De komst van het Koninkrijk

  • ‘Maar als Ik met de hulp van de Geest van God de demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God over u gekomen’  (Mattheüs 12:28).

De bediening van het geheimenis

‘De verborgen dingen zijn voor de Heer, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen’, zei Mozes tot de kinderen van Israël. Veel godsdienstigen en in het bijzonder zij die de toekomstprofetieën bestuderen, hebben zich voorbarig gespecialiseerd in de uitlegging van de ‘verborgen dingen’ en hebben deze en daarmee ook zichzelf vastgelegd in schema’s, dogma’s en leringen. Twee van die mysteries, die de Bijbel noemt, zijn het herstel van het volk Israël en de opname van de gemeente in een ondeelbaar ogenblik.

De ontsluiering van deze geheimen wordt gegeven, wanneer het laatste Bijbelboek in vervulling gaat, wanneer bij de zevende of laatste bazuin:

  • ‘het geheime raadsbesluit van God in vervulling zal gaan, zoals Hij het heeft geopenbaard aan zijn dienstknechten, de profeten’ (Op.10:7).

Voor die tijd kunnen wij slechts doen als de profeten van ouds, die wensten te begrijpen en onderzoek deden op welke en wat voor soort tijd de Geest van Christus in hen doelde (1 Petr.1:11). Wij doen er daarom verstandig aan ons in deze materie niet te binden aan bepaalde inzichten of uitleggingen. Een geheimenis dat ons wel geopenbaard is, is dat van het Koninkrijk der hemelen of het Koninkrijk van God (Matth.13:11 en Marc.4:11). Voor de toekomstmysteriën geldt: ‘Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden (dus ook de omstandigheden) te weten’ (Hand.1:8). Maar van het Koninkrijk der hemelen geldt:

  • ‘Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen en in het licht te stellen hoe het geheim verwerkelijkt moet worden dat van eeuwigheid verborgen was in God, de schepper van alles (dus op dezelfde manier verborgen als voor ons de verborgenheid van Israëls herstel en de opname), opdat nu aan de heerschappijen en de machten in de hemelse gewesten, door middel van de gemeente, de rijk geschakeerde wijsheid van God bekend zou worden. Zo was zijn eeuwig voornemen, dat Hij uitgevoerd heeft in Christus Jezus, onze Heer’ (Ef.3:9-11).

De komst van het Koninkrijk der hemelen staat in nauw verband met het uitdrijven van boze geesten, want ook voor ons geldt: ‘Als wij met de hulp van de Geest van God de demonen uitdrijven, dan is het Koninkrijk der hemelen onder ons gekomen’. Onze strijd is niet tegen sterfelijke mensen, maar tegen de goddeloze demonen in de hemelse gewesten (Ef.6:12). Tot het volk Israël, die een schaduw vormde van de kinderen van het hemelse Koninkrijk, zei de Heer steeds: ‘Doe het kwaad uit uw midden weg.’ Voor verschillende zonden kon door belijdenis en offers verzoening gezocht worden, maar voor veel kwaad kon geen verzoening op deze manier gevonden worden.

Wanneer er een geval was van hardnekkige ongehoorzaamheid of duidelijk aanwijsbare demonische invloed, zoals afgoderij, toverij, waarzeggerij, moord, verschillende vormen van onreinheid enz., was er geen andere manier om de kwade geest te verbannen dan de man of vrouw letterlijk te doden. Hoe geheel anders wordt dit bij de komst van het Koninkrijk van God. Alle overtredingen, ook de zwaarste, worden verzoend door het offer van het Lam van God. Zijn bloed reinigt van alle zonden.

Bovendien komt in dit Koninkrijk de kracht van Gods Heilige Geest openbaar, Die machtig is om scheiding te maken tussen de mens en de onreine, boze geest, die hem onder zijn heerschappij houdt. Zoals onder het oude verbond alles berustte op: doe dit en u zult leven, zo was ook de uitbanning van het kwaad door offers of het doden van de wetsovertreder, daaraan onderworpen. In het nieuwe verbond zegt God: ‘Ik zal’, en daarom gaf Hij het offer en bracht zijn Zoon het offer en daarom reinigt zijn Geest door het bloed van Christus en het uitwerpen van boze geesten. Zo ligt het in Gods bedoeling de mens te zuiveren van ieder besef van kwaad.

