We kregen een mail met de volgende vraag:
- Onlangs heeft de Heer mij bepaald dat Hij één lichaam heeft en dat ik daarin een plaats en een verantwoordelijkheid heb gekregen. De leden van het lichaam hebben zorg voor elkaar (1 Cor.12:25,26). Bekende feiten, maar het is heel wat anders om daaruit te leven. Ook al hebben u en ik elkaar nooit ontmoet, toch horen we bij Zijn lichaam. Ik ben al eerder in aanraking geweest met uw website over het evangelie van het koninkrijk van de hemelen. Ik was toen pas tot bekering gekomen en was verdrietig over bepaalde artikelen, die hard op mij overkwamen. Daarna heb ik het zo nu en dan eens gelezen. Je vormt je een beeld.
- Je bent het niet eens met de opvattingen over Israël en de erfzondeleer, zoals die door u worden gebracht. Als christen ben ik zo intens bedroefd over alle verdeeldheid in kerken en kringen. Ook al verschillen we van mening hier en daar, ik wil u toch zeggen dat ik negatief over u heb gedacht en gesproken en vraag u daar vergeving voor. Ik had nooit gedacht dat ik dit ooit op papier zou zetten, maar het moet mij van het hart. Gods kinderen wandelen in het licht met elkaar. Ik ervaar dat ik in mijn gedachteleven ‘verdeeldheidsbolwerken’ moet slechten; in en om zijn Naam Jezus. Want God gaf zijn Zoon voor u en mij. Dezelfde liefde, dezelfde prijs.
Antwoord:
Het is goed op de inhoud van deze mail in te gaan, om zo een juiste voorstelling te maken van het ene, ongedeelde lichaam van de Heer en daarbij niet in allerlei extremiteiten en individualistische beschouwingen te vervallen. Wij zullen het er wel over eens zijn, dat het ene lichaam van de Heer zijn gemeente is. Onze Heer is zelf de bouwer van zijn gemeente of van zijn huis of tempel. Wij vormen zijn lichaam en ‘zijn huis zijn wij’. De Heer begon op de Pinksterdag te Jeruzalem zijn gemeente te bouwen. Hij zal haar voltooid hebben, wanneer tijdens de opname de laatste leden van zijn lichaam worden toegevoegd, of de laatste stenen worden ingevoegd in zijn huis (Openb.11:12-18).
We lezen echter ook dat hier op aarde gemeenten worden gebouwd, die ieder voor zich een afbeelding horen te zijn van het ongedeelde ware lichaam (Openbaring 2 en 3). In iedere gemeente horen de leden onderling ook weer onverdeeld te zijn. Ook zij horen bij één lichaam en worden geleid door één Geest. Ze hebben één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader (Ef.4:3,4).
Een enkel goede God

Wanneer er staat dat zij één geloof hebben, betekent dit dat allen één leer aanhangen en dat er geen ‘verdeeldheidsbolwerken‘ zijn. Ze zijn één in hun denken, dus allen richten zich op de leer van Jezus Christus, aanvaarden deze als waarheid en willen haar verstaan en ook begrijpen. Deze leer bevat de gedachten en het plan van God en openbaart de waarheid over het Koninkrijk van de hemelen. Zo hebben zij samen één God de Vader en één Heer Jezus Christus en niet drie goden zoals alle kerken leren en nog steeds fanatiek belijden (verg.1 Tim.2:5).
Ook belijdt het lichaam van de Heer geen aangeboren erfzonde, een schizofrene god van zondag 10 H.C., of een maagd die de moeder van God zélf zou zijn. Wanneer alle gemeenteleden door één Geest zijn verbonden, zullen ze ook één liefde hebben. Zo zal zo’n gemeente uitdrukking geven aan de gedachten die Christus over zijn gemeente heeft gehad en die de Vader Zich heeft voorgesteld. Wanneer het zo in veel gemeenten werkt, zullen die gemeenten samen – hoewel over de hele wereld verspreid – een hechte geestelijke eenheid vormen als leden van één lichaam. De gemeenten van deze tijd zullen ook weer verbonden zijn met die gemeenten die in het verleden uitdrukking geweest zijn van het lichaam van de Heer en verbonden worden met de gemeenten in de komende tijd.
De schrijver heeft het over een plaats die hij krijgt en de verantwoordelijkheid in het lichaam van Christus. Deze plaats heeft hij in de gemeente waar hij deel van uitmaakt en daar ligt dan ook zijn verantwoordelijkheid. Daar kan hij ook alleen zorg hebben voor andere leden, dit wil dus zeggen: hier en nu. Wij kunnen niet zorgen voor hen die vóór ons zijn ingevoegd, ook niet voor hen die komen, maar ook niet voor hen die wij niet kennen of die niet bij de gemeente horen. Voor deze groepen kunnen wij dus ook niet verantwoordelijk zijn.
Met verschillende opvattingen en gedachten, nooit een eenheid

De schrijver begrijpt nu wel dat men met verschillende opvattingen en gedachten nooit een eenheid kan vormen. Daarom geeft God apostelen, profeten, herders, evangelisten en leraars tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij alleen de eenheid van het geloof en de volle kennis van de Zoon van God bereikt hebben (Ef.4:11-13).
Onterechte negatieve gedachten ten opzichte van de broers en zusters ook ten opzichte van de medemens, worden niet door Gods Geest geïnspireerd, maar door de demonen van satan. Wat de gedachten betreft waarover onze broer schrijft, deze hoeven wij niet te vergeven, omdat zijn gedachten ons volslagen onbekend zijn en ons dan ook niet hebben geschaad of gekwetst.
