Geest, ziel en lichaam

  • ‘Bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn’ (Rom.8:29).

Eén geheel

Gods grootheid openbaart zich in heel zijn schepping bijzonder duidelijk door de schepping van de mens. De mens is de kroon op Gods scheppingswerk, hij is beelddrager van de Allerhoogste. De mens is het enige schepsel dat vertrouwelijk kan omgaan met God. De Bijbel spreekt in dit verband van ‘wandelen met God’. God zelf is een beweeglijk en dynamisch God; wie de Heer kent, is daarom in beweging, is bezig. Jezus zei: ‘Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook’ (Joh.5:17). Van Noach staat geschreven dat hij wandelde met God; hij was een rechtvaardig en onberispelijk man. Noach’s verlangen was het dienen van God. Hoewel hij leefde te midden van een ontaard geslacht, onthield hij zich van het kwaad en diende hij de Heer.

De beweeglijkheid die nodig is om gehoor te geven aan Jezus’ oproep: ‘Volg Mij’, is nu juist iets typisch menselijks. De geestelijke dynamiek is een kenmerk van hen die ontwaakt zijn, die deel hebben gekregen aan het ware leven. Een opnieuw geboren christen, die met Gods Geest vervuld is, bezit beweging, kracht, dynamiek. De ogen van de mens vormen in dit opzicht een aardige illustratie. In een toestand van slaap zijn zij vrijwel bewegingloos. Wanneer het oog echter functioneert, is het onophoudelijk in beweging; naast de zichtbare bewegingen die het oog maakt, zijn er nauwelijks opvallende bewegingen en talrijke oogtrillingen. Al deze bewegingen samen hebben we nodig om te zien, om een duidelijk beeld te ontvangen op ons netvlies. Wanneer we onze blik ergens op gefixeerd houden en onze ogen geen duidelijke beweging toestaan, zien we al snel niets meer, het object vervaagt geheel.

Zo gaat het ook in het geestelijk leven: onze geestelijke ogen moeten altijd actief en flexibel zijn. Wanneer we onze geestelijke aandacht gaan fixeren op bepaalde zaken, ideeën of visies, kunnen we ons blind staren en geestelijk blind worden voor de beweeglijkheid van het Koninkrijk van God dat steeds nieuwe, oorspronkelijke dingen openbaart.

De eenheid van ziel, geest en lichaam

Wanneer geest, ziel en lichaam ter sprake komen, wordt vaak de indruk gewekt alsof deze drie facetten van ons wezen onafhankelijk van elkaar bestaan. Niets is minder waar. Het geestelijke in de mens kan pas naar voren komen als er een gezonde geest in een gezond lichaam is. Deze horen bij elkaar. Een mens zonder lichaam is ondenkbaar; zo is het absurd te denken aan een persoonlijkheid zonder ziel, maar alleen met een geest en lichaam; ook een geestloze mens is een onmogelijkheid.

Toen God de mens schiep en hem de levensadem inblies, werd de mens tot een geheel ander wezen dan alle daarvoor geschapen creaturen. De mens werd een geestelijk wezen, een schepsel dat kan omgaan met God, die enkel geest is. Dit geestelijke nu maakt de mens zo dynamisch, zo flexibel, opvoedbaar. Het gedrag van een dier, dat naast zijn lichaam alleen maar een ziel bezit, is vrijwel geheel te verklaren, te voorspellen, gebonden als het is aan de prikkels die het ontvangt uit zijn lichaam of uit zijn directe omgeving. Het gedrag van de mens daarentegen is bepaald onvoorspelbaar. Hij is in staat ‘nee’ te zeggen tegen belangrijke aardse zaken en allereerst ‘ja’ zeggen tegen het ene, waarachtige leven, zodat hij God ten volle leert kennen. Een dergelijke levenshouding kan overigens weer voor andere mensen dwaas lijken.

Dat de Bijbel de eenheid van geest, ziel en lichaam respecteert, blijkt wel uit het gebruik van het begrip ziel, als vertaling van het Griekse woord ‘nèfesj’ (Gen.2:7). De mens heeft niet alleen een ziel, maar is een levende ziel (nèfesj). ‘Levende’ heeft hier vooral te maken met de Geest van God die het leven is en dit leven meedeelt aan de mens. Een wonderlijk geheimenis, wat een natuurlijk gericht verstand niet kan begrijpen! Wanneer wij vervuld zijn met Gods Heilige Geest, zullen we in staat zijn iets te begrijpen van dat geweldige, mysterieuze, dat ‘leven’ heet en dat ons het mogelijk maakt gemeenschap te hebben met God. Met het begrip ‘ziel’ wordt hier (in Genesis 2:7) de hele persoon bedoeld; zowel de levensziel, zoals die zich ook in dieren en zelfs in planten voordoet, als ook de ziel als centrum van allerlei gemoedsaandoeningen:

  • ‘Loof de Heer, mijn ziel, en al wat in mij is, zijn Heilige Naam’ (Ps.103:1).