Hoewel de oude profeten hierover wel gesproken hadden, bleef het voor hen een geheimenis, maar Paulus spreekt over de openbaring van dit mysterie en over de bediening van dit geheimenis. Deze veelkleurige wijsheid is als een labyrint van genade, waarin wij doordringen en die ons brengt op een terrein, waar aardse zintuigen en menselijk verstand nutteloos zijn. Een terrein waar men alleen door geloof binnengaat. De machten van de lucht zullen de kracht van God ervaren door mensen, die getrokken zijn uit de duisternis en overgeplaatst zijn in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde. Deze volgelingen van de Zoon van God doen wat Hij deed: zij drijven demonen uit door hun woord en de resultaten worden zichtbaar in bevrijding en verlossing van gebonden zielen.

Wanneer in 1 Corinthe 6:10 en 11 gesproken wordt over mensen, die in de gemeente van God waren en die vroeger doodzonden hadden begaan, waarvoor zij uit de gemeenschap van oud-Israël door hen te doden hadden moeten verdwijnen, kon dit alleen omdat de demonen uit hen geworpen waren en teruggedreven. Door het bloed van Christus werden zij gereinigd, van het kwaad afgescheiden en in gemeenschap met Christus en zijn volk hersteld. In de latere eeuwen van de kerkgeschiedenis is deze volle openbaring van het geluk weer verdwenen. In de middeleeuwen zien wij dat de kerk als in het Oude Testament zijn toveressen, waaronder zij ook de geesteszieken telde, weer ging doden en door het ombrengen van ketters zich probeerde te zuiveren.

Het eeuwig evangelie geeft zicht op de krachten van het Koninkrijk en op de opdracht om door het uitwerpen van duivelen het kwaad uit de gemeente weg te doen. Wie een grondige reiniging van de gemeente wil verwachten, zal het gebruik van deze krachten moeten aanvaarden als basis van het geloof. Anders is het onmogelijk een zuiver beeld van de toekomst te vormen. Zonder deze krachtdadige toebereiding zal het onmogelijk zijn dat een gemeente zonder vlek en zonder rimpel geopenbaard wordt. Iedere toekomstbeschouwing die het ware evangelie verwerpt, is daarom in wezen onschriftuurlijk en gevaarlijk.

Zijn vijanden onder zijn voeten

De strijd van Christus en van de kinderen van het Koninkrijk gaat niet tegen mensen van vlees en bloed, maar rechtstreeks tegen de demonen in de lucht. Het doel is de werken van de duivel te verbreken en de mens te herstellen naar het beeld van de Mensenzoon. De opgestane Heer zit op de troon van de Vader en heerst als Koning, begenadigd met alle macht in hemel en op aarde, totdat Hij al deze vijanden onder zijn voeten gelegd heeft. In deze strijd wordt de gemeente ingeschakeld, want zij vormt het lichaam waaraan zich de voeten bevinden en wanneer zij de goddelozen onder haar voeten vertreedt, doet zij dit door de kracht die in haar woont en door de Geest die haar leidt (1 Cor.15:25-27; Mal.4:3).

Jezus zei dat zijn leerlingen macht hadden om op slangen en schorpioenen de voeten te zetten en tegen het hele leger van de vijand en dat niets hen kwaad zou kunnen doen (Luc.10:19). Jezus heeft alle macht in de hemelse gewesten en Hij maakt ons tot koningen en priesters, opdat wij met Hem deze autoriteit uit zullen oefenen. Wij dragen zijn Naam en dat betekent gezag en kracht. Als wij demonen uitdrijven in zijn Naam, wil dit niet anders zeggen, dan dat wij dit doen in zijn kracht en op zijn gezag. In de strijd tegen de boze geesten is het absoluut nodig, dat wij ons bewust zijn van onze positie. Daarom bouwen wij ons door middel van de gaven van de Geest op in het volkomen vertrouwen dat Christus in ons woont als hoop van de heerlijkheid. Dan kunnen wij tegen het rijk van de duisternis strijden en overwinnen.

Eenmaal riepen de demonen tot de Heer: ‘Ha, wat hebt U met ons te maken, Zoon van God!’ Zij zagen de kloof, de oneindige scheiding tussen het licht en de duisternis. Als wij uit de duisternis getrokken zijn en overgezet in het Koninkrijk van Jezus Christus, hebben zij met ons ook niets te maken, In deze zekerheid ligt onze overwinning. De schepping wacht op dit openbaar worden van deze zonen van God.

