De vrees ván de Heer

Angst voor satan hebben Goddelozen niet

  • ‘Wees niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden. Wees liever bang voor hem die in staat is én ziel én lichaam om te laten komen in de hel’, Mattheüs 10:28.

Gehaat om de prediking van het eeuwig evangelie

In Mattheüs 10 wordt beschreven hoe de leerlingen met een machtige opdracht worden uitgezonden. Zij moesten onder de van God vervreemde of verloren schapen van het huis van Israël het evangelie prediken van het Koninkrijk der hemelen, dus het volk elementaire aanwijzingen geven over de onzichtbare wereld. De Heer zou meewerken en hun woorden doen volgen door tekens en wonderen. Ondanks deze heerlijke openbaring van Gods herstelplan zouden de leerlingen moeten rekenen op een explosie van vijandschap. De Heer zei duidelijk dat zijn volgelingen zijn lot zouden delen. Als volk zou Israël dit evangelie niet accepteren. In het bijzonder zouden de leerlingen de haat ervaren van de officiële kerkleiders: ‘Zij zullen jullie geselen in hun synagogen’ en voor valse profeten uitmaken, die door Beëlzebul zouden zijn geïnspireerd.

In dit alles vinden we een heldere aanwijzing dat deze afkeer van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen een vaste regel zou worden. De Heer beloofde echter dat Hij persoonlijk door Gods Geest tot zijn volgelingen zou spreken. De schapen zouden de stem van de goede Herder verstaan:

  • ‘Wat Ik jullie in het duister zeg, spreek dat uit in het volle licht en wat jullie in het oor gefluisterd wordt, schreeuw dat van de daken’. Dan volgt de uitspraak: ‘Wees niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden.’

Het lichaam is vergankelijk

Het lichaam hoort bij de stoffelijke aarde, die het terrein is van satan, overste van deze wereld. Deze kan mensen gebruiken om het lichaam van de dienaren van God te beschadigen of te doden. Denk bijvoorbeeld eens aan Paulus op wie de duivel het altijd voorzien had en die door een engel van satan op zijn reizen werd vergezeld. Wat een beproevingen in de natuurlijke wereld onderging deze apostel al niet. Zo werden Jacobus en Stefanus gedood. Ook kan de duivel rechtstreeks door ziektemachten op het lichaam aanvallen. Het lichaam kan er zelfs aan óndergaan, maar de opnieuw geboren christen weet dat hij ook een geestelijk huis heeft, een eeuwige woonplaats in de hemel. Sterven mag daarom voor hem niet zo’n groot probleem zijn en hij hoeft er niet bang voor te zijn.

Hij moet echter, zo vervolgt Jezus, bang worden als zijn ziel beschadigd wordt. Lichamelijk lijden kan ook het zielenleven aantasten, zodat de vrede, de blijdschap en de gerechtigheid van het Koninkrijk van God in de gelovige dreigen verloren te gaan. Daarom mag hij met volle vrijmoedigheid bidden om genezing en herstel. Ook zal de duivel proberen de opnieuw geboren christen te verleugenen en te laten zondigen, zodat van zijn ziel gezegd moet worden, dat zij dood is in zonden. Jezus vervolgt daarom:

  • ‘Wees liever bang voor hem die in staat is én ziel én lichaam om te laten komen in de hel’. In Lucas 12:5 staat het nog duidelijker: ‘Wees bang voor hem die de macht heeft om iemand niet alleen te doden maar ook in de hel te werpen.’

God doodt niet, maar satan doodt

God doodt de ziel niet, maar de duivel is een moordenaar vanaf het begin. Ook wordt God niet blij van de dood van de zondaar, maar Hij wordt blij als deze gaat leven. Ook vernietigt God niet, want dan zou Hij de ‘Verderver’ of ‘Apóllyon’ zijn. Jezus bedoelt: ‘Pas op voor de duivel en hou hem in de gaten, want leugen en zonde maken je onbereikbaar voor God; dus ze doden je. Je loopt daarbij ook het gevaar om naar de inwendige mens ook in de tweede dood te komen, de poel van vuur. Je gaat dan naar de plaats die voor de duivel en zijn engelen bereid is, omdat je met hen verbonden bent’.

