De groei van Gods Koninkrijk

  • ‘Met het koninkrijk van God gaat het als met iemand die zaad op zijn land heeft gestrooid. Vanzelf draagt de aarde vrucht, eerst de groene spriet, dan de aar, dan het graan in de volle aar’ (Marcus 4:26-28).

Het zaad

De apostel Paulus roept in het laatste hoofdstuk van zijn brief aan de Filippenzen op om al wat waar is en al wat waardig is te bedenken. Maar: wat is waarheid? Kunnen wij werkelijk weten wat waar is? Het antwoord van de apostel is dan: ‘En breng in praktijk wat u geleerd en overgeleverd is, en wat u van mij hebt gehoord en gezien. Dan zal de God van vrede met u zijn’ (Fill.4:8,9). Paulus kon zeggen:

  • ‘Volg mijn voorbeeld’ (1 Cor.4:16).
  • ‘Wordt mijn navolgers, zoals ook ik Christus navolg’ (1 Cor.11:1).
  • ‘Wordt allen mijn navolgers, broers!’ (Fil.3:17).

Wanneer de Heer zijn evangelie over deze wereld prediken laat, is Hij als een mens die goed zaad in de aarde werpt. De eerste christenen waren navolgers van Jezus. Zij spraken zoals Hij en zij handelden zoals Hij en zij droegen de smaad van het evangelie zoals Hij. Heel het leven en de leer van Jezus Christus gaat over de nieuwe mens, die naar het beeld van God geschapen is tot alle goede werken. Daarom brengen zij het evangelie van redding en verlossing, genazen zij zieken en dreven zij duivelen uit. Zo maakten zij het Koninkrijk van God in navolging van hun Meester tot een heerlijke realiteit op aarde.

Een Grieks geleerde in het midden van de tweede eeuw moest dit ook erkennen. Hij schildert het leven van de eerste christenen zo:

  • ‘Zij scheiden niet en leggen geen vals getuigenis af; zij eigenen zich geen hun toevertrouwde goederen toe en zij verlangen niet naar iets wat niet van hen is. Zij eren hun ouders en doen goed aan hen, die dichtbij hen staan en ze oordelen rechtvaardig. Zij nemen hun onderdrukkers voor zich in en maken hen tot hun vrienden en hun vijanden doen zij goed. Hun vrouwen zijn rein, o keizer, als jonkvrouwen, en hun dochters zijn zacht en hun mannen onthouden zich van alle onreinheid op grond van de hoop op de komende vergelding, die in de andere wereld geschieden zal.
  • Op grond van de liefde, die zij hebben voor de slaven en slavinnen en de kinderen van dezen, die sommigen bezitten, onderwijzen zij dezen, opdat zij ook christenen worden. Wanneer dezen christenen geworden zijn, noemen zij hen broers zonder enig verschil te maken. Zij aanbidden de vreemde goden niet, maar wandelen in alle nederigheid en goedheid, en leugen wordt bij hen niet gevonden. Zij hebben elkaar lief; de weduwen vergeten zij niet en zij bevrijden de wezen van degenen, die hun kwaad doen.
  • Wanneer zij horen dat één van hen gevangen is of onderdrukt wordt vanwege de Naam van hun Messias, maken zij allen zijn zaak tot de hunne en indien het mogelijk is hem te bevrijden, dan bevrijden zij hem. Als er een onder hen is, die gebrek lijdt en arm is en ze zijn zelf niet welgesteld, dan vasten zij twee of drie dagen, opdat zij de armen iets te eten kunnen geven. Iedere morgen en op alle ogenblikken denken zij aan Gods weldaden hun bewezen, loven en prijzen zij Hem en danken Hem voor eten en drinken’.

Het zaad dat Jezus Christus in de wereld gestrooid had, was goed zaad. Het was hemels zaad, omdat de kracht van het Koninkrijk der hemelen erin was. De heidenen wisten dat het christendom het hele bestaande staatkundige en burgerlijke leven van de grond af ging veranderen. Het christendom was in die dagen een bewuste en onbuigzame oppositie tegen de macht van satan in zonde, ziekte en gebondenheid. Daarom kwamen zij met de heidense religie in conflict en werden zij als één, aan de mensen van deze wereld vijandige sekte beschouwd. Een religie meer of minder deed er niet toe in het grote Romeinse rijk, maar deze kinderen van het Koninkrijk waren onaanvaardbaar, zoals hun Meester onaanvaardbaar is geweest en zijn volgelingen altijd zullen blijven.