De Heilige Geest of Beëlzebul

Wanneer de Heer het uitwerpen van duivelen signaleert als de komst van het Koninkrijk der hemelen, is het ditmaal omdat de farizeeën hem beschuldigden, dat Hij de demonen verdreef in opdracht en door de kracht van Beëlzebul (‘heer’ van de woning of mesthoop). Dit was de lastering tegen de Heilige Geest. Als de farizeeën tegen de persoon van Jezus gestreden hadden, zoals Saulus als eerlijk en oprecht man in zijn onwetendheid, het zou hun vergeven zijn, maar: ‘wee hun, die het kwade goed noemen en het goede kwaad, die duisternis voorstellen als licht en licht als duisternis.’ Hoe zouden deze leiders ooit door het werk van de Heilige Geest tot bekering kunnen komen, als zij de werking van de Geest voor het werk van satan hielden? Bekeren is toch zich afkeren van de duivel en de duisternis en het aangezicht wenden tot God en het licht. Daarom sprak Jezus hen aan, als Hij in hen de zwarte gestalten en helse gedrochten ziet: addergebroed en slangen. Zij waren uit de vader, de duivel, de grote leugenaar en daarom probeerden zij Jezus, die de waarheid was, te doden.

Hoe waren zij zo geworden?

Het antwoord is: door hun onoprechtheid. Het is een gevaarlijke bezigheid om leider te zijn in het werk van God en tegelijkertijd de duivel lief te hebben, de Mammon te aanbidden en onder de macht te staan van demonen van hoogmoed, eerzucht en laster. Vrome demonen kenmerken zich altijd door het onderhouden van uiterlijke dingen: het onderhouden van sabbatten, een opvallende kleding, een tale Kanaäns, het vasthouden aan voorvaderlijke gewoonten en tradities en leringen van mensen en kerkelijke organisaties met daarnaast hoogmoed, hardheid van oordeel en onrechtvaardigheid tegenover de tegenstander. Vrome leugengeesten zullen nooit de kenmerken van het Koninkrijk van God dragen: rechtvaardigheid, vrede en blijdschap.

In een bediening kwam eens een vrouw naar voren. Zij vertelde ons haar nood. Voortdurend werd zij geplaagd door angstgedachten en vrees. Zij vertoonde dezelfde tekens als mensen gewoonlijk hebben, die bij waarzeggers, spiritisten of magnetiseurs geweest zijn. Bijna altijd hebben deze slachtoffers een neerslachtige geest. In samenkomsten kunnen zij blij en opgewekt zijn, maar zodra zij de sleutel in de huisdeur steken, is hun blijdschap verdwenen. De Heer gaf ons in het hart deze vrouw te vragen in welke omgeving zij groot geworden was. Het antwoord luidde, dat zij bij een zeer zware richting hoorde die velen beletten het Koninkrijk van God binnen te gaan. Toen wij haar vroegen of zij ‘gekneld lag in banden van de dood’ en ‘de angst voor de hel haar alle troost deed missen’, knikte zij. Deze woorden waren geen belijdenis na grove zonden of zware ziekte, maar een essentieel deel van haar vroegere ‘christelijk geloof!

Toen deden wij, wat wij nog nooit gedaan hadden. In de naam van Jezus bonden wij deze vrome demonen, deze leugengeesten van traditie en leringen van mensen. Ook braken wij de banden met de omgeving zoals wij dit meerdere malen gedaan hebben bij hen, die aan occulte machten gebonden waren. Deze vrouw ervoer een machtige bevrijding. Toen wij haar de handen oplegden, ontving zij de Heilige Geest en met de handen ten hemel, begon zij plotseling de Heer te loven en te prijzen in talen.

Adders en slangen

Het kenmerk van adders en slangen is, dat zij een gespleten tong hebben. Zij spreken woorden uit de Bijbel en gebruiken ze tot eigen verderf. De komst van het Koninkrijk gaat gepaard met de opdracht: ‘Genees zieken, wek doden op en drijf boze geesten uit.’ Waar een mens vrij is van alle banden die hem met het rijk van de duisternis binden, is het Koninkrijk van God met kracht gekomen en worden de zonen van God geopenbaard. Om deze redenen zien wij juist in onze tijd, waar wij de terugkomst van de Heer verwachten en de toebereiding van de bruid, dat de Heer weer werkt als in het begin. Als de demonen door de Geest van God uitgedreven worden, dan is ook bij ons het Koninkrijk van God onder u gekomen!