Gereserveerde plaatsen

Een hemels verblijf

Jezus vertelde bij zijn afscheid aan zijn leerlingen dat het evangelie, dat Hij in de wereld had gebracht, voor hen een geweldige realiteit zou worden. Hun opleidingscentrum zou niet op aarde maar boven zijn. Door de vernieuwing van denken zouden zij van natuurlijke tot geestelijke mensen worden omgevormd. Dit zou gebeuren in het huis van zijn Vader. Dáár zou Jezus door zijn sterven en door de doop met Gods Geest voor hen een verblijf klaarmaken. Dit beeld is ontleend aan een groot oosters paleis, waar niet alleen de vorst en de erfgenaam van de troon wonen, maar ook de andere zonen van de koning, ongeacht hun aantal. Het huis van de Vader is het huis van God of de tempel van God in de geestelijke wereld. Dáár is voor de volgelingen van Jezus een plaats gesitueerd.

Het woord ‘moré’, plaats, komt maar tweemaal in het Nieuwe Testament voor, namelijk in Johannes 14:2 en in vers 23, waar staat dat de Vader en de Zoon door Gods Geest tot de leerlingen zouden komen om woning in hen te maken. Door de doop met Gods Geest zou het gebed van de Heer worden vervuld:

  • ‘Vader, u hebt hen aan Mij geschonken, laat hen dan zijn waar Ik ben. Dan zullen zij de grootheid zien die U Mij gegeven hebt omdat u Mij al liefhad voordat de wereld gegrondvest werd’ (Joh.17:24).

Paulus wees op deze mystieke situatie in het leven van de geestelijke christen met de woorden: ‘Hij heeft ons samen met Hem uit de dood opgewekt en ons een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus’ (Ef.2:6). Met zijn geestelijk lichaam, ziel en geest, woont de opnieuw geboren christen in de tempel van God, het huis van de Vader. Hij mag daar als een volmaakt rechtvaardige tot de troon van genade naderen. God is dan in hem en hij is in zijn geestelijk domein. Daar is voor hem een gereserveerde plaats klaargemaakt.

De hemelse hof van Eden

In Ezechiël 28 wordt ons een hemelse hof van Eden getekend. Johannes zag later dat daar de rivier van het levenswater ontspringt uit de troon van God en van het Lam. In het midden van de hof is de heilige berg van de goden met de tempel waar de troon van God is. Op deze geestelijke berg Sion functioneren de tronen, de heerschappijen, de overheden en de machten, dus de hoogste rangen in de engelenwereld. Op de grote witte heilige troon was een plaats gereserveerd voor de geestelijke wezens die Gods beeld en zijn gelijkenis zouden dragen. Niemand zou deze plaats mogen bezetten dan de door God aangewezen personen.

De gereserveerde plaats op de troon van God werd beveiligd door de beschuttende cherubs of troonengelen onder aanvoering van de aartsengel Michaël. De troon is nu al bezet door de Mensenzoon en blijft gereserveerd voor hen van wie gezegd wordt: ‘Wie overwint zal samen met Mij op Mijn troon zitten, net zoals Ik zelf overwonnen heb en samen met Mijn Vader op zijn troon zit’ (Openb.3:21). God hield rekening met een doorkruising van zijn plan en daarom waren er beschuttende cherubs en ook was het Lam van God, dat geslacht is sinds de grondvesting van de wereld, in zijn gedachten.

Toen de aartsengel Lucifer die al het geschapene ordende, deze open plaats voor zich begeerde, werd hij door de beschuttende cherub omlaag gestoten: ‘En heeft de beschuttende cherub u verjaagd’ (Ez.28:16). Hij werd verbannen van de berg van de goden en werd een balling. In een visioen zag onze Heer dit verre verleden op het ogenblik dat de twee en zeventig met blijdschap terugkeerden, omdat zij macht hadden ontvangen over het leger van de vijand. Hij zei toen tegen zijn leerlingen: ‘Ik zag de Satan als een bliksem uit de hemel vallen.’ Niet voor hem was de gereserveerde plaats op de troon bestemd, maar voor hen van wie de namen wèl opgetekend zouden worden in de hemelse gewesten (Luc.10:17-20).

De aardse hof van Eden

  • ‘God legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste hij de mens die hij had gemaakt’ (Gen.2:8).

God gaf dus op aarde voor de mens een beschut paradijs om te wonen. Hij moest deze hof ordenen, bewerken en beschermen tegen vijandelijke indringers. Door een geestelijk ontwikkelingsproces zou hij dan zijn gereserveerde plaats in de hof kunnen innemen. Maar Satan wil het contact tussen God en de mens verhinderen. Als hij Adam de dieren een naam ziet geven, wordt zijn aandacht bepaald bij de slang, het listigste van alle dieren. Zij is geschikt om zijn hele en halve leugens over te nemen. Door dit overweldigde dier zal hij zijn doel bereiken. Voortaan is de slang het embleem van de duivel, zijn opdracht is: de schepping ontwrichten door de leugen.