De halm (de groene spriet)

In de gelijkenis van het zaad sprak de Heer ook over de verdere ontwikkeling. Er zou een tijd komen dat halmen op de akker van deze wereld gezien zouden worden. Wie langs een korenveld rijdt, zegt waarschijnlijk: ‘Dit is tarwe.’ Dit is echter maar gedeeltelijk waar. Wanneer men de halm in zijn eerste ontwikkeling bekijkt, mist men het essentiële van het graan, namelijk de korrel. Niet de halm, maar het koren is het doel van de boer. Naast de korenhalm groeit ook al snel het onkruid en omdat de vrucht gemist wordt, is het haast onmogelijk het verschil tussen tarwe en sommige vormen van onkruid te ontdekken.

Er is een periode ontstaan, waarvan wel gezegd kan worden, ‘dat Christus zijn gemeente in stand houdt’, maar dat het volle koren ontbreekt. De plant draagt wel de naam van allerlei kerken, maar mist de wezenlijke kenmerken van het graan. In de Bijbel wordt gesproken over een tijd van grote afval en ontrouw. Deze wordt gekenmerkt door een schijn van godsvrucht, een uiterlijk vertoon, maar het verloochenen van de kracht. In een andere gelijkenis zei de Verlosser, Die de waarheid is, over de tijd, dat allen zouden insluimeren, zowel wijze als dwaze maagden. In die tijd (die inmiddels al eeuwen aan de gang is) zegt men dat men wel bij een kerk hoort, wel bidt, zingt en samenkomsten bezoekt, maar tegelijkertijd heeft men de wereld lief. Het verbasteringsproces is begonnen. Het model zoals de Heer en de apostelen dit getoond hadden, is losgelaten en de leiding van de Heilige Geest is vervangen door de menselijke geest en het verstand.

Met Constantijn de Grote en Augustinus begonnen in de kerk de vervolgingen van de kinderen van God. De grote kerkvader Augustinus zocht naar argumenten, waardoor christenen het recht zouden hebben hun medebroers, de andersdenkenden, te vervolgen. Het verschrikkelijkste ogenblik in de hele christelijke geschiedenis was, toen hij het beginsel opstelde: cogite intrare, dat wil zeggen: dwingt ze om in te gaan! Zelden kwam er een verderfelijker leuze over de lippen van een christen, want hij wilde dit niet verwerkelijkt zien zoals Christus dit deed, toen Deze bij Maria van Magdala zeven duivelen uitwierp en haar zo tot zijn volgelinge maakte, of zoals Hij de bezetene van Gadara verloste van het legioen en zo dwong zich aan hem te onderwerpen. Augustinus wilde dwingen door menselijk geweld en met het zwaard van vervolging.

De zon van het evangelie hield op te schijnen en het werd in de kerk een duistere nacht. Vanaf Augustinus trok de kerk het zwaard en al de van bloed druipende beulen, die in de middeleeuwen hun wrede woede op de ketters koelden, konden zich op de autoriteit van Augustinus beroepen en zij deden dit dan ook! Wij denken ook aan de raadsprotocellen van 1545 in Genève en de houding van Calvijn in de heksenprocessen. De vierendertig zogenaamde pestzaaiers zouden met zalf, bereid uit de uitwerpselen van de duivel, de klinkers voor de woningdeuren hebben besmeerd en op deze manier de pest in de stad hebben gebracht. Voordat zij verbrand werden, werd aan de vrouwen de rechterhand afgehakt en de mannen werden met gloeiende tangen gemarteld, waarbij hun lichaam opengescheurd werd.

De geschiedenis van de kerk is er een van bloed en tranen, van onrecht en geweld en het ombrengen van miljoenen levens, die dierbaar waren in Gods oog. Naar welke tijd kunnen wij terugkijken en zeggen: deze tijd verlangen wij ook? Men zegt wel eens: deze mensen handelden naar de geest van hun tijd en zo was het ook. Daarom werden zij in hun tijd ook acceptabel bevonden, maar deze geest van de tijd is steeds die van de overste van deze wereld en niet die van Christus. Hoevelen konden en kunnen met de apostel zeggen: ‘Word mijn navolgers, zoals ik Christus volg en wat u van mij gehoord en gezien hebt, pas dat toe in de praktijk’? Daarom kan de kerkgeschiedenis nooit onze maatstaf zijn. Een beroep op de vaderen is teruggrijpen naar de tijd dat uit het gezaaide graan een halm opgeschoten was, naar de tijd van de slapende en sluimerende maagden, naar de tijd van afval en verbastering.

