Gehoorzaamheid van Jezus

  • ‘De Zoon kan niets uit zichzelf doen, Hij kan alleen doen wat hij de Vader ziet doen; en wat de Vader doet, dat doet de Zoon op dezelfde manier. Ik kan niets doen uit mijzelf: Ik oordeel naar wat Ik hoor’ (Joh.5:19 en 30)

De Bijbel laat geen enkele twijfel bestaan over de bereidheid van Jezus om de hemelse Vader in alle dingen gehoorzaam te zijn. De Heer Zelf getuigde hiervan. Voor een juist begrip van zijn gehoorzaamheid aan de Vader is het nodig om zijn toespraak als één geheel te zien. In dit getuigenis van zichzelf zegt Jezus namelijk ook: ’Want zoals de Vader doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil’ (Joh.5:21).

We zien dus dat in het leven van Jezus het handelen naar eigen keus en inzicht niet wordt uitgeschakeld vanwege zijn volkomen overgave aan de wil van de Vader. Hoewel de Heer toegaf niets uit zichzelf te kunnen doen, betekende het niet dat Hij een willoos werktuig in de hand van de Vader geworden zou zijn. Zijn onderdanigheid had niets te maken met het domweg uitvoeren van opdrachten, die in alle kleine onderdelen door de Vader waren vastgelegd. Integendeel, persoonlijke beslissingen en eigen keuze maakten heel duidelijk deel uit van Jezus’ gehoorzaamheid. De Heer zei verder:

  • ‘De Vader zelf velt over niemand een oordeel, maar Hij heeft het oordeel geheel aan de Zoon toevertrouwd’ (Joh.5:22).
  • ‘En omdat Hij – Jezus – de Mensenzoon is, heeft Hij – de Vader – Hem ook gezag gegeven om het oordeel te vellen’ (Joh.5:27).

In het wonder van de opstanding zien we dat zowel de Vader als de Zoon de doden opwekt en doet leven. De beoordeling van de mensheid wordt echter in zijn geheel aan de Zoon gedelegeerd. Dankzij zijn vleeswording kan Jezus een onfeilbaar oordeel over de mens uitspreken: Hij, die gezonden werd in een vlees aan dat van de zonde gelijk, werd door de Vader verantwoordelijk gesteld voor het veroordelen van de zonde in het vlees (Rom. 8:3).

Wanneer God ook van ons vraagt dat wij Hem gehoorzamen, wil dat niet zeggen dat Hij ons eigen verstand en onze inzichten negeert. De Heer verbiedt ons niet om een oordeel te vellen over dingen die binnen ons bereik liggen. Daarom kon Jezus ook tot de Joden zeggen: ‘Waarom ook oordeelt u niet uit uzelf wat recht is’ (Luc.12:57). Het beoordelen van mensen en situaties hoort tot onze mogelijkheden omdat we ook zelf mensen zijn die soortgelijke situaties uit ervaring kennen. Er zijn dus zaken die de Vader aan zijn kinderen overlaat, zonder daarbij tekort te doen aan hun gehoorzaamheid aan Hem.

Hoewel Jezus in volkomen overgave aan de Vader wandelde, was er in zijn leven toch ruimte voor persoonlijk inzicht en eigen keus. Zowel tijdens zijn sterven aan het kruis en de opstanding van de doden, als in de macht om gericht te houden, verleende de Vader Hem grote vrijheid van handelen. Wie oog heeft voor de kleurrijke veelzijdigheid van zijn bediening, zal in Hem onmogelijk een dienaar kunnen zien die als een soort computer door de Vader in alle details was geprogrammeerd. Integendeel, Jezus zelf nam verantwoording voor vele beslissingen. Maar altijd zorgde Hij ervoor dat Hij daarmee bleef binnen het doel waarvoor de Vader Hem had gezonden.

Jezus handelde altijd in volkomen gehoorzaamheid aan de roeping die de Vader Hem had geschonken. Alles wat Hij zei en deed bleef binnen de beperkingen van het speciale doel van zijn komst op aarde. Aan het eind van zijn leven kon Hij tot de Vader zeggen:

  • ‘Ik heb u verheerlijkt op de aarde door het werk te uit te voeren, dat U Mij te doen gegeven hebt’ (Johannes 17:4).

Zijn gehoorzaamheid hield verband met het voltooien van zijn opdracht, met het volbrengen van zijn taak. Hij beantwoordde met zijn leven volkomen aan het goddelijke doel. Het grote bewijs van zijn overgave is wel dat Hij niets deed uit eigen belang of tot eigen eer: ‘Eer van mensen hoef Ik niet’ (Joh. 5:41). Dit was zijn getuigenis. Jezus noemde niets zijn ‘eigen werk’. Hij deed niets in ‘eigen naam’, maar in de naam van de Vader (43). Hij was geen ‘Streber’, geen ambitieus bouwer van een eigen koninkrijk.

Veel kerkmensen zijn juist op dit punt ongehoorzaam. Vaak is men eigenlijk bij het bouwen aan de gemeente bezig met het oprichten van een eigen koninkrijkje. Wél probeert men zich daarbij angstvallig aan allerlei Bijbelse normen te houden en probeert men gemeenten op te bouwen waar allerlei kleinigheden op de letter nageleefd moeten worden. Maar in wezen mist men het goddelijke doel volkomen – de oprichting van zijn Koninkrijk. De gehoorzaamheid waar men zo trots op is, heeft dan alleen betrekking op de manier waarop men het werk doet, terwijl men niet door heeft dat men eigenlijk buiten het hele plan van de Heer staat. Juist wat betreft ‘de wijze waarop’ geeft de hemelse Vader veel vrijheid van keus aan de hand van persoonlijk inzicht.

Het eeuwige voornemen van hem die alles werkt naar de raad van zijn wil is het Koninkrijk van God. Wie aan de Vader gehoorzaam wil zijn, zal zich onder dat eeuwige voornemen moeten schikken. Hij zal zijn persoonlijke belangen moeten laten schieten, om alleen dat te doen wat hij van de Vader hoort en ziet: het uitvoeren van zijn plan!