Ziel, geest en lichaam horen actief samen te werken. In deze ‘drievoudige’ eenheid wil God (die geest is) zijn Geest doen wonen, zodat deze daar de leiding kan nemen. Ziel en lichaam zijn zo nauw met elkaar verweven, dat de profeet Jesaja deze begrippen gewoon met elkaar verwisselt en niet spreekt over ziel, maar over het lichamelijke aspect, het vlees: ‘Alle vlees is als gras… het gras verdort, de bloem valt af’ (Jes.40:6,7). Net zo min als de ziel in Gods Woord alleen maar het innerlijke leven weergeeft, maar eerder een bepaalde intentie aanduidt, zo heeft het woord ‘vlees’ evenmin alleen maar betrekking op het lichamelijke. Als God tenslotte de levensadem, de geest, in de neus van de mens blaast, wordt er aan diens ziel en lichaam als het ware een dimensie toegevoegd, worden ziel en lichaam in zekere zin gericht op God.

In het Oude Testament zien wij de mens als een levende ziel, geschapen met een vergankelijk, tijdelijk, stoffelijk lichaam en toch gericht op zijn onvergankelijke, eeuwige God. De afstand tussen God en de mens in het oude verbond is aanzienlijk te noemen. Wanneer in het nieuwe verbond Jezus door zijn offerdood de weg tot de Vader vrijgemaakt heeft, komt de mens weer dichter tot God. En vooral door de vervulling met Gods Heilige Geest zien we voortaan bij kinderen van God het accent vallen op de geest. Op Gods Geest in de mens en op zijn eniggeboren Zoon, Jezus Christus, Gods Woord (Zijn Logos), verwekt door de Geest in het vlees (Matth.1:18,20; Joh 1:1-3). Daarmee wordt dan het zicht op geest ziel en lichaam, verhelderd en vernieuwd.

Veel Griekse filosofen hebben geprobeerd uiteen te rafelen wat nu eigenlijk de ziel is en waar de grens ligt tussen lichaam en ziel en tussen ziel en geest. Juist dit analytisch uitpuzzelen is typerend voor de westerse manier van denken. Juist hierdoor raakt de eenheid van de mens in de mist en wordt deze als het ware uit haar verband getrokken. Het gevolg hiervan is onder andere dat men de ziel van de mens gaat overwaarderen en in haar de verklaringsgrond gaat creëren van al het handelen. De mens wordt dan zoiets als een ‘zich gedragend organisme’, dat in wezen niets verschilt van enig ander zoogdier. Even gevaarlijk echter is een overwaardering van de geest. Los van andere menselijke aspecten, wordt in dat geval heel gemakkelijk de mens zelf vergeten, in zijn totaliteit, met zijn eigen keus en beslissingsmogelijkheid. Het is dan niet meer de mens die zondigt, maar enkel zijn geest die contact heeft met de machten van de duisternis. Hoewel dit laatste waar is, is het toch niet juist, wanneer we de mens als geheel uit het oog verliezen.

Het belang van het lichaam

Wanneer we stellen dat de mens met zijn geest zondigt, hebben we zijn geest min of meer van hemzelf losgemaakt, met alle schadelijke gevolgen van dien. Het is de hele mens die zondigt of die de Heer looft, de mens die als totaliteit handelt. Wanneer wij denken, dan is dat een geestelijke, psychische en lichamelijke aangelegenheid. Allerlei lichamelijke processen kunnen gestimuleerd of afgeremd worden door ons denkvermogen. Wanneer wij bijvoorbeeld rond het middaguur, onze aandacht gaan richten op het eten dat over een half uur klaar zal staan, krijgen we een toenemende eetlust; onze maagsappen gaan harder werken dan normaal. Wanneer we op dat moment met geestelijke dingen bezig zijn, zouden we waarschijnlijk minder trek in eten hebben.

Voor veel filosofen betekent de geest het hogere in de mens en ziet men het lichaam als noodzakelijke, tijdelijke verblijfplaats waar de geest bij het sterven uit verlost wordt. Jezus leert dat de verlossing van de mens in het vlees plaats vindt, ja, dat de Vader zélf voor eeuwig in zijn kinderen wil wonen. Hoe belangrijk ons lichaam is, is wetenschappelijk bewezen. Diverse gedragspsychologen komen tot de conclusie, dat een bepaalde lichamelijke activiteit bepalend is voor de psychische toestand. Zo kunnen tranen het gevolg zijn van huilen, maar ook andersom is mogelijk.

Het is mogelijk het lichamelijk aspect in een totale activiteit voort te zetten. Om blij te kunnen zijn, wacht men eerst op blij makende omstandigheden. Wij leren echter de Heer te loven en te prijzen, ook wanneer wij daarvoor eigenlijk niet in de stemming zijn. Het gevolg is dan dat ons hart blij wordt: wij ontvangen meer inzicht en ons geloof wordt versterkt.

Onze lichamelijkheid is net zo onmisbaar als ons geestelijk-zijn en onze ziel; ze hebben elkaar hard nodig. Goed geestelijk leven is alleen mogelijk met een visie die geen enkel aspect van het menselijk leven geweld aandoet. Goede lichaamsverzorging en verantwoorde leefgewoonten zijn ook belangrijk. Wij moeten ons echter verre houden van het overaccentueren van de waarde van het lichaam, zoals het materialisme dit propageert.