Niet alleen heeft de Nieuwe Vertaling ‘hem’ en ‘hij’ met een hoofdletter geschreven, maar ook 2 Corinthiërs 5:11 begint met de tendentieuze weergave: ‘Vervuld van ontzag voor de Heer’ (in de NGB staat: Omdat wij dan weten, hoezeer de Heer te vrezen is).

  • Er staat letterlijk: ‘Daarom kennende de vrees ván de Heer’ dus niet vóór de Heer.

Deze zin loopt parallel met wat in vers 15 staat: ‘De liefde ván – en niet vóór – Christus dringt ons. De bepaling ‘ván de Heer’ drukt een bezitsrelatie uit, evenals bijvoorbeeld bij ‘vaders jas’. De Statenvertaling luidt: ‘Wij dan, wetende de schrik des Heren’, dus de schrik of de angst ván de Heer. Paulus kende namelijk de angst die Jezus gehad had.

Zo kende hij ook de liefde van God, omdat deze in zijn hart was uitgestort. De motivering van zijn prediking was de vrees of de angst die Jezus had ervaren en de liefde die Hij had getoond. Er is ook sprake van ‘de vrees ván God’ net als van ‘de wil ván God’, ‘de vrede van God’, ‘de wijsheid ván God’ of ‘het geloof ván God’. Wie deze eigenschappen bezit, heeft deel aan de goddelijke natuur.

De wil van God is dat alle mensen gered worden. De vrees van God is dat er mensen verloren zullen gaan, dat er schepsels in het eeuwige vuur komen, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. God heeft immers de wereld zeer lief. Zijn vrees houdt verband met zijn liefde. Zo is – als het goed is – de vrees van een aardse vader dat zijn kinderen op het verkeerde pad komen. Als wij de vrees van God hebben, zijn we dus benauwd om te zondigen. Van de goddeloze zondaars wordt gezegd dat ‘de vreze Gods hun niet voor ogen staat’ (Rom.3:18 -NBG); NBV: ‘angst voor God kennen ze niet’. Ze houden er dus geen rekening mee.

De vrees van Jezus

Over de vrees van Jezus wordt in Hebreeën 5:7 gezegd: ‘Christus heeft tijdens zijn leven op aarde onder tranen en met luide stem gesmeekt en gebeden tot hem die hem kon redden van de dood, en werd verhoord vanwege zijn diep ontzag voor God’ – NBG: ‘En Hij is verhoord uit zijn angst’. In Mattheüs 26:37 lezen we in de Statenvertaling: ‘Hij begon droevig en zeer beangst te worden. Toen zei Hij: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe’. Jezus was niet zozeer bevreesd voor zijn lichaam, maar Hij had angst dat de vreselijke stormloop van demonen Hem in zijn zielenleven zou beschadigen, te meer omdat het ogenblik was aangebroken dat Gods Geest Hem ging verlaten. Hij moest dus in eigen kracht verder. ‘Toen zag ik dat er niemand was die hielp, ik was geschokt dat niemand mij aanmoedigde’ (Jes.63:1-6). De Heilige Geest en de engelenlegers waren uitgeschakeld. In Jezus was de vrees van God, dat is de angst om iets te doen dat niet strookt met de wil van de hemelse Vader. De Heer zei ook:

  • ‘Ik moet een doop ondergaan en Ik word hevig gekweld zolang die niet volbracht is’ Luc.12:50.

