Gaat God mee op onze wegen…

… of gaan wij mee met God op Zijn wegen?

1 Samuël 8:4 en 5 vertelt dat Israël een koning wilde, zoals de andere volken. In Samuëls ogen was dit niet goed en dit lag ook niet in het plan van God met het volk Israël, omdat zij maar één Koning zouden hebben, n.l. God zelf. Toch leest men, dat God zegt in vers 9: ‘luister naar hun stem’ en, zoals bekend, kregen zij een koning. Hier ging God dus met Israël mee op hun weg, ook al hadden ze de leiding van Hem verworpen, zo was het met alles wat zij God hadden aangedaan, vanaf de dag dat Hij hen uit Egypte had geleid tot die dag, door Hem te verlaten en andere goden te dienen (vers 8, vergelijk 1 Corinthe 10:1-13). Ondanks dit gaat God mee op de weg van het volk.

In Mattheüs 19:3 staat hoe de Farizeeën tot Christus komen en Hem vragen stellen over het verlaten van hun vrouwen. De Heer geeft hun antwoord en ze vragen: ‘Waarom heeft Mozes dan geboden om hen een scheidsbrief ts geven om haar te verlaten?’ Toen zei de Heer: ‘Vanaf het begin is het niet zo geweest, maar vanwege de hardheid van uw harten heeft Mozes toegelaten uw vrouwen te verlaten.’ Nergens in de Bijbel staat dat Mozes een berisping van God krijgt, dat hij zoiets gedaan heeft en Mozes zal dit gedaan hebben onder de toelating van God. Ook nu dus is het God die met Israël mee gaat op hun wegen en niet dat Israël mee gaat op Gods wegen.

Van Henoch wordt gezegd: ‘Hij wandelde met God’, dat wil zeggen: Henoch ging met God mee op alle wegen, die God met hem wilde gaan. Zo was het ook met Christus, onze Heer en Verlosser. Hij ging met Zijn Vader mee op elke weg, ja, tot in de hof van Gethsémané, waar Hij zei: ‘Niet Mijn wil, maar Uw wil gebeurt.’ Vanaf het ogenblik dat de apostel Paulus gegrepen werd door het evangelie, zo vlak voor Damascus, droeg hij tot aan het einde van zijn leven het stempel van: ‘Wat wilt U dat ik doen zal?’ Hij zegt dat hij een medewerker van God is, hij zegt niet dat God meewerkt met Paulus’ plannen en inzichten en met zijn kunnen en willen. Alles in ons leven komt op onze keus aan.

Beweegt de wil van de mens zich in Gods wil? Zo ja, dan werkt deze met God mee en gaat zij in Zijn wegen. Zo niet, dan moet God met de wil van de mens meegaan en staat de mens God in de weg. Meestal wordt hier niet aan gedacht. De oorzaak is, dat men God niet altijd begrijpt omdat men druk is met eigen dingen. Veel dagelijkse gebeden worden uitgesproken met in het hoofd de gedachte: ‘niet Uw wil, Heer maar laat mijn wil gebeuren.’ Eigenlijk wil men niet de weg gaan van de Heer, maar kiest men voor een eigen weg die volgens hen veel beter is. En God, die de mens beter kent dan de mens zelf, gaat dan dikwijls mee, om geduldig af te wachten, totdat men leert zeggen: ‘Niet mijn wil, Heer, maar de Uwe.’

Het is goed dat de mens zich afvraagt, wat Zijn wil is om daar zijn gebeden naar te richten. In 1 Johannes 5:14 staat:

  • ‘En dit is de vrijmoedigheid die wij hebben in het toegaan tot God, dat Hij ons verhoort, telkens als wij iets bidden naar Zijn wil’.’ En de apostel Paulus zegt in Romeinen 8:26: ‘Wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort. De Geest Zelf echter pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.’

De mens weet immers niet alles wat goed voor hem is. Dat weet Hij alleen, Jezus Christus, Gods Zoon. Maar Hij kan dit alleen openbaren aan de Geestvervulde christenen, die een Bijbels fundament in hun leven hebben gelegd, want:

  • ‘De natuurlijke mens neemt de dingen van de Geest van God niet aan, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is. De geestelijke mens beoordeelt wel alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld. Want wie heeft de gedachten van de Heer gekend, dat hij Hem zal onderrichten? Maar wij hebben de gedachten van Christus’ (1 Corinthe 2:14-16).

Waar Jezus Christus de mens verder wil vrijmaken, houdt de mens vaak krampachtig vast en wat Jezus de mens onthouden wil, wil hij juist graag hebben. Vergelijk het met een moeder die met haar kind een speelgoedwinkel binnengaat. Het kind wil graag dat hebben, wat voor zijn idee mooi en groot is. Soms geeft de moeder het uit liefde voor het kind als het niet tè groot is, maar ziet verlangend uit naar het ogenblik, dat zij zelf het kind zal kunnen geven, wat goed voor haar is. Zo is het ook in het leven. Hoe vaak vraagt men iets als kleine kinderen en God gaat met hen mee in Zijn grote genade en barmhartigheid en wacht met geduld, totdat de mens bereid is, om aan te nemen wat Hij wil geven? Wij bidden dat de mens zo leert te leven dat het alleen Gods wil wil doen.

  • ‘Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de Heer. Want zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen en Mijn gedachten dan uw gedachten’ (Jesaja 55:8-9).