De boom van goed én kwaad – Het begin van alle rampen

Ook de prachtige boom, die een lust voor de ogen was en náást de Levensboom in het midden van de hof stond, kwam onder zijn occulte beïnvloeding, zoals later bij de bosnegers in Suriname de obeiaboom midden in het dorp de woonplaats is van een geest, of zoals de heilige waringin in de dessa op Java spuwgeesten had of de Wodanseiken bij Wolfheze of de heilige bomen bij de Kanaänieten met de afgoden waren verbonden.

De Levensboom was echter verbonden met het Woord en de gedachten van God. Al etend van zijn vrucht hoorde het eerste mensenpaar innerlijk de stem van de Heer. Daarom was deze boom symbool van Jezus Christus, de Zoon van God, in wie het Woord van God vlees werd. Wie eet van het levensbrood dat Hij geeft, ontvangt het Woord van God. De levensboom leerde alléén het goede uit de geestelijke wereld kennen en daardoor zou men vanzelf wat hiervan afweek, het kwade, kunnen onderscheiden.

Adam en Eva werden echter betoverd door het wonder van de sprekende slang. Hiermee werd de boom van kennis van goed en kwaad ook symbool van de antichrist, van wie ‘de komst is naar de werking van Satan met allerlei krachten, tekens en bedrieglijke wonderen’. De vrucht van deze boom stelde de ‘verlokkende ongerechtigheid voor’ (2 Thess.2:9,10). Het eten van de Levensboom schonk kennis en ervaring van het goede. Het eten van de boom van kennis van goed en kwaad schonk ook kennis maar ook ervaring van het kwaad, waarbij het laatste zou overheersen. Deze kennis zou nooit tot het doel voeren, want God is één. Hij is enkel goed en deelt nooit zijn troon met hen die door de kennis van goed én kwaad innerlijk verdeeld zijn.

Wie van de occulte boom at, zou sterven. De poorten van het dodenrijk zouden hem dan overweldigen. Dit rijk is dan voor de onsterfelijke innerlijke mens de gereserveerde plaats, waar noch het goede noch het kwade zich verder kunnen ontwikkelen. Wie echter in Jezus in het paradijs van God overgeplaatst is, zal na zijn sterven zich blijven ontwikkelen, want hij heeft eeuwig léven.

Adam stierf de dood, dit wil zeggen dat hij geestelijk in ballingschap ging net als Lucifer, de Satan. Hij werd uit de aardse hof van Eden verdreven, terwijl de toegang tot de boom van het Leven werd versperd door ‘de cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de Levensboom bewaken’. Deze heilige engelen hanteerden het Woord van God om ieder tegen te houden, die verbonden met de ongerechtigheid het eeuwige leven wilde grijpen. Voortaan bleef alleen de boom van goed en kwaad voor de mens bereikbaar.

Het beloofde land

Door de val van de mens werd zijn geestelijk onderwijs afgebroken. Duizenden jaren zouden voorbij gaan waarin geen waarachtig geestelijke mensen werden gevonden. De weg naar het Koninkrijk van God bleef verborgen. ‘De hemel is de hemel van de Heer, maar de aarde heeft Hij de aan mensen gegeven’, staat in Psalm 115:16. Zelfs Mozes, de man van God, die zulke geweldige dingen in de hemel gezien had, moest erkennen:

  • ‘De verborgen dingen zijn voor de Heer, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen voor altijd, zodat wij ons op al de woorden van deze (toegevoegde) wetten – op stenen tafels gegrift – richten’ (Deut.29:29).

De besten onder Gods volk verlangden naar een hemels vaderland, maar alleen uit de verte hebben zij dit gezien en begroet (Hebr.11:13). Zij bleven dus geestelijk in ballingschap.

De strijd tegen afgoderij

De natuurlijke mens die van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad at, dreigde door demonen verleid en overweldigd te worden. Daarom verbood de Heer elke vorm van afgoderij. Ook reserveerde Hij voor de rechtvaardige Abraham, die een ervaring van het goede had, een stukje grond:

  • ‘Zodat hij zijn zonen en zijn verdere nakomelingen moet voorhouden de weg te volgen die ik wijs, door rechtvaardig en goed te handelen. Alleen dan zal ik waar maken wat ik Abraham heb beloofd’ (Gen.18:19).

