Eenheid van de gemeente

Het principe

In het evangelie van Johannes staat een gebed van de Heer Jezus, waarin Hij aan zijn Vader vraagt dat zijn leerlingen die Hem gegeven waren, één mogen zijn. Het is nodig dat wij ons de vraag stellen op welk principe deze eenheid berust, zodat wij haar ook kunnen realiseren. In hoofdstuk 17:22 lezen wij over de heerlijkheid, die Hij zijn leerlingen had gegeven, zodat zij één zouden zijn. Jezus had immers zijn volgelingen onderwezen in het Koninkrijk der hemelen. Zij hadden geleerd hoe zij actief betrokken konden worden in de strijd tussen God en de demonen van satan. Door de kracht van Gods Heilige Geest zouden zij deel hebben aan dit gevecht, waarbij het er om ging mannen en vrouwen, die onder de druk en heerschappij van satan leefden, terug te winnen voor God.

Dit was een heerlijke boodschap en de kennis ervan was tot aan de komst van Christus nog verborgen gebleven. De gelovigen moesten nu als één man hun plaats innemen in de hemelse gewesten. God zelf zou zijn Geest zenden, zodat zij geleid konden worden als eigen persoonlijkheden in een harmonieus leger van God. De taak van de gemeente was dan om er voor te zorgen dat ieder lid deze roeping kon uitvoeren. Zij zou moeten zijn als een broeikas, waar planten tot hun volle ontwikkeling komen, omdat ze op goede grond staan en volop zonlicht en vocht genieten.

In de gemeente zouden allereerst mannen en vrouwen tot gemeenschap met God moeten worden gebracht om daarna vervuld te worden met Heilige Geest – de grote Leraar, die voor altijd bij hen en in hen zou zijn. Alle hindernissen zouden verdwijnen; de duivelen zouden worden uitgeworpen en zij die gebonden waren, zouden bevrijd worden. Op deze manier zouden de leden als levende stenen worden ingevoegd in de tempel van God (1 Petr.2:5). De plaatselijke gemeenten zouden het instrument zijn voor het herstel van Gods volk. Dit is het geweldig mooie plan dat het Nieuwe Testament ons toont.

De afwijking

Al snel echter begonnen veel gemeenten aan hun hoge roeping ontrouw te worden. Vanuit hun wandel in de hemelse gewesten vielen zij terug op de aarde en werden organisaties met een eigen identiteit. In plaats van dienaars werden zij meesters. In plaats van de mensen tot God te brengen, werden de leiders zelf goden die zich onafhankelijk opstelden ten opzichte van de ware God.

In het geestelijk verloop van de gebeurtenissen zien wij een gemeente die haar plaats in de hemelse gewesten verlaat – of om met een woord van Openbaring te spreken: waarvan ‘haar kandelaar van zijn plaats wordt weggenomen’. Een gemeente die ophoudt in Gods ogen gemeente te zijn. Op aarde kan zo’n kerk zich echter eeuwen lang als een organisatie handhaven en haar eigen leven leiden, los van Gods aanwezigheid. Wij zien vandaag aan de dag kerken, die perfect georganiseerd zijn, bekleed met politieke of financiële macht. Ze heersen over de levens van miljoenen en houden toezicht over hen, maar hebben de weg verduisterd voor de oprechte zoeker om het Koninkrijk van God in te gaan. Of het nu grote historische kerkelijke organisaties of kleine starre gemeenten betreft, de leden worden ondergeschikt gemaakt aan anderen en aan een systeem.

Wij hebben vaak mensen ontmoet, die bij belangrijke beslissingen in hun leven ervoeren, dat de weg van hun organisatie voorrang eiste boven die van hun geweten en van de geopenbaarde waarheid. Zo kennen we bijvoorbeeld een pinkstervoorganger, die er in zijn hart van overtuigd was dat hij het huwelijk van een bepaald bruidspaar moest inzegenen. Desondanks weigerde hij dit, omdat hij anders uit zijn ambt zou worden ontzet door de overkoepelende kerkelijke organisatie.

Wij ontmoeten mensen die heel hard werken voor hun organisatie, zonder te beseffen dat ze de Heer helemaal niet dienen. Organisatie in de gemeente is alleen nodig voor zover het de gemeente dient in de natuurlijke zaken. Dit laatste bijvoorbeeld wanneer zij te maken heeft met de wereldlijke overheid en de financiële zaken. Maar dit mag nooit leiden tot een heerschappij over de handelwijzen van een gelovige in zijn natuurlijke zaken. De organisatie is als het meubilair in een huis. Het is wel noodzakelijk, maar het moet het gezin alleen dienstbaar zijn.

Conclusie

Een goede kerkelijke organisatie komt niet in de plaats voor de oorspronkelijk bedoelde echte eenheid. Deze eenheid op zich heeft geen waarde voor God. Deze rekent alleen met persoonlijke gelovigen en met die plaatselijke gemeenten, waar zich ten minste een kern bevindt van ware gelovigen en waar men vasthoudt aan de geopenbaarde waarheid (Openb.3:11). Wat ons echt tot een eenheid samenbindt, is onze wandel in het Koninkrijk van God. Als wij daar bij horen, dan liggen onze schatten ook daar, net als onze hoop voor de toekomst. Wij strijden dan tegen de duivel en zijn leger en houden stand door de kracht van Gods Heilige Geest. Het gaat dus om de geestelijke waarden.

De natuurlijke mens zal ze niet op prijs stellen, want op aarde geven ze hem geen status of gezag. In Gods ogen zijn ze echter de kenmerken van zijn volk, want Hij kent de zijnen hieraan. We zullen daarom geen rekening houden met de natuurlijke instellingen waarbij iemand betrokken is, maar met de geestelijke. De Heilige Geest zal dan Gods volk niet in verschillende richtingen leiden, maar zij, die door Hem geleid worden, zullen harmonie ervaren met God en met elkaar. Dit is onze basis van eenheid.