Om het geschrevene over geest, ziel en lichaam te verduidelijken, nemen we als illustratie een vat of kruik. Daarbij kunnen de volgende aspecten onderscheiden worden:

  • stof (materie)
  • vorm (gestalte)
  • de gerichtheid.

Dit zijn de hoofdkenmerken noemen van een vat. Een vat kan alleen maar een vorm hebben als er sprake is van materie, waaruit het vat is opgebouwd, bijvoorbeeld klei. De klei is zichtbaar, omdat zij een zekere vorm bezit. Vorm en stof hebben elkaar nodig; ze vullen elkaar aan. Wat moeilijker gezegd: vorm is de expressie van de stof in de ruimte. Vorm zonder materie is onvoorstelbaar, terwijl wij niet van materie kunnen spreken zonder aan een bepaalde vorm te denken. Zelfs het kleinste stukje klei bezit een vorm waarmee het zich manifesteert. Zo is het nu ook in zekere zin bij de mens. Het begrip ‘stof’ geldt dan als beeld van de lichamelijke verschijning van de mens, terwijl de ziel als ‘vorm’ (gestalte) kan worden aangeduid.

God is onze Formeerder (Jer.10:16). Hij gaf ons een koninklijke gestalte te midden van andere schepselen en niet alleen uiterlijk, maar ook innerlijk. Het is de vorm en niet de stof die ons méns doet zijn. God is het die ons karakter, heel ons innerlijke leven vormt en hervormt. Doordat we ons denken richten op onze Schepper en op Jezus Christus, worden we opnieuw gevormd naar het beeld van God. Als kinderen van God dragen wij zijn kenmerk, zijn ‘vorm’ en daarmee onderscheiden wij ons van alle andere schepselen.

Het vat wordt, door zijn vorm, onderscheiden van andersoortige objecten, terwijl er allerlei vaten zijn, in verschillende vorm en grootte. Bij de mens is dit niet anders, niet één mens is volledig gelijk aan de ander. Ieder mens heeft een unieke persoonlijkheidsvorming doorgemaakt, heeft een eigen karakter, gevoeligheid, temperament en gaven. Bij allen is echter de bouwstof gelijk; bij kinderen van God is bovendien het derde kenmerk, de gerichtheid, hetzelfde. Ieder kind van God is gericht op God, door Jezus Christus. Deze gerichtheid kan een van de hoofdkenmerken van onze geest genoemd worden. Hoewel minder verweven met de vorm en de materie, is deze gerichtheid toch wel bepalend voor ons hele mens-zijn. Zijn we gericht op aardse zaken, dan zijn we vleselijk, of – om in termen van ons voorbeeld te spreken – het vat is dan omgevallen. God wil ons echter oprichten en ons zo in staat stellen zijn volle geluk te ontvangen. Oprichten houdt dus in, het overeind zetten, als ook het gericht worden naar boven.

Wanneer ons karakter ons in de weg staat om Hem volledig te ontvangen, bijvoorbeeld omdat het vat te gesloten is, zal onze Formeerder deze geslotenheid willen veranderen in een heerlijke openheid, zodat Gods Geest het vat gemakkelijker kan vullen. Een andere mogelijkheid is, dat het vat op een voetstuk staat, waardoor de stromen van levend water aan hem voorbijgaan. Dan zullen we wat moeten ‘zakken’, opdat het vat er niet langer boven uitsteekt. Dit is niet altijd gemakkelijk, maar wel noodzakelijk, willen we tenminste als vat niet aan ons doel voorbijschieten en vanwege onze leegte alleen geluid voortbrengen, het geluid van de stroom die aan ons voorbijgaat! Wij willen ondergedompeld worden in de stroom van levend water, Gods Heilige Geest en het Woord van God steeds meer in ons opnemen. Wij zullen ons ook richten op Jezus Christus, ons grote voorbeeld en ons geheel voor Hem openstellen.

Natuurlijk is dit beeld van het vat niet helemaal juist. Een vat is immers passief en wij zijn juist áctief. Maar als een passief, afwachtend mens nog wel zegen kan ontvangen, wat zal dan de actief gerichte christen ervaren! Hij zal een geestelijk mens mogen zijn, die van dag tot dag in zijn binnenste vernieuwd wordt en die dagelijks steeds meer gaat beantwoorden aan zijn doel: gelijkvormig worden aan het beeld van Gods Zoon, Jezus Christus.

Karakter

  • ‘Zodat voor iedereen duidelijk wordt dat u vorderingen maakt’ (1 Tim.4:15b).

Een zeer belangrijk aspect van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen is: ‘Wordt vervuld met Heilige Geest’ (Ef.5:18). Wanneer we werkelijk vol zijn van deze Geest, is er eigenlijk geen plaats meer voor andere dingen dan die van Gods Koninkrijk. Dan zijn we volledig gericht op God zelf, terwijl zijn Geest ons duidelijk maakt wat we moeten doen, hoe we op een bepaald moment zullen handelen en met welke zaken we moeten breken. Vooral dit laatste is een aangelegenheid, waarbij de ziel duidelijk betrokken is; hier wordt de kern van de persoonlijkheid geraakt: het karakter.

