2. De ontwikkelingsfasen in de gemeente

<<<<<

Het vat is dus een voorbeeld om aan te tonen, dat de vorm ervan de meest bepaalde factor is, zoals onze vorm – uitgedrukt in het begrip ‘ziel’ – beslissend is voor ons doen en laten. Ieder oprecht kind van God verlangt naar het geluk van zijn ziel en God wil ons de vorm geven die Hij aan ieder van ons heeft toebedacht. Het grondpatroon is bij allen gelijk. We zullen allen aan het beeld van Gods Zoon gelijk zijn. Wanneer we geheel ‘in vorm’ zijn, hebben we de gestalte en de persoonlijkheid zoals deze door God bedoeld is. Het is niet eenvoudig om dit te bereiken. Een goede plaatselijke gemeente is hierbij onmisbaar.

Voor een belangrijk deel ontleent de mens zijn karaktervorm aan zijn milieu, waarmee hij vanaf het prille begin in contact heeft gestaan. Allerlei opgelopen misvormingen hebben voor een volledig herstel een goddelijk huisgezin nodig. Juist in het gemeenschapsleven komt onze zielsgesteldheid het duidelijkste naar voren. God wil van ons gemeenschapsmensen maken, die zijn afgestemd op het leven met elkaar en bovenal op het leven in gemeenschap met Hemzelf.

Zoals we onze vorming voor een groot deel te danken hebben aan onze aardse opvoeders, zo ontvangen we in het huisgezin van God een heropvoeding, een hervorming van Jezus Christus, het Hoofd van zijn Gemeente. Hoe meer de opvoeding die wij van onze ouders ontvingen, in overeenstemming is geweest met de wil van God, hoe minder ingrijpend onze hervorming hoeft te zijn. Deze hervorming is een doorgaand proces, waarbij verschillende personen betrokken zijn. De groei die wij in geestelijk opzicht doormaken, kan net als bij de natuurlijke ontwikkeling van de mens, in zekere zin als een bepaald fasenverloop worden geschetst. Iedere fase toont dan iets kenmerkends van de ontwikkelingsgang die de gelovige beleeft.

Allereerst zijn er de pasbekeerden in de gemeente, die net als baby’s hoofdzakelijk aandacht hebben voor eten en drinken en dat is normaal. Zij zijn vooral gericht op zichzelf. Zij zijn in de gemeente om te ontvangen: eten, drinken, heel veel liefde en begrip. Tijdens deze periode is het lichamelijke aspect erg belangrijk. Als versterking van het prille geloof wordt de christen aan het begin van de geloofsweg vaak gezegend met allerlei zichtbare en tastbare ervaringen. In deze tijd wordt het kind van God geworteld in het geloof. Verreweg de meeste genezingswonderen gebeuren in deze eerste fase, als bemoediging om verder te gaan op de geloofsweg. Zulke heerlijke goddelijke uitreddingen vormen later, wanneer de ‘goede strijd van het geloof’ gestreden moet worden, een krachtige stimulans om dóór te gaan.

Juist in die eerste periode speelt de ervaring een grote rol. Het fundament wordt immers gelegd; bekering, doop in water, doop met Gods Geest, oplegging van handen zijn zichtbare bewijzen van Gods genade, die wij in gehoorzaamheid zullen accepteren. De doop met Gods Geest is voor velen een geweldige ervaring geweest. Toch moeten we niet bij deze ervaring blijven stilstaan; we willen verder gaan en ons verder laten opvoeden, ons richten op het volkomene (Hebr.6:1).

Verdere opbouw

De volgende fase is bijzonder belangrijk en kan alleen met vrucht worden doorlopen, wanneer de eerste periode tot haar volle recht is gekomen. Het is onmogelijk gebouwd te worden, wanneer men zijn geloofswortels niet diep heeft zitten. Dan zal men niet kunnen standhouden en bij windvlagen al gauw omvallen. In deze tweede periode zal het kind van God verder geleid worden door de Woorden en de Geest van God en zal het, naast het lichamelijke aspect, vooral gaan om het psychische, het innerlijke leven. Niet langer prevaleert de eigen behoefte, maar de ander in de gemeente komt centraal te staan en men zoekt het contact met elkaar. De gemeenschapsbehoefte concentreert zich niet langer op zichzelf, maar wordt gekarakteriseerd door ‘geven en nemen’. De in de eerste periode in ruime mate ontvangen liefde, wordt nu in praktijk gebracht ten behoeve van anderen. Deze fase is een vormingstijd, waarin de psyche, onze ziel (de ‘vorm’) min of meer centraal staat. Juist in deze tijd speelt de vermaning, de correctie en de training een grote rol.

Accepteren we die? Willen we echt volledig leerlingen van de Heer worden? De Heer wil dat we ons als levende stenen laten gebruiken en dat we ons daartoe in ons leven laten bijschaven.

