De zin van het leven

Paulus in Athene – Waar leeft men eigenlijk voor?

Wat is de zin van het leven? Of, om het meer persoonlijker te stellen: waar leef ik eigenlijk voor? Kent u dat soort vragen? In ieder mens leeft immers een verlangen om de waarde te kennen van zijn bestaan. Dit verschijnsel is universeel. Velen proberen de levensvragen diep weg te stoppen in het onderbewuste. Toch komen ze altijd weer boven. Ze dringen zich op. En dan lijkt de beste oplossing om zelf een antwoord te fabriceren. Men denkt gewoonweg een levensfilosofie uit, die de stem van het hart het zwijgen op moet leggen en daarbij zonodig het geweten dichtschroeit. Door dit door God ingeschapen geweten bewust dicht te branden, worden allerlei goddeloze keuzes immers veel gemakkelijker.

Grieken

Onze cultuur is door de denkwijze van de oude (en hedendaagse) Grieken sterk beïnvloed en zij zijn daar nog steeds meesters in:

  • ‘Geniet’, poneerden de Epicuretsche wijsgeren, ‘haal uit het leven – aan geluk en zingenot – wat er te halen valt’. Dat lijkt prachtig. Maar is het leven dan niet meer dan eten, drinken en vrolijk zijn, in de wetenschap van ‘morgen sterven wij misschien’? Bestaat er dan geen eeuwigheid, geen God die ons kan uittillen boven het aards waarneembare? Ook daarmee wisten de epicuristen raad: God bestaat wel, maar Hij is toch duidelijk afwezig. Hij bekommert zich niet om ons. De werkelijkheid is slechts die van ‘hier en nu’.
  • ‘Aanvaard’, proclameerde een andere groep – de school van de Stoïcijnen. ‘Berust! Heel ons bestaan is immers vóórgeprogrammeerd’. Dus tóch een persoonlijke God die alle dingen onder zijn controle heeft? Nee, dat ook weer niet. Er moest ergens wel ‘Iets’ zijn, maar een ‘Persoonlijk Iemand’, dat toch liever niet.

Wat is er sinds die tijd weinig veranderd. Vandaag zijn deze uitgangspunten springlevend: Meegaan in de massa, niet zelf nadenken, alles maar accepteren. Maak van het leven wat er van te maken valt en zie maar wat er van komt!

Theorieën of léven?

Als de apostel Paulus aan het begin van onze jaartelling – op een van zijn zendingsreizen – in Athene belandt, raakt hij meteen met dit denken in conflict. ‘Op het marktplein ging hij dagelijks in debat met de mensen die hij daar aantrof. Onder hen waren ook enkele Epicureische en stoïsche filosofen’, vertelt Lucas in zijn reisverslag. Wat was de reden hiervan? De Grieken hielden zich graag bezig met allerlei abstracte theorieën. De boodschap van het christendom bestaat echter uit waarachtig léven. Een nieuwe manier van denken die voor alle facetten van ons bestaan bepalend is en die een antwoord geeft op dé grote vragen van het leven. Vragen als:

  • Is er een God die een diepere zin aan mijn leven geven kan?
  • Wat is dat goddelijke plan met mij?

De Atheense filosofen willen daar wel eens wat meer van weten. Vandaar dat ze Paulus meeslepen naar de Areopagus, om daar publiekelijk zijn theorieën bekend te maken. Niet dat men zich compromitteren wil met wat de apostel te vertellen heeft. ‘Wat beweert die praatjesmaker toch?’ hoort Paulus’ biograaf Lucas uit de mond van de Grieken. Ongetwijfeld was dat denigrerend bedoeld. Men wilde wel luisteren, maar alleen om de natuurlijke nieuwsgierigheid te bevredigen. Daar leefde en leeft men nog steeds voor. Zoals Lucas aantekende:

  • ‘Alle inwoners nu van Athene en de vreemdelingen die daar verbleven, besteedden hun tijd aan niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te horen’.

Praten, filosoferen, discussiëren, maar tot een werkelijk antwoord op de vragen van het leven komen, dat toch liever niet. Dat zou immers de noodzaak scheppen om ook consequent naar die overtuiging te gaan leven. Ook op dat punt is sindsdien niets veranderd.