Een belangrijk deel van het karakter bestaat uit onze innerlijke drijfveren, de beweegredenen van ons handelen. In dit verband spreekt Gods Woord over ‘gezindheid’. Waarom doen we iets? Willen we in alles God de eer geven? Of willen we ons eigen bestaan uitgangspunt en oriëntatiepunt te laten zijn voor ons leven? In dat geval zijn we ‘vleselijk’, we luisteren eigenlijk alleen naar ons lichaam, ons vlees, dat (letterlijk) van nature gericht is op aardse zaken. Deze aardsgerichtheid is op zichzelf zeker niet zondig. Ieder goed geestelijk mens zal juist op natuurlijk vlak goed functioneren, in zijn werk, in zijn gezin, in zijn huwelijk, in zijn lichaam. Het natuurlijk leven wordt pas vleselijk, wanneer ons vlees en bloed de leidende functie krijgen, wanneer ons leven niet gericht is op de wil van de Schepper en de Herschepper, Jezus Christus. Wanneer dus de aardse genoegens het enige motief vormen voor ons handelen, stellen we ons open voor de overste van deze wereld, de satan. Deze wil juist langs de weg van de natuurlijke begeerte ons leven gaan beheersen.

Vleselijk leven heeft de dood tot gevolg (Rom.8:13). Geestelijke gerichtheid op de God van de vrede daarentegen geeft de juiste richting aan ons leven en doet ons leven als rechtvaardigen. Geestelijke gerichtheid kan zich pas werkelijk gaan ontplooien, wanneer de mens volwassen begint te worden. Bij het zeer jonge kind is het lichaam de leidende factor, terwijl deze bij de jonge mens de ziel, het gevoelsleven is. Wanneer de mens gaat vragen naar de zin van alle dingen, naar het doel van zijn bestaan, betekent dit het begin van zijn geestelijk leven. De geest die eerst nog sluimerde en schuilging achter de ziel, maakt zich los. Vormde eerst de directe omgeving, zoals het gezin, als het ware een verlengstuk van zijn bestaan en ging het daarin nog grotendeels op, bij de volwassenwording – na de puberteit – komt daarin verandering. Deze verandering begint met een zeker besef van eenzaamheid, van een alleen staan tegenover de dingen en tegenover God. Vanaf deze tijd zal de mens kunnen kiezen tussen gemeenschap zoeken met God of zich bezig houden met de dingen van deze wereld; ook kan hij vluchten in een bepaalde tak van de wetenschap of zelfs in een vorm van religie (vergelijk ook Matth.4:1-11).

Voor een opnieuw geboren kind van God is niet langer de ziel of het lichaam het enige oriëntatiepunt voor zijn denken en handelen. Deze beide, nauw met elkaar verweven aspecten van de mens, blijken onbetrouwbare informatiebronnen te zijn, waardoor we ons niet willen laten leiden. Een geestelijk mens oriënteert zich op de dingen die boven zijn. Hoe meer we onze Vader leren kennen, hoe meer we inzicht krijgen in onszelf en hoe beter we de werking van de Geest van God, wanneer deze tenminste in ons woont, zullen begrijpen. We zullen dan maar al te graag bereid zijn om te veranderen en de dingen na te laten die de Geest van God bedroeven.

Bent u ‘in vorm’?

Soms zegt men van iemand, wanneer deze het ergens ‘goed doet’, dat hij of zij echt ‘in vorm’ is. God wil dat wij het altijd ‘goed doen’ en dat wij elk moment van de dag hierin geheel onszelf zijn. Dit optimaal functioneren is kenmerkend voor mensen die leven vanuit het Koninkrijk der hemelen; zij brengen dan ook vrucht voort op de juiste tijd. Zij laten zich immers leiden door Gods Geest en bevinden zich voortdurend in het centrum van zijn wil. De tegenpartij, de satan, die daar een enorme hekel aan heeft, kan met zulke mensen niets beginnen. Ze zijn al bij voorbaat overwinnaar omdat ze in Christus zijn, die overwonnen hééft.

Toch bent u, lezer, misschien nog niet geheel in vorm, bent u soms nog onevenwichtig, gauw van uw stuk gebracht en is in uw leven de vrede gauw verstoord. God wil echter het door Hem bedoelde evenwicht herstellen. God is de God van vrede, bij Hem vinden we een diepe innerlijke vrede en een steeds verder hersteld wordend evenwicht. Een leerling van Jezus zal een evenwichtig mens moeten zijn om te kunnen functioneren in Gods Koninkrijk, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen en de aanvallen van de duivel. Wie zich openstelt voor de Heilige Geest, zal niet zo gauw uit het lood geslagen zijn, maar zal zichzelf kunnen beheersen. Hij zal in vorm blijven zonder enige kramp, door de Geest van God die in Hem woont.