Velen blijven jammer genoeg in de eerste fase steken; ze blijven als het ware aan de eerste ervaringen hangen. Hun gemeenschapsbeleving blijft gefixeerd in een houding van persoonlijk, individueel gericht denken. Vaak is dit het gevolg van de boodschap die genoegen neemt met een deel van het Woord van God, bijvoorbeeld alléén de bekering van dode werken. De redding, verlossing en genezing worden dan doel, in plaats van middel tot het doel, namelijk de volkomenheid van geest, ziel en lichaam. De begonnen groei stagneert, men gaat niet meer vooruit. De gemeenschapsbehoefte wordt dan niet omgezet in een zelf actief deelnemen aan de gemeenschap van de heiligen. Persoonlijke gevoelservaringen staan vaak hierbij in de weg, omdat allerlei contactstoringen tot nu toe niet werden gezien en genezen.

De weg omhoog

Heel ons innerlijk leven komt in deze periode tot harmonie, stabiliseert zich. We zijn minder gauw afgeleid en gaan duidelijker de grote lijnen zien. Gods Geest krijgt meer ruimte in ons bestaan en leert ons te leven in het centrum van Gods wil, zodat lichaam, ziel en geest zich kunnen ontplooien zoals God het bedoeld heeft.

  • ‘Vermijd elk kwaad, in welke vorm het zich ook voordoet. Mag de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus’ (1 Thess.5:22,23).

Wanneer het gaat om het herstel van de geschonden mens, is er ook sprake van zelfwerkzaamheid. Het niet-doen speelt hierbij een belangrijke rol; we moeten ons onthouden van iedere vorm van kwaad, of zoals een andere vertaling het uitdrukt, van iedere vorm van kwaad. We zullen zelfs de kwade schijn moeten vermijden, anders lopen we onszelf in de weg en bedroeven we de Geest van God die in ons woont en werkt. De Geest van God, die betrokken was bij de schepping van hemel en aarde, is ook betrokken bij de herschepping in ons.

Herstel

We merkten al op, dat God de mens van binnenuit herstelt. Dit herstel verloopt volgens bepaalde geestelijke wetten en gaat als het ware vanzelf; we hoeven niet te sturen, maar dienen ons slechts te laten leiden dóór en vol te blijven mét de Geest van God en ons te houden aan de waarheid, zoals God deze openbaart in Jezus Christus. Wanneer wij vol zijn van Gods Geest, zijn wij krachtig in Hem en willen we ons geheel aan Hem toewijden, niet alleen op een blij moment, maar altijd. Daarom zullen we volharden in de gemeenschap met Hem en met zijn volk. In de plaatselijke gemeente zullen we duidelijk gaan ondervinden hoe de Geest van God ons van dag tot dag vernieuwt.

In de tweede fase ligt het accent dus vooral op de vorming, op ons zielenleven dat in evenwicht gebracht wordt, op geloofsmentaliteit die het gevolg is van een goede karaktervorming. God zoekt nu eenmaal mensen met karakter, mensen die hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad. In dit tweede stadium valt het accent op ons zielenleven. Het goed doorlopen van dit stadium is pas mogelijk, wanneer we de eerste fase goed doorlopen hebben, waarin het hele (!) fundament gelegd is waar ons geestelijk huis verder op gebouwd zal moeten worden.

Ook de derde fase kan alleen zinvol doorlopen worden, wanneer we niet halverwege in het tweede deel van onze ontwikkeling blijven steken. Heel de ontwikkeling van de natuurlijke en de geestelijke mens gebeurt volgens goddelijke wetten. Wie deze wetten aanvaardt en ernaar leeft, is wijs en komt verder in het Koninkrijk van de hemelen. God wil dat we een afdruk vormen van de heerlijkheid van God en dat we zijn koningschap vertegenwoordigen in zijn kracht. Gods beloften, die we vaak beleden hebben, worden werkelijkheid, wanneer wij geheel door Hem geheiligd zijn. We gaan de overwinningskracht van Christus zelf ondervinden. Meer en meer worden we ons bewust, dat we horen bij dat koninklijke priesterschap, bij die heilige natie, waarover de apostel Petrus schrijft (1 Petr.1:11,12). We beleven overwinning op overwinning, thuis, in ons werk en in de gemeente. We leren vooral in deze tijd onze begeerten te richten op Jezus. We leren gehoorzaamheid door lijden heen, net als onze oudste Broer, Jezus Christus, die heeft moeten leren (Hebr.5:8).