Paulus’ toespraak is een ongeëvenaard staaltje van christelijke geloofsverdediging geworden. Lucas bewaarde hem voor ons door deze preek in extenso in zijn reisverslag op te nemen. Ook nu nog zijn Paulus’ stellingen actueel. Wat had de apostel te zeggen? In feite roerde hij slechts een paar punten aan, maar die zijn dan ook van levensbelang: Wie is God eigenlijk, wat heeft Hij met de mens voor en wat moet déze van zijn kant doen om aan Gods voornemen te beantwoorden? Dát is namelijk de zin van het bestaan: leven voor het doel waartoe de mens geschapen werd. Uitkijkend over de heidense tempels rondom, proclameert de apostel zijn eerste stelling waarmee hij zijn godsbeeld aangeeft:

  • ‘De God die de wereld heeft gemaakt en alles wat er leeft, Hij die over hemel en aarde heerst, woont niet in door mensenhanden gemaakte tempels. Hij laat zich ook niet bedienen door mensenhanden alsof er nog iets is dat Hij nodig heeft.’

Dat is nogal wat – God is de schepper en als zodanig de Heer van het leven. Hij valt niet te vangen in onze dimensies van tijd en plaats, want Hij is geest. Zó groot is Hij dat Hij het helemaal niet nodig heeft dat de mens probeert het Hem door allerlei welgemeende inspanningen naar de zin te maken. Die God is ook door en door goed – Hij is de bron van het leven en van alles wat er bij hoort om het in zijn volheid te kunnen genieten. Paulus legt daar het volle accent op. God immers is Degene die ‘zelf aan iedereen leven en adem en al het andere schenkt’. Wil men iets van de zin van het leven verstaan, dan moet er misschien iets aan het godsbeeld veranderen. Men zal moeten geloven dat God het goede met de mens voorheeft, dat uit zijn hand alleen goede gaven komen.

En de mens zelf? Wie is hij? Ook daar gaat de apostel op in. De mens is Gods schepping. God zette hem in deze wereld om de aarde te bewonen, van het leven te genieten:

  • ‘Uit één mens heeft Hij de hele mensheid gemaakt, die Hij over de hele aarde heeft verspreid; voor elk volk heeft Hij een tijdperk vastgesteld en Hij heeft de grenzen van hun woongebied bepaald.’

Maar er is meer. Paulus citeert een van de Griekse dichters om aan te tonen dat er nog een hóger doel aan het leven gegeven kan worden:

  • ‘Want in Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij. Of, zoals ook enkele van uw eigen dichters hebben gezegd: ‘Uit Hem komen ook wij voort.’

Een veelomvattende uitspraak. God heeft zich niet van de mens teruggetrokken, Hij is aanwezig. En dat niet alleen: die mens is van Gods niveau! De mensheid werd geschapen om met Hem in reëel contact te komen, Hem te leren kennen, te begrijpen, te ervaren. Het doel van de schepping was: ‘dat ze Hem zouden zoeken en Hem al tastend zouden kunnen vinden, aangezien Hij van niemand van ons ver weg is.’ Als Paulus spreekt over het ‘tasten in het duister’ heeft hij het over de omstandigheden waarin de mens verkeert. Hij is van Gods niveau, maar leeft in het duister. Vandaar dat hij als een blinde zoekt. En God wil zich laten vinden. Langs de weg van een radicale omkeer in het denken: over God, over zichzelf, over de zin van het bestaan. De apostel wijst dan ook op datgene, wat van de mens verwacht wordt: ‘God slaat echter geen acht op de tijd waarin men Hem niet kende, maar roept nu overal de mensen op om een nieuw leven te beginnen.’

Ook al bevindt de mens zich vaak geestelijk in de duisternis, ook al faalt hij en struikelt hij door zijn onbegrip en geestelijke verblinding, toch benadert God hem positief. Hij zoekt contact met de mens. Hij ziet niet op de zonden en tekorten. Hij vergeeft en vergeet. Wat God interesseert is een nieuw begin. Hoe, met wie? Paulus geeft in zijn slotconclusie aan, dat de verandering in levensinstelling vastzit op onze houding tegenover Hem, die het centrum van het christendom is, Jezus Christus zelf:

  • ‘want Hij heeft bepaald dat er een dag komt waarop Hij een rechtvaardig oordeel over de mensheid zal laten vellen door een man die Hij voor dat doel heeft aangewezen.’

En die Man is Jezus Christus, de opgewekte, die leeft. Ziedaar, het evangelie in al zijn eenvoud – het geheim van de zin van het leven: de mens werd voor een leven in gemeenschap met God geschapen en dat leven is in zijn Zoon. Aan het zoeken en tasten naar de zin van het leven kan een einde komen.

  • ‘Hierin is de liefde van God t.o.v. ons geopenbaard, dat God zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, zodat wij zouden leven door Hem.’