Zelfbeheersing is dan ook een van de vruchten van de Geest. Het ‘ik’, de vorm, wordt dan door Gods Geest beheerst en bestuurd in plaats van door de overste van deze wereld, satan. Wanneer u nog wel eens driftig, kortaangebonden of erg impulsief bent, zal de Geest van de Heer dit graag willen veranderen. Overgevoeligheid zal veranderd worden in fijngevoeligheid, terwijl ongevoeligheid plaatsmaakt voor echte bewogenheid, echt meevoelen met de bewegingen van de Geest van God. Deze maakt zelfs de meest apathische mens nog gevoelig en maakt hem deelgenoot van zijn hemelse roeping. Verlegenheid zal plaats moeten maken voor overgave en gemeenschapszin. Deze overgave zal ook steeds meer gevonden moeten worden bij hen die alles zelf willen regelen, gauw bezorgd zijn, overal bij willen zijn. Wanneer we zo leven, raken we nooit gespannen of oververmoeid, omdat we iedere spanningsvolle of moeilijke situatie uit handen durven geven aan Hem die wij vertrouwen.

Elke karakterfout, die vaak zijn oorsprong vindt in diepgewortelde gevoelens van minderwaardigheid, zal veranderen in karaktereigenschappen, die uitnemend geschikt zullen zijn voor het werk in Gods Koninkrijk in de gemeente. Steeds is overgevoeligheid het signaal van een nog niet geheel in vorm zijn: God eist dat we alleen gevoelig zijn voor zijn wil. Karakterverandering hangt dus nauw samen met de bewustwording van onze goddelijke roeping, met een goddelijk bewustzijn, dat ons niet leert: ‘Je bent nu eenmaal zo’, maar ‘Je hoort bij het koninklijke priesterschap’ (1 Petr.2:9).

  • Leeft u ook vanuit dit besef of geeft u nog wel eens gehoor aan die wereldgeesten?

Wanneer we niet leven vanuit het koninklijk Godsbesef, dan leven we beneden onze stand, doordat we in feite meer gehoor geven aan traditionele, menselijke leuzen en verdichtsels betreffende het menselijk bestaan. Zeer weinigen zijn van begin af aan getraind in dit goddelijk besef.

De ontwikkelingsfasen in de gemeente

We gebruikten al het voorbeeld van een vat, om aan te tonen, dat de vorm ervan de meest bepaalde factor is, zoals onze vorm – uitgedrukt in het begrip ‘ziel’ – beslissend is voor ons doen en laten. Ieder oprecht kind van God verlangt naar het geluk van zijn ziel en God wil ons de vorm geven die Hij aan ieder van ons heeft toebedacht. Het grondpatroon is bij allen gelijk. We zullen allen aan het beeld van Gods Zoon gelijk zijn. Wanneer we geheel ‘in vorm’ zijn, hebben we de gestalte, de persoonlijkheid zoals deze door God bedoeld is. Dit te bereiken, is niet eenvoudig. Een goede plaatselijke gemeente is hierbij onmisbaar. Voor een belangrijk deel ontleent de mens zijn karaktervorm aan zijn milieu, waarmee hij vanaf het prille begin in contact heeft gestaan. Allerlei opgelopen misvormingen hebben voor een volledig herstel een goddelijk huisgezin nodig. Juist in het gemeenschapsleven komt onze zielsgesteldheid het duidelijkste naar voren. God wil van ons gemeenschapsmensen maken, die zijn afgestemd op het leven met elkaar en bovenal op het leven in gemeenschap met Hemzelf.

Zoals we onze vorming voor een groot deel te danken hebben aan onze aardse opvoeders, zo ontvangen we in het huisgezin van God een her-opvoeding, een her-vorming van Jezus Christus, het Hoofd van zijn Gemeente. Hoe meer de opvoeding die wij van onze ouders ontvingen, in overeenstemming is geweest met Gods wil, hoe minder ingrijpend onze hervorming hoeft te zijn. Deze hervorming is een voortschrijdend proces, waarbij verschillende personen betrokken zijn. De groei die wij in geestelijk opzicht doormaken, kan net als bij de natuurlijke ontwikkeling van de mens, in zekere zin als een bepaald fasen-verloop worden geschetst. Iedere fase toont dan iets kenmerkends van de ontwikkelingsgang die de gelovige beleeft.

Allereerst zijn er de pasbekeerden in de gemeente, die net als baby’s hoofdzakelijk aandacht hebben voor eten en drinken en dat is normaal. Zij zijn vooral gericht op zichzelf. Zij zijn in de gemeente om te ontvangen: eten, drinken, heel veel liefde en begrip. Tijdens deze periode is het lichamelijke aspect erg belangrijk. Als versterking van het prille geloof wordt de christen aan het begin van de geloofsweg vaak gezegend met allerlei zichtbare en tastbare ervaringen. In deze tijd wordt het kind van God geworteld in het geloof. Verreweg de meeste genezingswonderen gebeuren in deze eerste fase, als bemoediging om verder te gaan op de geloofsweg. Zulke heerlijke goddelijke uitreddingen vormen later, wanneer de ‘goede strijd van het geloof’ gestreden moet worden, een krachtige stimulans om dóór te gaan.

Juist in die eerste periode speelt de ervaring een grote rol. Het fundament wordt immers gelegd; bekering, doop in water, doop met Heilige Geest, oplegging van handen zijn zichtbare bewijzen van Gods genade, die wij in gehoorzaamheid zullen accepteren. De doop met Heilige Geest is voor velen een geweldige ervaring geweest. Toch moeten we niet bij deze ervaring blijven stilstaan; we willen verder gaan en ons verder laten opvoeden, ons richten op het volkomene (Hebr.6:1).