In deze periode worden we jongeren, over wie de apostel Johannes in zijn brieven schrijft, die de waarheid liefhebben en de vijand overwonnen hebben. We gaan ervaren wat het betekent, niet meer te hoeven struikelen over dingen waar we voorheen vaak over vielen. Steeds meer gaan we begrijpen wat God nu eigenlijk van ons wil en we ontdekken met intense vreugde dat ons perspectief wijder en wijder wordt. We worden waakzaam, nuchter, standvastig in het geloof en krijgen een groeiend zelfvertrouwen, dat wil zeggen: geloof in Hem die onszelf steeds meer beheerst. Zo wordt onze inwendige mens van dag tot dag vernieuwd, komen wij in evenwicht en zijn we minder kwetsbaar. En dit alles vindt plaats binnen Zijn gemeente, waarin we ons mogen openstellen voor het goede Woord van God en ons laten leren.

Juist in deze tijd komen we ‘in vorm’; allerlei misvormingen in ons psychische leven, die wij vanaf onze geboorte hebben opgelopen, worden weggenomen, genezen, veranderd door Gods Geest, terwijl we slechts hoeven mee te werken, door ons aan de waarheid te houden en ons te onthouden van elke vorm van kwaad. We zullen ‘nee’ zeggen tegen de tegenstander. Wat een heerlijkheid toch biedt het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen:

  • Mensen worden omgevormd tot bruikbare leerlingen,
  • scheefgegroeide tot rechtgeaarde mensen,
  • depressieve mensen tot blijmoedigen,
  • nerveuzen tot rustige, kalme mensen;
  • driftige mensen worden zachtmoedig,
  • fanatici worden liefdevol,
  • egoïsten worden gemeenschapsmensen bij uitnemendheid!

Waar eerst nog ons gevoel leidinggevend was, neemt nu Gods Geest steeds meer de touwtjes in handen.

Toch is heel deze vorming geen einddoel. Wanneer we niet blijven steken in dit deel van onze ontwikkeling, mogen we verder gaan en zal de Geest van God ons steeds verder omhoog voeren. Waarheen? Naar de kennis van God, naar de kennis van Hem die vanaf het begin is (1 Joh.2:13-14). Het Woord van God, dat al van begin af aan onze geloofsontwikkeling bepaalde, wordt vlees in ons; wij mogen één worden met het wezen van God. Mochten we eerst met blijdschap de gaven en de vruchten van Gods Geest in ons leven bespeuren, in dit derde stadium gaan we de Gever van dit alles beter leren kennen. Door Gods Geest, die zelfs de diepten van God doorzoekt, worden we meer en meer doortrokken van het wezen van de Vader. Christus wordt vlees in ons: we zullen Zijn gestalte dragen, willen we de kracht van het Koninkrijk in al zijn volheid aan de wereld openbaren, zoals Hijzelf dat op aarde deed. De kennis van God, die eerst nog voor een groot deel in ons hoofd zat, zal ons hele wezen doortrekken doordat het woord in ons tot ontwikkeling komt en het werk gaat doen dat God bevalt. Ons inzicht zal dan niet meer op zichzelf staan, maar gepaard gaan met wijsheid en echte goddelijke bewogenheid.

Gericht op Gods Geest

In de derde fase speelt dus niet het lichamelijke aspect, zoals de ervaring, de belangrijkste rol en is het ook niet onze ziel, ons beleven, ons gevoelsleven, dat tot harmonie gebracht wordt, maar is het de geest van de mens die zich meer en meer gaat richten op God. Onze geest wordt dan steeds meer één met Gods Geest, waardoor ons denken het creatieve en positieve denken van God wordt en ons geloof wordt het geloof van Jezus Christus. Allerlei innerlijke strijd, die het gevolg was van een nog onvolkomen mentale onderbouw, vermindert en maakt plaats voor innerlijke gedisciplineerdheid en evenwicht. De opgedane kennis zal verdiept worden, zodat we de Persoon achter de woorden van God duidelijk gaan begrijpen: God Zelf.

We gaan ons met Hem vereenzelvigen, identificeren. We worden zonen van Hem en leggen evenveel liefde voor de Schepper en zijn schepsels aan de dag als Zijn eerstgeboren Zoon, Jezus Christus. Hem kennen betekent dan in een doorlopend nauw contact met God samenwerken in zijn grote herscheppingsplan. De waarheidsliefde zal in ons oppermachtig worden; geen vijand kan voor ons standhouden, want de liefde van God die in ons woont, overwint het kwade. Wijsheid en kennis, gepaard aan sterk Godsvertrouwen en innige liefde voor Hem en zijn schepping, zullen ons zeer machtig maken. ‘Op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden’ is daar slechts een teken van.