In Abrahams tijd ging het echter al fout met een belangrijk deel van het beloofde land. In hetzelfde hoofdstuk lezen we toch dat de zonde van Sodom en Gomorra ‘zeer ernstig’ was, zodat Abrahams erfdeel een prooi werd van de ontbindende geweldgeesten. Deze ‘streek’ was eenmaal ‘als de hof van de Heer’ en ‘vloeide over van melk en honing’.

Natuurlijk zijn er meer van zulke zondige gebieden geweest, maar de Heer wilde niet dat het erfdeel van Abraham zo verschrikkelijk verontreinigd zou worden. Daarom staat er dat God voor Abraham niet ging verbergen dat Hij deze streek zou overgeven of loslaten. Abraham kwam echter in verzet, want het ging om zijn erfdeel. Hij wilde niet dat dit gebied een woestenij zou worden. Hij pleitte op de aanwezigheid van rechtvaardigen, zoals bijvoorbeeld het volk van Abimélech in Gerar, dat niet gedood werd en Melchizédek in Jeruzalem (Gen.20:4; 14:18). Zij toonden dat het werk van de wet in hun harten was geschreven (Rom.2:14). Voor de rechtvaardige Lot reserveerde de Heer het plaatsje Zoar, zoals Hij eenmaal de rechtvaardige Noach in de ark redde.

Omdat uiteindelijk bij het volk van God, toch de ingeschapen kennis van het goede verdwenen was, schonk God het de wet op stenen tafels. Israël werd echter ‘een ontrouwe volk met schuld beladen, een volk van zondaars, een verdorven geslacht’ (Jes.1:4). Het kwaad werd overheersend en de geschiedenis herhaalde zich: het volk werd in ballingschap gevoerd en het beloofde land ingelijfd door de wereldmachten, die als grote dierlijke monsters uit de wereldzeeën opstegen.

De gemeente, de hof van Eden

God laat nooit zijn plan met de mens los. In de volheid van de tijd zond Hij zijn Zoon, die het evangelie of de blijde boodschap van het Koninkrijk van de hemelen bracht. Door zijn lijden en sterven kwam de zegen van Abraham – de gerechtigheid – tot ons in Jezus Christus en ontvingen wij door geloof, Gods Geest (Gal.3:14). Door zijn spreken werd onze Heer de weg tot de Levensboom en daardoor fungeerde Hij, ‘het vleesgeworden Woord’, als deze boom. Petrus had dit opgemerkt en zei: ‘U hebt woorden van eeuwig leven’. De mogelijkheid om zich op de juiste wijze weer geestelijk te ontwikkelen was gekomen. Jezus dankte de Vader omdat deze Hem volmacht had gegeven om alle wat Hem toebehoorde, eeuwig leven te schenken.

God plantte opnieuw een hof van Eden op aarde, namelijk de gemeente die door Jezus Christus wordt gebouwd. In het midden van deze hof staat Hijzelf als Levensboom centraal. Zijn bladeren zijn het medicijn tot genezing van de volken. Wie van zijn vrucht eet, hoort de stem van God door de woorden die Hij sprak en die zijn Geest doorgeeft of in herinnering brengt bij zijn volgelingen. Hij is ook de doper met Gods Geest, waardoor zijn volk de onderscheiding van geesten ontvangt. Daarom volgen de schapen Hem en de stem van de vreemde volgen zij niet.

In de tegenwoordige hof – de gemeente – staat ook de boom van kennis van goed en van kwaad. Zo schreef Paulus aan de Corinthiërs:

  • ‘Jullie zijn nog vleselijk, ik kan mijn woorden aan jullie niet kwijt. Jullie eten onvoldoende van de Levensboom. Ik kan nog niet goed tot jullie spreken over hemelse zaken, over het hogere, over het Koninkrijk van de hemelen, hoewel de geestelijke gaven onder jullie werken’.

Hij vreesde zelfs dat misschien – zoals de slang met haar sluwheid Eva verleidde – hun gedachten van de eenvoudige en loutere toewijding aan Christus waren afgetrokken. Ze werden misleid door andere evangeliën met een andere Jezussen, die verbonden waren met het wettisisme en legalisme van het oude verbondsvolk (2 Cor.11:1-6).

Jezus was echter niet gekomen om het oude te restaureren en een natuurlijk volk van God te leiden, maar Hij zei tot Petrus na diens geloofsbelijdenis over de Christus: ‘Op deze rots zal Ik mijn gemeente bouwen’. Hij wilde allen uit Jood én heiden om de boom van het Leven verzamelen, om allen over te plaatsen in zijn Koninkrijk. Wie alleen leeft door de woorden van Jezus Christus, de Levensboom, zal merken dat hij zich geestelijk ontwikkelt en een mens van God wordt, die volmaakt is en tot alle goed werk volmaakt is toegerust (2 Tim.3:17).