De volgende fase is bijzonder belangrijk en kan alleen met vrucht worden doorlopen, wanneer de eerste periode tot haar volle recht is gekomen. Het is onmogelijk gebouwd te worden, wanneer men zijn geloofswortels niet diep heeft zitten. Dan zal men niet kunnen standhouden en bij windvlagen al gauw omvallen. In deze tweede periode zal het kind van God verder geleid worden door Gods Woord en Geest en zal het, naast het lichamelijke aspect, vooral gaan om het psychische, het innerlijke leven. Niet langer prevaleert de eigen behoefte, maar de ander in de gemeente komt centraal te staan en men zoekt het contact met elkaar. De gemeenschapsbehoefte concentreert zich niet langer op zichzelf, maar wordt gekarakteriseerd door ‘geven en nemen’. De in de eerste periode in ruime mate ontvangen liefde, wordt nu in praktijk gebracht ten behoeve van anderen.

Deze fase is een vormingstijd, waarin de psyche, onze ziel (de ‘vorm’) min of meer centraal staat. Juist in deze tijd speelt de vermaning, de correctie en de training een grote rol. Accepteren we die? Willen we echt volledig leerlingen van de Heer worden? De Heer wil dat we ons als levende stenen laten gebruiken en dat we ons daartoe in ons leven laten bijschaven.

Velen blijven jammer genoeg in de eerste fase steken; ze blijven als het ware aan de eerste ervaringen hangen. Hun gemeenschapsbeleving blijft gefixeerd in een houding van persoonlijk, individueel gericht denken. Vaak is dit het gevolg van de boodschap die genoegen neemt met een deel van het Woord van God, bijvoorbeeld het fundament. Redding, verlossing, doop en genezing worden dan doel, in plaats van middel tot het doel, namelijk de volkomenheid van geest, ziel en lichaam. De rigoureus begonnen groei stagneert, men gaat niet vooruit. De gemeenschapsbehoefte wordt dan niet omgezet in een zelf actief deelnemen aan de gemeenschap van de heiligen. Persoonlijke gevoelservaringen staan vaak hierbij in de weg, omdat allerlei contactstoringen tot nu toe niet werden gezien en genezen.

Heel ons innerlijk leven komt in deze periode tot harmonie, stabiliseert zich. We zijn minder gauw afgeleid en gaan duidelijker de grote lijnen zien. Gods Geest krijgt meer ruimte in ons bestaan en leert ons te leven in het centrum van Gods wil, zodat lichaam, ziel en geest zich kunnen ontplooien zoals God het bedoeld heeft.

  • ‘Vermijd elk kwaad, in welke vorm het zich ook voordoet. Moge de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen, en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus’ (1 Thess.5:22,23).

Wanneer het gaat om het herstel van de geschonden mens, is er ook sprake van zelfwerkzaamheid. Het niet-doen speelt hierbij een belangrijke rol; we moeten ons onthouden van iedere vorm van kwaad, of zoals een andere vertaling het uitdrukt, van iedere vorm van kwaad. We zullen zelfs de kwade schijn moeten vermijden, anders lopen we onszelf in de weg en bedroeven we de Geest van God die in ons woont en werkt. De Geest van de Heer, die betrokken was bij de schepping van hemel en aarde, is ook betrokken bij de herschepping in ons.

We merkten al op, dat God de mens van binnenuit herstelt. Dit herstel verloopt volgens bepaalde geestelijke wetten en gaat als het ware vanzelf; we hoeven niet te sturen, maar dienen ons slechts te laten leiden dóór en vol te blijven mét de Geest van God en ons te houden aan de waarheid, zoals God deze openbaart in Jezus Christus. Wanneer wij vol zijn van de Heilige Geest, zijn wij krachtig en machtig in Hem en willen we ons geheel aan Hem toewijden, niet alleen op een blij moment, maar altijd. Daarom zullen we volharden in de gemeenschap met Hem en met zijn volk. In de plaatselijke gemeente zullen we duidelijk gaan ondervinden hoe de Geest Gods ons van dag tot dag vernieuwt.

In de tweede fase ligt het accent dus vooral op de vorming, op ons zielenleven dat in evenwicht gebracht wordt, op geloofsmentaliteit die het gevolg is van een goede karaktervorming. God zoekt nu eenmaal mensen met karakter, mensen die hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad. In dit tweede stadium valt het accent op ons zielenleven. Het goed doorlopen van dit stadium is pas mogelijk, wanneer we de eerste fase goed doorlopen hebben, waarin het fundament gelegd is waar ons geestelijk huis verder op gebouwd zal moeten worden.

