De tegenwoordigheid van God

Manifestaties van satan

Hij had een volkstuintje precies tegenover het flatje waar wij als jonggetrouwden woonden. Toen hij op een dag andijvie in overvloed had, belde hij bij ons aan en bood mij een maaltje aan. We kenden hem wel. Hij was een enkele keer in de samenkomst geweest. Nadat ik hem een kopje koffie gegeven had, raakten we aan de praat. Hij vertelde het een en ander over zichzelf en plotseling schrok ik. Hij had het er namelijk over, dat hij stokjes bezat die konden bewegen en die zo letters van het alfabet konden aanwijzen. Hierdoor kreeg hij antwoorden op vragen die bij hem leefden. Ik wist: dit is occult. Dit is heel gevaarlijk.

Ik lichtte een oudste van de gemeente, die hem beter kende, in. Deze ging op een dag naar zijn huis en legde hem uit dat occulte handelingen als deze het geestelijk leven ernstig kunnen schaden. De man werd woedend en raakte buiten zichzelf. Toen de oudste voor hem ging staan en met opgeheven vinger de machten bestrafte, week hij achteruit tot in een hoek van de kamer. Hier bleef hij staan, precies onder een plankje waar een Boeddhabeeld op stond. Terwijl hij omhoog keek, zei hij: ‘Ik moet bij dit beeld blijven’. Toen de oudste verder ging met het bestraffen van de demonen, kwam de man tot rust. De oudste raadde hem aan ogenblikkelijk de stokjes, het Boeddhabeeld en andere mogelijke occulte zaken weg te doen uit zijn huis.

Toen de oudste ons later vertelde wat er gebeurd was, begreep ik waarom het mij opgevallen was dat er iets duisters over deze man lag, en waarom zijn blik zo donker was. Wat een geluk dat we zicht hebben op de realiteit van de geestelijke wereld, waaronder ook het rijk van de duisternis. Een afgodsbeeld is op zichzelf natuurlijk niets. Dat zegt 1 Corinthiërs 10:19 ook: ‘Wat wil ik zeggen? Dat een afgod iets is?’ En het antwoord op deze retorische vraag is natuurlijk: ‘Nee’. Wel bestaan er echter demonen die met zo’n afgodsbeeld verbonden zijn. Paulus vervolgt namelijk zijn betoog met de woorden:

  • ‘Hun offeren is een offeren aan demonen en niet aan God’. En hij voegt er dan nog aan toe: ‘Ik wil niet, dat u één wordt met demonen’.

Dat kan dus gebeuren: gemeenschap hebben met boze geesten, doordat je bezig bent met bovennatuurlijke dingen van de duistere kant. Mensen die zich ingelaten hebben met heidense godsdiensten, met spiritisme, waarzeggerij, enzovoort, kunnen daardoor onder de druk van de demonen gekomen zijn. Occulte toestanden ademen een beklemmende sfeer uit. Daarom zullen wij geen spiritistische seance meemaken en ons niet de toekomst laten voorspellen. Ook zullen we geen – uit het Oosten meegebrachte – afgodsbeelden op onze kast zetten. Zulk soort zaken zijn ‘de Heer een gruwel’ (Deut.18:12).

De manifestatie van Gods heerlijkheid

De duivel is in staat een reële tegenwoordigheid te manifesteren. Er is een klimaat van het rijk van de duisternis. Er kan een beklemmende bedreiging op je afkomen. Naast dit rijk, dit klimaat is er gelukkig ook het rijk van God, het is mogelijk Gods aanwezigheid te bespeuren. God kennen wij door zijn Woord, vooral uit het Nieuwe Testament, waar Jezus de afdruk is van zijn wezen. Trouwens, zijn tegenstander kennen we ook uit de Bijbel: ‘Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend’ (2 Cor.2:11).