De aar

‘Dan de aar.’ Wij danken de Heer voor de ontsluiering van het geheimenis van het Koninkrijk van God. Het blijft niet, zoals het geweest is. Uit de halm komt tenslotte de aar. Het groeiproces naar de volheid gaat beginnen. Wat eeuwenlang belangrijk geacht werd, krijgt niet meer de nadruk. Wat verborgen is geweest, komt weer aan het licht. De volheid van de tijd breekt aan. De wereld en met haar het christendom maakt zich gereed voor de eindfase van de historie.

Onze tijd is geheel verschillend van vorige eeuwen. De wetteloosheid is toegenomen. Het getal van opnieuw geboren en met Gods Geest vervulde christenen is sterk afgenomen. Onze methoden, onze gebruiken, onze inzichten staan vaak los van de voorbijgegane tijd. Wij leven in een totaal andere tijd. Er is een tijd aangebroken die nooit eerder is geweest. Wij kunnen ons daarom niet conformeren met de kerken, die al eeuwen geloven in valse leringen als de uitverkiezing en erfzondeleer. Evenmin achten wij de belijdenisgeschriften van doorslaggevend belang zoals de kerken doen, wanneer de vele moderne en valse profeten vandaag langs onze deuren en huizen gaan. Tegen hen vinden wij geen verweer in de oude geschriften.

Onze gedachten gaan uit naar de oogst, naar het rijpe graan en naar de volheid. Jezus leert ons rekening te houden met de toekomst en niet achterom te kijken. Het tijdperk van de aar, waarin wij nu leven, vestigt alle aandacht op wat komen gaat, het graan in de volle aar. Onze aandacht is niet bij de halm, maar het koren, dat aan het groeien is. Wij hopen dat bij velen de ogen worden geopend, dat de late regen begint te vallen en velen met Heilige Geest gedoopt kunnen worden. Deze late regen is nodig, omdat anders de plant geen vrucht zou dragen. Daarom worden wij opgewekt om te streven naar al de gaven van de Heilige Geest. Deze zijn noodzakelijk tot opbouw van de vrucht. Het geheim van het ware evangelie is, dat het niet teruggrijpt naar de gavenloze eeuwen van de halm, maar naar het begin, zoals het zaad was in de tijd dat het gestrooid werd.

Het graan in de volle aar

Wat is nu eigenlijk het geheim van het hele groeiproces? Het antwoord luidt, dat de korrel die men in de volle aar ziet, precies lijkt op die eerst werd gezaaid. Alleen spreekt de Redder en Verlosser in het begin van Marcus 4 over het verschil in aantal: het gaf vrucht dertig, zestig en honderdvoud. Het volle koren is gelijk aan wat gezaaid is. Gods kinderen zullen eenmaal hier op aarde wandelen, zoals Hij gewandeld heeft. Zij zullen navolgers van Jezus zijn, zij zullen zijn liefde, zin kracht en zijn nederigheid vertonen. De werken die Hij gedaan heeft zullen zij ook doen en grotere (Joh.14:12)! Prijs de Heer voor zo’n evangelie en zulke beloften.

Eeuwenlang heeft de slang ons de hiel vermorzeld, de kracht ontroofd met de blijdschap en de vrede, maar de overwinning komt in het einde. Jezus zei: ‘Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen het hele leger van de vijand’ (Luc.10:19). Christus zal door zijn gemeente in de eindtijd de slang de kop vermorzelen: ‘Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten onderworpen heeft’ (1 Cor.15:27). De voeten van onze Heer Jezus Christus horen bij zijn lichaam, dat is de gemeente. Daarom staat er van Hem geschreven: ‘nog slechts wachtend op het ogenblik dat zijn vijanden als een voetbank voor zijn voeten worden gelegd’ (Hebr.10:13). De kinderen van God zullen met Hem overwinnaar zijn. De oogst wordt rijp en: ‘wanneer de vrucht zover is, slaat hij er meteen de sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst.’

  • Lezers, ken uw tijd. Geloof het evangelie, zoals Jezus Christus het zelf gebracht heeft!