Hij bedenkt dan de dingen die boven zijn en niet die op de aarde zijn en daarom laat hij zich ook niet in met een ander evangelie, dat zich bezighoudt met een natuurlijk volk en zijn herstel in een z.g. ‘beloofd land’ op aarde.

Er is maar één weg. Wanneer het Woord van God overwonnen heeft en allen van de Levensboom eten, zal de aarde in haar geheel hersteld worden vanuit de hof van Eden. Het is immers voor de Heer te gering dat slechts dit kleine gebied in het Midden-Oosten het centrum van het herstel zal worden. Jezus sprak tot de Samaritaanse:

  • ‘Er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden …Maar er komt een tijd – en die tijd is nu gekomen – dat wie de Vader echt aanbidt, hem aanbidt in geest en in waarheid’ (Joh.4:21-23).

De boom van kennis van goed en kwaad

De geschiedenis van de kerk leert dat men – net als Eva – de boom van kennis van goed en kwaad ging aanbidden. Eeuwenlang leert men dat het kwade bij het wezen van de mens hoort net als dit het geval is bij de duivel. Zelfs belijdt men, uitgaande van oudtestamentische inzichten, dat het kwade ook van de Vader van de Lichten komt. Op deze manier zou de mens aan God gelijk zijn. Ook reppen alle belijdenisgeschriften van de kerk nergens van een overgeplaatst worden naar de hemelse hof van Eden. Gods optimistische visie op de mens die Hij zeer goed geschapen had, werd volkomen vervangen door het pessimistische geloof dat het de christen nooit lukt om zonder zonde te leven, hoewel de Heer in vol vertrouwen zei: ‘Jullie dan zullen volmaakt zijn, zoals de hemelse Vader volmaakt is!’.

Het onderwijs van Jezus betreft alleen het goede. Wij hoeven daarom de diepten van de Satan niet te onderzoeken. Ook stellen wij ons niet voortdurend op de hoogte van al het kwaad dat tot ons komt tijdens het lezen van bepaalde dagbladen en boeken, het zien van films en Tv., waar men zich vooral bezighoudt met de werken van de duisternis. Jezus wil dat zijn hof wordt bewaakt en beschermd door hen, die Hij hiervoor aanstelt, die altijd het goede zoeken en van wie ook gezegd kan worden dat zij ‘altijd het goede doen’. Ook zullen wij niet experimenteren met allerlei occulte zaken en paranormale verschijnsels, die tegenwoordig ook onder naamchristenen zoveel aandacht opeisen. Het goede dat ons uit de Woorden van God geschonken wordt, is voldoende om het doel te bereiken en eeuwig te leven.

In de gemeente zijn ook gereserveerde plaatsen. De Hovenier plaatst aan de rand van de border kleine, keurige plantjes. Hij reserveert ook een plek voor struiken en voor bomen, die groter aanzien hebben, maar wel de wind moeten opvangen. Ieder lid in de gemeente hoort deze voor hem of haar toegewezen plaats te kennen. Vanaf het begin is het helaas zo, dat ook vele hoge bomen in contact staan met en beïnvloed worden door boze geesten. De vruchten die zij voortbrengen, zijn dwalingen, wetteloosheid en zij verleiden en misleiden zwakke leden. Paulus voorspelde al dat uit het ‘midden’ van de gemeente mannen zouden opstaan, die verkeerde dingen zouden spreken om de leerlingen achter zich te trekken.

Aan het eind van ons tijdperk zullen wij zien dat de gemeente haar plaats in de hemelse hof geheel inneemt. De belofte is immers: ‘Wie overwint, zal ik laten eten van de Levensboom die in Gods paradijs staat’ (Openb.2:7). Een verbasterd christendom zal zich steeds meer groeperen om de bomen van kennis van goed en kwaad, waarbij het kwade zal overwinnen. Nadat het zuiveringsproces voltooid is, zal zij zich verzameld hebben om de allergrootste boom van kennis van goed en kwaad, de antichrist. Zijn kennis van het goede is die van de duivel, dus slechts uit herinnering. Zijn wijsheid om haar toe te passen is ook verloren gegaan. Hij is de mens van de zonde, die een kerk sticht, die bij de slag van Armageddon het doel van Satan probeert te bereiken: de gemeente van Jezus Christus te verslaan en de gereserveerde plaats naast God te bezetten.

Het Woord van God zal echter vonnis vellen en oorlog voeren in gerechtigheid. De antichrist die van elders inklimmen wil (Joh.10:10), wordt dan samen met het inspirerend beest uit de afgrond in zich, geworpen in de gereserveerde plaats die voor de duivel en zijn engelen bereid is, dat is de vuurpoel. Christus en zijn gemeente zullen dan voor eeuwig en altijd regeren vanaf de troon over al de werken van Gods handen.