De vraag is: kent u God ook, doordat Hij merkbaar aanwezig is? Leeft u in het klimaat van God, in zijn tegenwoordigheid, ziet u de kracht van God? Hij is immers de Machtige, de Sterkere, Hij is toch Koning! En dat niet alleen. In de Bijbel vinden wij talloze voorbeelden van gevallen waarin God duidelijk zijn tegenwoordigheid manifesteerde. Zo lezen we in 1 Koningen 8:10 hoe een wolk het huis van de Heer vulde:

  • ‘zodat de priesters vanwege de wolk niet konden blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid van de Heer had het huis van de Heer vervuld’.

Dat de duivel zijn aanwezigheid laat merken door een wolk, is een feit, maar is het niet een heerlijk idee, dat de Heer hetzelfde en veel meer kan doen, maar dan in positieve zin? Dat Hij een geur ten leven van ons kan doen uitgaan?

In het leven van Jezus zien wij hetzelfde gebeuren. Op een dag ging Jezus met zijn leerlingen de berg op, de eenzaamheid in. Toen veranderde zijn gedaante ‘en zijn gelaat straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht’. Kort daarna: ‘overschaduwde hen een lichtende wolk, en zie een stem uit de wolk zei: ‘Deze is mijn Zoon.’ De heerlijkheid van God die op dat ogenblik in Jezus openbaar werd, deed de leerlingen op hun gezicht vallen en zij werden ‘erg bang’. Voor hen was de tegenwoordigheid van de Heer nog iets angstwekkends. Zij hadden immers de doop in Heilige Geest nog niet ontvangen.

Toen Jezus gevangen genomen zou worden door de gewapende soldaten en de dienaren van de overpriesters, zei Hij op een gegeven ogenblik alleen maar: ‘Ik ben het’ (die u zoekt). Op hetzelfde ogenblik viel het hele leger tegen de grond. Het waren niet simpelweg die drie woorden, die de soldaten neervelden. Het was een wereld van kracht, die deze mannen heel reëel ervoeren en die hen krachteloos maakte. In Handelingen 15:12-15 vertelt Lucas dat door de handen van de apostelen tekens en wonderen gebeuren:

  • ‘zo zelfs dat men de zieken op straat droeg, zodat; wanneer Petrus voorbij kwam, ook maar de schaduw op iemand van hen zou vallen’. En in Handelingen 19 lezen we dat de zweetdoeken van Paulus naar de zieken gebracht werden: ‘zodat hun kwalen weken en de boze geesten uitvoeren’.

In een occulte samenkomst ervaart men de bedreigende tegenwoordigheid van de demonen en ook de funeste gevolgen daarvan. Maar waar Gods kinderen eensgezind bijeen zijn voor God, zal zijn heerlijkheid zo aanwezig kunnen zijn, dat daardoor als het ware ‘automatisch’ de zieken zullen genezen, ja, zelfs de boze machten wegvluchten, zonder dat ze daartoe speciaal aangesproken zijn.

Gods tegenwoordigheid is niet slechts het verstandelijk accepteren van de waarheid: ‘Waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden’. Het is een geloven en ervaren dat Hij duidelijk merkbaar aanwezig is met zijn heerlijkheid. Met zijn tegenwoordigheid. Met zijn werkelijk bestaande kracht. Met zijn klimaat en zijn sfeer. In een samenkomst waar dit reëel ervaren wordt, zal je boven je zorgen opgeheven worden. De zieken zullen kunnen genezen en zelfs de gebondenen zullen bevrijd kunnen worden.

Als de Heer zelf aanwezig is, verandert alles. Dan kan het gebeuren, dat Gods Geest op zo’n geweldige wijze openbaar wordt, dat – net als in de tijd van de apostelen – de plaats bewogen wordt (Hand.4:31). Dan zal iedere aanwezige opnieuw een volheid van Gods Geest ervaren, met het gevolg, dat het Woord Gods met vrijmoedigheid gesproken wordt. Er zal een machtig getuigenis uitgaan naar de wereld en velen zullen zich bekeren.