Wanneer de Geest van God in ons leven de leidende functie heeft gekregen, kan van ons gezegd worden, zoals dit van Jezus gold, dat wij een levendmakende Geest zijn geworden (1 Cor.15:45). De Geest van God werkt dan actief naar buiten uit; we zijn dan zonen van God, die beantwoorden aan onze bestemming. De Bijbel noemt de mens vaak naar zijn belangrijkste intentie. Zo noemt de Bijbel een rechtvaardig en goed christen, die God wil dienen volgens zijn natuurlijke wetten, een levende ziel, een mens bij wie het godsdienstige niet verder gaat dan het innerlijke beleven. De mens die alleen maar vleselijk leeft en zich uitsluitend laat leiden door zijn natuurlijke begeerten, wordt aangeduid met vlees (Gen.6:3). Natuurlijk blijft het belangrijkste kenmerk van de mens: de ziel; daarom neemt de vorming van elk kind van God zo’n belangrijke plaats in, zo zelfs dat er een gemeente aan te pas moet komen.

Wanneer we hier wat kunstmatig een indeling gaven van de ontwikkeling, die zich voordoet in het leven van elk kind van God, dat de hoge weg wil bewandelen, dan was dit slechts om de aspecten geest, ziel en lichaam in dat gehele verloop wat duidelijker te belichten. Een duidelijke scheiding is nooit aan te geven; ook in de eerste en laatste fase is sprake van vorming, terwijl het richten van het geloof, ons denken, op God de Vader, nauw samenhangt met het richten van onze begeerten. Geloven en begeren hangen ten nauwste samen en heel deze ontwikkeling loopt uit op het ontvangen van de goddelijke natuur. Maar ook dan geldt het woord: ‘Vermijd elke vorm van kwaad’.

We zullen waakzaam en nuchter moeten zijn en – net als Jezus Christus – zachtmoedigheid, nederigheid en géén eigenbelang uitstralen. De Heer wil dat we ernaar streven dit doel te bereiken. Tijd voor de Heer door gebed en persoonlijke Bijbelstudie nemen hierbij een belangrijke plaats in. De hele schepping wacht op het openbaar worden van de zonen van God en niet alleen de schepping, ook de Schepper wacht. Hij wil door ons spreken en handelen, ja, zijn volle majesteit en kracht in ons openbaren.

Zielzorg in de gemeente

Wanneer we er van uitgaan, dat de ziel van de mens, zijn ‘vorm’, zijn karakter, zoals we het noemden, een kenmerk is van zijn persoonlijkheid, die hem van alle andere schepsels doet verschillen en het einddoel van het geloof als ‘de zaligheid van de zielen’ aangeduid kan worden, dan is het woord ‘zielzorg’ nog zo vreemd niet en zal het ook in de gemeente moeten gaan om de hele mens. Een goed advies voor de gemeente is: ‘Laat ons mensen maken’, met het accent op máken, herstellen. God betrekt immers zijn gemeente in het hérscheppingsproces. In de gemeente van Jezus worden mensen die onbruikbaar, onbestuurbaar zijn, weer bruikbaar en handelbaar, bestuurbaar gemaakt door Gods Geest.

De zielzorger wordt in de gemeente geconfronteerd met kinderen van God uit alle drie ontwikkelingsstadia. Als een goede vader zal hij nauwlettend toezien dat de pasbekeerde goed voedsel krijgt, eerst melk en daarna gaandeweg vaster voedsel. Hij zal de tegenstander buiten het territorium van de gemeente helpen houden, zodat de groei niet wordt belemmerd en het groeiklimaat optimaal is. Met vreugde zal de zielzorger deze groei van de kinderen in dit ‘huisgezin’ constateren en geleidelijk aan zal hij meer verantwoordelijkheid geven. Er zal voor gewaakt moeten worden, dat de geestelijke taak voor het kind niet te groot is, ter voorkoming van óvergeestelijkheid, wat geestelijkheid is met onvoldoende mentale onderbouw, dus met onvoldoende vorming. In het vormingsproces spelen de vermaning, de correctie, het gesprek onder vier ogen, de contactavonden en de goede orde in de gemeente een belangrijke rol.

Net als in een goed huisgezin, gaat het bij het huisgezin van God om het volwassen worden van haar leden, die op zeker ogenblik in staat zullen zijn om op eigen benen te staan, in volledige afhankelijkheid van God, functionerend in zijn gemeente, vol van liefde voor al Gods schepsels. Zulke leerlingen zullen bruikbare werktuigen zijn in Gods hand.

Kennen wij werkelijk de Schepper? Herkennen wij Hem in onze dagelijkse levenswandel? Wandelt u met God? Door middel van zijn gemeente zal God zijn veelkleurige wijsheid tonen aan allen die met ons in aanraking komen; ook uw omgeving zal dit merken. De gemeente van Jezus Christus zal bestaan uit leden die niet alleen geestelijk één zijn, maar ook één van zin, van ziel zijn, zodat zij één lichaam vormen: het lichaam van Christus, gaaf en onberispelijk!

>>>>>