Ook de derde fase kan alleen zinvol doorlopen worden, wanneer we niet halverwege in het tweede deel van onze ontwikkeling blijven steken. Heel de ontwikkeling van de natuurlijke en de geestelijke mens gebeurt volgens goddelijke wetten. Wie deze wetten aanvaardt en ernaar leeft, is wijs en komt verder in het Koninkrijk der hemelen. God wil dat we een afdruk vormen van de heerlijkheid van God en dat we zijn koningschap vertegenwoordigen in zijn kracht. Gods beloften, die we vaak beleden hebben, worden werkelijkheid, wanneer wij geheel door Hem geheiligd zijn. We gaan de overwinningskracht van Christus zelf ondervinden. Meer en meer worden we ons bewust, dat we horen bij dat koninklijke priesterschap, bij die heilige natie, waarover de apostel Petrus schrijft. We beleven overwinning op overwinning, thuis, in ons werk en in de gemeente. We leren vooral in deze tijd onze begeerten te richten op Jezus. We leren gehoorzaamheid door lijden heen, evenals onze oudste Broer, Jezus Christus, die heeft moeten leren (Hebr.5:8).

In deze periode worden we jongeren, over wie de apostel Johannes in zijn brieven schrijft, die de waarheid liefhebben en de vijand overwonnen hebben. We gaan ervaren wat het betekent, niet meer te hoeven struikelen over dingen waar we voorheen vaak over vielen. Steeds meer gaan we begrijpen wat God nu eigenlijk van ons wil en we ontdekken met intense vreugde dat ons perspectief wijder en wijder wordt. We worden waakzaam, nuchter, standvastig in het geloof en krijgen een groeiend zelfvertrouwen, dat wil zeggen: geloof in Hem die onszelf steeds meer beheerst. Zo wordt onze inwendige mens van dag tot dag vernieuwd, komen wij in evenwicht en zijn we minder kwetsbaar.

En dit alles vindt plaats binnen Zijn gemeente, waarin we ons mogen openstellen voor het goede Woord Gods en ons laten leren. Juist in deze tijd komen we ‘in vorm’; allerlei misvormingen in ons psychische leven, die wij vanaf onze geboorte hebben opgelopen, worden weggenomen, genezen, veranderd door Gods Geest, terwijl we slechts hoeven mee te werken, door ons aan de waarheid te houden en ons te onthouden van elke vorm van kwaad. We zullen ‘nee’ zeggen tegen de tegenstander. Wat een heerlijkheid toch biedt het evangelie van het Koninkrijk der hemelen! Mensen worden omgevormd tot bruikbare leerlingen, scheefgegroeide tot rechtgeaarde mensen, depressieve mensen tot blijmoedigen, nerveuzen tot rustige, kalme mensen; driftige mensen worden zachtmoedig, fanatici worden liefdevol, egoïsten worden gemeenschapsmensen bij uitnemendheid! Waar eerst nog ons gevoel leidinggevend was, neemt nu Gods Geest steeds meer de touwtjes in handen.

Toch is heel deze vorming geen einddoel. Wanneer we niet blijven steken in dit deel van onze ontwikkeling, mogen we verder gaan en zal de Geest van God ons steeds verder omhoog voeren. Waarheen? Naar de kennis van God, naar de kennis van Hem die vanaf het begin is (1 Joh.2:13-14). Het Woord van God, dat al van begin af aan onze geloofsontwikkeling bepaalde, wordt vlees in ons; wij mogen één worden met het wezen van God. Mochten we eerst met blijdschap de gaven en de vruchten van de Heilige Geest in ons leven bespeuren, in dit derde stadium gaan we de Gever van dit alles beter leren kennen. Door Gods Geest, die zelfs de diepten van God doorzoekt, worden we meer en meer doortrokken van het wezen van de Vader. Christus wordt vlees in ons: we zullen Zijn gestalte dragen, willen we de kracht van het Koninkrijk in al zijn volheid aan de wereld openbaren, zoals Hijzelf dat op aarde deed. De kennis van God, die eerst nog voor een groot deel in ons hoofd zat, zal ons hele wezen doortrekken doordat het woord in ons tot ontwikkeling komt en het werk gaat verrichten dat God bevalt. Ons inzicht zal dan niet meer op zichzelf staan, maar gepaard gaan met wijsheid en echte goddelijke bewogenheid.

In de derde fase speelt dus niet het lichamelijke aspect, zoals de ervaring, de belangrijkste rol en is het ook niet onze ziel, ons beleven, ons gevoelsleven, dat tot harmonie gebracht wordt, maar is het de geest van de mens die zich meer en meer gaat richten op God. Onze geest wordt dan steeds meer één met Gods Geest, waardoor ons denken het creatieve en positieve denken van God wordt en ons geloof wordt het geloof van Jezus Christus. Allerlei innerlijke strijd, die het gevolg was van een nog onvolkomen mentale onderbouw, vermindert en maakt plaats voor innerlijke gedisciplineerdheid en evenwicht. De opgedane kennis zal verdiept worden, zodat we de Persoon achter de woorden van God duidelijk gaan begrijpen: God Zelf.

We gaan ons met Hem vereenzelvigen, identificeren. We worden zonen van Hem en leggen evenveel liefde voor de Schepper en zijn schepsels aan de dag als de eerstgeboren Zoon, Jezus Christus. Hem kennen betekent dan in een doorlopend nauw contact met God samenwerken in zijn grote herscheppingplan. De waarheidsliefde zal in ons oppermachtig worden; geen vijand kan voor ons standhouden, want de liefde Gods die in ons woont, overwint het kwade. Wijsheid en kennis, gepaard aan sterk Godsvertrouwen en innige liefde voor Hem en zijn schepping, zullen ons zeer machtig maken. ‘Op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden’ is daar slechts een teken van.