Gods heerlijkheid voor ieder persoonlijk

Wat God wil doen voor en in de gemeente, wil Hij ook doen voor ieder afzonderlijk. Mozes was bij uitstek de man van het oude verbond die dit beleefde. Al bij zijn roeping ervoer hij op overweldigende wijze de tegenwoordigheid van de Heer bij het brandende braambos. Toen hij jaren later van de berg Sinaï afdaalde, nadat hij de wet van God in ontvangst had genomen, straalde zijn gelaat, ‘doordat hij met Hem gesproken had’ (Ex. 34:29). Hij moest zelfs een doek om zijn gezicht winden, omdat het volk de heerlijkheid van God, die op zijn gelaat weerspiegeld werd, niet verdragen kon. Aan ons, die in het nieuwe verbond leven, belooft God nóg groter heerlijkheid. Paulus zegt: ‘Het is ons, die met onverhuld gelaat de glorie van de Heer als in een spiegel zien, gegeven om herschapen te worden tot een steeds heerlijker gelijkenis met Hem, door de Geest van de Heer’ (2 Cor.3:18).

De heerlijkheid die van ons zal afstralen, openbaart zich niet alleen in het woord dat we spreken. Het is een duidelijke ervaring van Gods tegenwoordigheid in ons leven. Van iemand die zwaar gebonden is, hoort men wel eens zeggen: het is of de duivel uit zijn ogen kijkt. Iemand kan een klimaat van duisternis bij zich hebben. Iemand die een ontmoeting met de Heer gehad heeft, iemand die leeft in de tegenwoordigheid van God, iemand die ‘met Hem gesproken’ heeft, zal dat ook uitstralen. Hij zal het goddelijke klimaat om zich heen hebben. In de eerste plaats zullen zeker de vruchten van de Geest in zo’n leven aanwezig zijn:

  • ‘liefde, blijdschap, vrede, vriendelijkheid, geduld, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing (Galaten 5:22).

Deze heerlijke dingen – door de Geest van God zélf bewerkt – komen niet naar buiten, doordat we er over spreken. Ook niet door uiterlijk vertoon. Ze stralen uit het hele wezen van de gelovige naar buiten, zodat er onmiskenbaar een goddelijke sfeer om zo iemand heen is. Paulus spreekt van de ‘gezindheid die ook in Christus Jezus was’. Wanneer het karakter van Jezus zo met ons eigen karakter verweven is, geldt ook voor ons: ‘Want u hebt u met Christus bekleed’. God kan een mens die grote heerlijkheid laten uitstralen. Kijk maar naar het eerder genoemde voorbeeld van Paulus en Petrus, die de tegenwoordigheid van God zo reëel bij zich hadden, dat mensen die alleen maar in hun omgeving kwamen, werden genezen en bevrijd.

Tenslotte kan Gods tegenwoordigheid zo groot zijn in iemands leven, dat hij dingen gaat zien, die een ander nog niet ziet. Dat hij groter inzicht gaat krijgen in de dingen van het Koninkrijk van God. Niet door scherpzinnige analyse van de feiten die men kent, maar door openbaring, door de heerlijkheid van zijn tegenwoordigheid zal men Gods bedoelingen gaan begrijpen.

Paulus getuigt van zichzelf: ‘Ik ken een christen die veertien jaar geleden – in het lichaam of buiten het lichaam, ik weet het niet, God weet het – werd weggerukt naar de derde hemel. Van die mens weet ik dat hij werd weggerukt naar het paradijs en onzegbare woorden vernam, die geen mens mag uitspreken’ (2 Cor.12:2). Weliswaar mocht hij de woorden die hij gehoord had, niet uitspreken. Maar sinds die heerlijke belevenis was zijn visie volkomen veranderd en kon hij voor tallozen tot zegen zijn. Ook Johannes maakte op Patmos iets dergelijks mee:

  • ‘Ik raakte in geestvervoering op de dag van de Heer, en ik hoorde achter mij een stem, luid als een trompet, die riep: ‘Schrijf wat u ziet op in een boek en stuur het aan de zeven gemeenten’ (Openbaring 1:10-11).