Een engel van satan

Ook Paulus werd zwaar aangevallen door een engel van de satan. Ook hij bad om verlossing van de duivel. Ondanks het feit dat deze engel niet van hem weggenomen werd, hield Paulus, net als zijn Meester, stand. In dit verband schreef hij ook telkens: ‘Wij verliezen de moed niet’. In alles stond hij onder druk, was hij om raad verlegen en werd hij vervolgd. Hij droeg het sterven van Jezus en ook zijn angst in zijn lichaam en werd voortdurend aan de dood overgeleverd om Jezus’ wil (2 Cor.4:8,11). Hij wilde echter goed door zijn verdrukkingen heenkomen, want hij wou, net zoals zijn Heer, het doel bereiken, namelijk ‘de hemelse prijs waartoe God mij door Christus Jezus roept’ (Fill.3:14).

Paulus geloofde dat de geringe last van de verdrukking van een ogenblik, een voor hem eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft, zou bewerken (2 Cor.4:17). Hij zag ook op de vreugde die voor hem was weggelegd! De erekroon zou hij ontvangen, wanneer hij voor de rechterstoel van Christus zou verschijnen. Hij schrijft immers:

  • ‘Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus verschijnen, zodat ieder van ons krijgt wat hij verdient voor wat hij in zijn leven heeft gedaan, of het nu goed is of slecht’ 2 Cor.5:10.

De ‘Bible Dictionary’ schrijft over deze rechterstoel van Christus:

  • ‘Deze is noodzakelijk om de rangen van heerschappij en autoriteit aan te wijzen, die de gelovigen met Christus in zijn waardigheid als Koning van de koningen en Heer van de heren zullen ontvangen bij zijn openbaring in kracht en heerlijkheid’.

Jezus heeft gezegd: ‘Wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel’ (Joh.5:24). Het gaat er voor deze rechterstoel om of de christen ‘op het fundament van het geloof heeft gebouwd met goud, zilver, kostbaar gesteente, of met hout, hooi of stro. Wanneer iemands bouwwerk blijft staan, zal hij worden beloond. Wanneer het verbrandt, zal hij daarvoor de prijs betalen; hijzelf zal echter worden gered, maar door het vuur heen’ (1 Cor.3:10-15). De rechterstoel van Christus is dus het gerecht, waar de jury zich bevindt.

Paulus had er alles voor over om de eerste prijs of de kroon te halen, die de rechtvaardige Rechter hem op die dag zou geven. Zijn navolgers willen ook graag in de prijzen vallen, die hun Heer uitdeelt:

  • ‘In diep ontzag voor God blijven zij zich inspannen voor hun redding’ Fill.2:12.

Paulus kende geen angst voor God of voor Jezus, maar hij was bang om verkeerde stappen te zetten, die hem de beloning zouden laten missen. De vrees van Jezus om maar enigszins uit de wil van de Vader te raken, bezat ook hij. Zo was het ook de liefde van Christus, die hem tegelijkertijd deed uitroepen: ‘Laat u met God verzoenen’.

In Jesaja 8:13 merken wij dezelfde vrees, die toch ook in elk kind van God aanwezig is, namelijk om iets te doen wat niet overeenkomt met de heiligheid van de Heer. Jesaja riep de trouwe volgers in Juda op om op te passen voor de zonde van het volk onder leiding van koning Achaz, die een bondgenootschap was aangegaan met de vijand, namelijk de koning van Assyrië (2 Kon.16).

Deze vrees van de Heer is het begin van de wijsheid, zegt de Spreukendichter (NBV: Wijsheid begint met ontzag voor de Heer). Zij drukt de eerbied, het respect, het ontzag, maar ook de liefde uit die wij voor de Allerhoogste hebben. Angst voor Hem hebben wij gelukkig niet, want wij bezitten volle vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom. Als wij echter uit de handen van de vijanden zijn verlost, mogen wij naar de belofte, de Heer dienen ‘zonder angst’ toegewijd en oprecht, altijd levend in zijn nabijheid (Lucas 1:74,75). Daar leven wij naar toe!