanbidding. Lofprijzing en aanbidding is goed, maar gemeenschap met God houdt meer in. Het Griekse woord voor gemeenschap (koinonia) betekent: delen, deelnemen of deelhebben aan. Echte gemeenschap met God bestaat hierin dat we ons hele leven delen met Hem. Niet alleen daar waar het ons uitkomt, maar op alle terreinen van ons leven. Daar is volledige overgave voor nodig. In zo’n gemeenschap laat God je deelnemen aan de verwezenlijking van zijn plan met de schepping. God zoekt mensen die zijn deelgenoten willen worden, mensen die zich volledig willen inzetten om het Koninkrijk van God gestalte te geven. Dan komen zonen van God tevoorschijn die ‘deelhebben (letterlijk staat er ‘koinonos’, deelgenoten) aan de goddelijke natuur’ (2 Petr.1:4). Dat is de vrucht van echte gemeenschap.

‘Mens, waar ben je?’

In Genesis 4 lezen we dat Kaïn, inmiddels volwassen geworden, ‘toornig werd, en zijn gelaat betrok’. Jaloersheid is er de oorzaak van dat hij ‘het hoofd liet hangen’, zoals de Leidse vertaling het weergeeft. Nu is dit natuurlijk niet toevallig zo beschreven. De schrijver probeert hiermee uit te drukken dat het contact tussen de twee broers Kaïn en Abel, verbroken was. Kaïn durfde zijn broer niet meer recht in de ogen te kijken. Daar was geen gemeenschap. Ook niet met God. God zei dan ook tot Kaïn in de Leidse Vertaling: ‘Waarom zijt gij gramstorig en laat gij het hoofd hangen? Moogt gij het niet, indien gij goed handelt, vrij opheffen? Maar indien gij slecht handelt, ligt de zonde aan de deur. Naar u strekt zich haar begeerte uit; doch gij kunt haar beheersen!’

Waar geen echte gemeenschap is tussen broers en zussen, liggen boze geesten aan de deur die er op uit zijn om verdeeldheid te zaaien, in de hoop dat ze elkaar niet meer accepteren. In geestelijke gemeenschap stoot je niet af, maar zoek je onder alle omstandigheden, contact, omdat je als geestelijk mens deelgenoot (in het Engels: companion) van God bent geworden. Dan vraag je je niet als Kaïn af: ‘Ben ik mijn broers hoeder?’ In het Hebreeuws: ‘Ben ik mijn broers ‘bewaarder?’

We mogen het uitroepen in de wereld: ‘Mens, waar ben je?’ Zoals God tot Adam en Eva riep: ‘Mens, waar ben je?’ (Gen.3:9). Ik verwerp je niet, Ik stoot je niet af, maar wil contact met je, echte gemeenschap door mijn Zoon, opdat de gestalte van Mij in je openbaar zal worden en je kunt uitgaan om je broer te ‘bewaren’. Dat is de taak van deelgenoten van God, met als basis: geestelijke gemeenschap met God en je geestelijke broers en zussen.

Een bruiloftslied

De Hebreeënschrijver schrijft ook over ‘deelgenoten’. Onder andere in hoofdstuk 1:8 en 9. Weliswaar gebruikt hij een ander grondwoord ‘metochos’, maar dit verandert niets aan de waarde van dit uit Psalm 45 geciteerde Bijbelgedeelte. Wat vermeldt de Hebreeuwse grondtekst precies?

  • ‘Mijn hart trilt van blijde woorden, ik draag mijn gedicht een koning voor, mijn tong is de stift van een vaardig schrijver. Uw pijlen zijn gescherpt – volken zijn onder u, zij dringen in het hart van de vijanden van de koning. Uw troon, o God, staat voor altijd en eeuwig, uw koninklijke scepter is een rechtmatige scepter. U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid; daarom heeft, o God, uw God u gezalfd met vreugdeolie boven uw metgezellen’ (Hebreeënschrijver: deelgenoten).

Boven dit gedeelte hebben de Bijbelvertalers geschreven: Een lied voor de bruiloft van de koning. Het bijzondere hier is dat de koning tot de rang van Godheid wordt verheven, want hij wordt aangesproken met ‘o God’. Voor vele volken buiten Israël was het de normaalste zaak van de wereld dat hun koning werd gelijkgesteld aan een godheid. Denk aan de Egyptische Farao, die beschouwd werd als de zoon van Ra (de zonnegod) en hoe bijvoorbeeld in de tijd van Jezus de Romeinse keizer als een god werd vereerd. In Israël was dit echter iets heel bijzonders, daar werd vergoddelijking van de koning alleen maar toegepast in verband met de komende Messias. Dan werd de tekst in een profetisch verband geplaatst.

In Hebreeën 1:8 wordt deze Psalm dan ook op Jezus Christus betrokken. Hij is het die als de Messias zit op de troon. De troon die staat voor altijd en eeuwig. Of, zoals een andere vertaling zegt: ‘Uw troon, Godegelijke, is een Godestroon’, vergelijk Filippenzen 2:6, waar staat: ‘Christus Jezus, die, hoewel Hij in de gestalte van God was (en niet God zelf!) het aan God gelijk zijn niet als een roof heeft geacht’. God heeft zijn Zoon, voor zijn taak op aarde, gezalfd met kostbare olie. Met Gids Heilige Geest, die ook zo enorm kostbaar is in deze tijd. Geen gewone olie, maar vreugdeolie! Vreugdeolie waarin Jezus, gezien de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag, wil delen met zijn volgelingen. Hij wil ons hierin deelgenoot maken. Dat is de vrucht van gemeenschap met onze Heer.

‘Gabbers’

In het Hebreeuws staat voor deelgenoten het woord ‘chaber’, wat wij nog tegenkomen in de Nederlandse taal als het Jiddische woord ‘gabber’. Voor sommige mensen heeft dit misschien een wat negatieve klank, maar oorspronkelijk heeft het dit niet. Een ‘chaber’ is iemand met wie je alles werkelijk alles kunt delen. Het is een erenaam, die niet vaak voorkomt in het Oude Testament. Als wij ‘chaber’ genoemd worden, houdt dit wat in. Dan valt er iets te verwachten, iets te delen. We mogen niet alleen deelgenoot worden van Gods Geest, maar ook deel hebben aan zijn troon. ‘Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, zoals ook Ik heb overwonnen en met mijn Vader op zijn troon zit’ (Openb.3:21).

In het bruiloftslied werd het geproclameerd: ‘Volken zijn onder u’. En in het leven van Jezus hebben we gezien dat het mogelijk is, dat boze geesten aan de mens onderworpen zijn. In gemeenschap met Jezus Christus krijgen ook wij deel aan deze belofte, zodat we ‘deelgenoten van de hemelse roeping’ zullen zijn (Hebr.3:1). Wat een heerlijk deel voor ons als ‘gabbers’!