God wil zijn heerlijkheid als een kleed om ons heen hangen. Het is meer dan een rationele beschouwing over wat wij geloven. Het is een duidelijke aanwezige kracht, een klimaat, een sfeer, die aanwezig kan zijn bij waarachtige kinderen van God. Niet altijd wordt dit begrepen. Als Jezus zieken geneest en boze geesten uitdrijft, zeggen de Farizeeën: ‘Alleen door Beëlzebul, de opperdemon, drijft Hij de demonen uit’ (Matth.12:23). Het is voor ongeestelijke of de door de duivel overweldigde mensen moeilijk te doorgronden of iets werkelijk van de Heer is. Zij zullen zelfs grotere weerstand in zich voelen opkomen als reactie op de manifestatie van zijn heerlijkheid.

Dat zien we bijvoorbeeld bij Stefanus gebeuren. Doordat hij ‘vol was van Heilige Geest’, ervoer hij heel duidelijk de aanwezigheid van God. Zijn ogen gingen er op heel spectaculaire wijze voor open. Lucas zegt dan ook van hem: ‘Maar hij stond daar, vol van de heilige Geest, hij richtte zijn blik op de hemel, zag de heerlijkheid van God, en daar stond Jezus aan Gods rechterhand. Hij zei: Ik zie de hemelen open en ik zie de Mensenzoon staan aan de rechterhand van God’. Hier was geen sprake van een rationeel erkennen van de rijkdom van Gods Woord. Er was een extra dimensie aanwezig van heerlijkheid en kracht. En juist die kracht die ook door de Joden ervaren werd, maakte hen woedend (Hand.7:55,56). Als iemand de ‘gezindheid van Christus’ niet heeft, zal hij niet kunnen beoordelen of een kracht van God komt.

Het omgekeerde is ook waar. De duivel die de na-aper van God is, kan ook krachten en ‘beweging’ veroorzaken. Het gevaar bestaat, dat er gelovigen zijn, die dit ervaren als zijnde van God. We mogen echter streven naar de gaven van de Geest, waaronder ook het ‘onderscheiden van geesten’. De mens die zelf vol is van Heilige Geest, zal een klimaat, een kracht, een sfeer op de juiste manier onderkennen. In zijn contact met broers en zusters zal hij zoeken naar die innerlijke verwantschap, die mensen ervaren, op wie Gods heerlijkheid rust.

Ook in de gemeente zullen Gods kinderen zoeken naar een reële tegenwoordigheid van Gods heerlijkheid. Naar de aanwezigheid van zijn kracht, zodat ook onder ons gezegd kan worden: ‘Er was kracht om te genezen’. Niet alleen naar het lichaam, maar zeker ook naar geest en ziel. Weten we dat het fout is een occulte samenkomst te bezoeken, dat we geestelijk aangetast kunnen worden door de machten van de duisternis als we ons met bovennatuurlijke zaken (van de verkeerde kant) inlaten, evenzo goed weten wij dat we een rijke zegen zullen meedragen, dat we Gods redding zullen ervaren als we in het midden van de gemeente zijn.

Gods reële tegenwoordigheid zal heel wat meer doen dan alleen ons verstand bereiken. Dat is zeker: wie de onderlinge samenkomsten verzuimt, zal deze zegen mislopen. Voor ons is het zaak te erkennen en te geloven dat deze reële aanwezigheid van Gods heerlijkheid inderdaad bestaat. Dat we staan voor God en leven in gemeenschap met Hem om haar te verkrijgen. Dat we bidden en vertrouwen, dat God haar ons ook werkelijk geven wil. Het is belangrijk dat we regelmatig ‘saamhorig bijeen’ zijn in de verwachting van een aanraking van zijn Geest. Beleefden de christenen van de eerste gemeente op deze wijze geweldige dingen, ook voor ons in het laatste van de dagen heeft God deze heerlijkheid weggelegd. De belofte van Haggaï over de tempel van de Heer mogen ook wij ons toe-eigenen:

  • ‘De luister van deze tempel zal groot zijn, nog groter dan voorheen – zegt de Heer van de hemelse machten – en van hieruit zal Ik jullie vrede en voorspoed geven – zegt de Heer van de hemelse machten’ (Haggaï 2:9).