Wanneer de Geest van God in ons leven de leidende functie heeft verkregen, kan van ons gezegd worden, zoals dit van Jezus gold, dat wij een levendmakende Geest zijn geworden (1 Cor.15:45). De Geest van God werkt dan actief naar buiten uit; we zijn dan zonen van God, die beantwoorden aan onze bestemming. Gods Woord noemt de mens vaak naar zijn belangrijkste intentie. Zo noemt de Bijbel een rechtvaardig en goed christen die God wil dienen volgens zijn natuurlijke wetten, een levende ziel, een mens bij wie het godsdienstige niet verder gaat dan het innerlijke beleven. De mens die alleen maar vleselijk leeft en zich uitsluitend laat leiden door zijn natuurlijke begeerten, wordt aangeduid met vlees (Gen.6:3). Natuurlijk blijft het belangrijkste kenmerk van de mens: de ziel; daarom neemt de vorming van elk kind van God zo’n belangrijke plaats in, zo zelfs dat er een gemeente aan te pas moet komen.

Wanneer we hier wat kunstmatig een indeling gaven van de ontwikkeling, die zich voordoet in het leven van elk kind van God, dat de hoge weg wil bewandelen, dan was dit slechts om de aspecten geest, ziel en lichaam in dat gehele verloop wat duidelijker te belichten. Een duidelijke scheiding is nooit aan te geven; ook in de eerste en laatste fase is sprake van vorming, terwijl het richten van het geloof, ons denken, op God de Vader, nauw samenhangt met het richten van onze begeerten. Geloven en begeren hangen ten nauwste samen en heel deze ontwikkeling loopt uit op het ontvangen van de goddelijke natuur. Maar ook dan geldt het woord: ‘Vermijd elke vorm van kwaad’. We zullen waakzaam en nuchter moeten zijn en, net als Jezus Christus, zachtmoedigheid, nederigheid en onbaatzuchtigheid uitstralen. De Heer wil dat we ernaar streven dit doel te bereiken. Tijd voor de Heer door gebed en persoonlijke Bijbelstudie nemen hierbij een belangrijke plaats in. De hele schepping wacht op het openbaar worden van de zonen van God, en niet alleen de schepping, ook de Schepper wacht. Hij wil door ons spreken en handelen, ja, zijn volle majesteit en luister in ons openbaren.

Zielzorg in de gemeente

Wanneer we er van uitgaan, dat de ziel van de mens, zijn ‘vorm’, zijn karakter, zoals we het noemden, een kenmerk is van zijn persoonlijkheid, die hem van alle andere schepselen doet verschillen, en het einddoel van het geloof als ‘de zaligheid van de zielen’ aangeduid kan worden, dan is het woord ‘zielzorg’ nog zo vreemd niet en zal het ook in de gemeente moeten gaan om de hele mens. Een goed devies voor de gemeente is: ‘Laat ons mensen maken’, met het accent op máken, herstellen. God betrekt immers zijn gemeente in het hérscheppingsproces. In de gemeente van Jezus worden mensen die onbruikbaar, onbestuurbaar zijn, weer bruikbaar en handelbaar, bestuurbaar gemaakt door Gods Heilige Geest.

De zielzorger wordt in de gemeente geconfronteerd met kinderen van God uit alle drie ontwikkelingsstadia. Als een goed vader zal hij nauwlettend toezien dat de pasbekeerde goed voedsel krijgt, eerst melk en daarna gaandeweg vaster voedsel. Hij zal de tegenstander buiten het territorium van de gemeente helpen houden, zodat de groei niet wordt belemmerd en het groeiklimaat optimaal is. Met vreugde zal de zielzorger deze groei van de kinderen in dit ‘huisgezin’ constateren en geleidelijk aan zal hij meer verantwoordelijkheid geven. Er zal voor gewaakt moeten worden, dat de geestelijke taak voor het kind niet te groot is, ter voorkoming van óvergeestelijkheid, wat geestelijkheid is met onvoldoende mentale onderbouw, dus met onvoldoende vorming. In het vormingsproces spelen de vermaning, de correctie, het gesprek onder vier ogen, de contactavonden en de goede orde in de gemeente een belangrijke rol.

Net als in een goed huisgezin, gaat het bij het huisgezin van God om het volwassen worden van haar leden, die op zeker ogenblik in staat zullen zijn om op eigen benen te staan, in volledige afhankelijkheid van God, functionerend in zijn gemeente, vol van liefde voor al Gods schepselen. Zulke leerlingen zullen bruikbare werktuigen zijn in Gods hand.

Kennen wij werkelijk de Schepper? Herkennen wij Hem in onze dagelijkse levenswandel? Wandelt u met God? Door middel van zijn gemeente zal God zijn veelkleurige wijsheid tonen aan allen die met ons in aanraking komen; ook uw omgeving zal dit merken. De gemeente van Jezus Christus zal bestaan uit leden die niet alleen geestelijk één zijn, maar ook één van zin, van ziel zijn, zodat zij één lichaam vormen: het lichaam van Christus, gaaf en onberispelijk!