De gemeente

Jezus Christus: Bouwer van de gemeente

In Jezus Christus is de oorspronkelijke gedachte van God ten aanzien van de mens te herkennen. In zijn leven op aarde kwam het functioneren van de mens naar Gods bedoeling in alle volheid naar voren. Wie naar de wil van God wil leven, zal dit voorbeeld moeten volgen. God heeft de mens hiervoor bestemd: om gelijkvormig te worden aan het beeld van de Zoon in doen en laten. Jezus heeft niet alleen een voorbeeld nagelaten, door zijn verlossingswerk heeft Hij het ook voor alle mensen opnieuw mogelijk gemaakt om werkelijk mens te zijn en alsnog te gaan beantwoorden aan het doel van God.

Ondanks alle zonden en overtredingen, is het mogelijk door persoonlijk geloof in Jezus Christus en in zijn werk vergeving van zonden te ontvangen. Daardoor kan men loskomen uit elke overheersing van geestelijke vijanden en herenigd, verzoend worden met God. Jezus wil dopen in Heilige Geest en zo van binnen uit het menselijk wezen herstellen, genezen, vernieuwen. De visie op het oorspronkelijke plan van God is daarbij het uitgangspunt. Deze weg is door Jezus getoond en vrijgemaakt. Daarom is het mogelijk om uit te groeien naar wat God van voor de grondvesting van de wereld voor ogen stond: de mens van God.

Gemeente

De mensen die zich voor zo’n geestelijke ontwikkeling inzetten, kunnen samen vorm geven aan de gemeente. Dit huisgezin van God is echter meer dan een willekeurige verzameling van mensen van God. Juist het als ‘één lichaam’ functioneren van mensen samen, doet de werkelijke en door God bedoelde waarde van het gemeente-zijn naar voren komen. Waar mensen fundamenteel innerlijk één zijn, vormen zij samen een eenheid. Het gemeente-zijn in al haar volheid komt tot uiting, wanneer mensen onder leiding van Jezus Christus uitgroeien tot mensen van God en zich tegelijkertijd laten invoegen in de gemeente. Zo ontstaat het lichaam, bestaande uit veel leden die in één Geest gedrenkt zijn. Het ‘uitgroeien’ en ‘invoegen’ moet samen op gaan. Waar het één blijft steken, kan het ander geen doorgang vinden. In Jezus vinden wij daarom èn de basis om ieder persoonlijk uit te laten groeien tot mens van God èn de enig juiste, Bijbelse basis t.a.v. het gezamenlijk functioneren van mensen naar de wil van God in de gemeente. Dit geldt voor alle facetten van het gemeente-zijn.

God wil zich een gemeente verwerven, een mensheid, die partner van Hem is tot in alle eeuwigheden. In Hem wil God alles bijeenbrengen, onder één hoofd samenvatten. Jezus is van deze gemeente van de levende God, de hoeksteen de basis. Hij is daarvan de eerste; Hij is de Herder, de Leider, de Voorganger. Hij is het Hoofd van het lichaam. Jezus heeft de opdracht deze gemeente te bouwen, haar te reinigen en te heiligen, te herstellen, te verlossen, te volmaken en stralend voor zich te plaatsen. Voor dat werk heeft God Jezus alles in handen gegeven, Hem met heilige Geest gezalfd.

Jezus was zich van deze opdracht bewust. In Mattheus 16:18 getuigt Hij daarvan: ‘Ik zal Mijn gemeente bouwen’. In dit getuigenis weerklinken de gedachten van God. Jezus wilde zich inzetten om het huisgezin van God voor Hem te verwerven. Hij kende de gedachten van God en was op de hoogte van al Gods bedoelingen. Zijn gedachten waren één geworden met Gods gedachten. Hij kende de mogelijkheden die God in de mens had gelegd. Hij wist voor welk doel de mens geschapen was en dat het gemeente-zijn de mensheid dus als het ware ‘op het lijf geschreven’ stond. Hij wist hoe dit doel in vervulling kon gaan. Hij zag de weg die daartoe leidde: er was maar één weg, dwars door alle hemelen heen. Hij overzag het geheel en wist waar Hij aan begon. Jezus was vanaf zijn jeugd onder Gods directe leiding op deze taak voorbereid. Vol geloof is Jezus aan de invulling van zijn groots en allesomvattend werk begonnen. Hij zette zijn leven daarvoor in.

De mensheid ligt onder de claim van de satan. Er is een volkomen verkeerd beeld van zijn enkel goede Vader ontstaan. De visie op het plan van God is grotendeels verdwenen. Men is blind geworden voor de realiteit in de geestelijke wereld. Op religieus gebied is het een warboel geworden.  

De opbouw en groei van de gemeente komt tot stand door de opbouw en groei van mensen die in Jezus geloven en een persoonlijke relatie met Hem willen onderhouden. Dus door de verkondiging van het woord van de waarheid en de werking van Heilige Geest in mensen. Vandaar dat Jezus begon met het evangelie van God te prediken:

  • ‘De tijd is vervuld en het Koninkrijk van God is nabij gekomen. Bekeer U en geloof het evangelie’ (Marc.1:14,15).

Dit is het enig juiste begin van gemeentebouw: de prediking van het evangelie van het koninkrijk der hemelen. Het evangelie laat zien wie God is en toont de weg tot behoud voor alle mensen door geloof in de persoon en het werk van Jezus Christus.

In het evangelie wordt ook de énige weg gewezen om als mens daadwerkelijk geschikt te zijn voor het Koninkrijk van God en samen met andere mensen gestalte te geven aan de gemeente. Dit evangelie van het Koninkrijk der hemelen is dan ook helemaal verbonden aan het gemeente-zijn. Door geloof in deze blijde boodschap zal de gemeente van Jezus Christus gegrond en gebouwd kunnen worden. Door dit evangelie zal de gemeente tot volheid kunnen komen.

Jezus liet zich in zijn werk door niemand van de wijs brengen. Niet door geestelijke leiders, die Hem vanuit een historisch en vermeend wetenschappelijk verantwoord denkpatroon aanvielen en afwezen, noch door dweepzieke mensen die Hem op hun manier koning wilden maken. Hij zag in elke tegenwerping de opzet van de satan om Hem te dwarsbomen en zijn opdracht te laten mislukken. Jezus ging trouw de weg die de Vader Hem had getoond.

Aan het einde van zijn rondwandeling op aarde bleek er van de grote aanhang die er in een bepaalde fase was geweest, niet veel meer over was. Zelfs binnen zijn eigen leerlingenkring was er één die Hem afvallig was geworden. In de zichtbare wereld leek Jezus van elk succes verstoken te zijn en zijn opdracht om een gemeente te bouwen in eerste instantie totaal te zijn mislukt. Toch bleef Jezus in de rust. Door zijn onvoorwaardelijke overgave en gehoorzaamheid aan de Vader – vanuit volmaakte liefde tot zijn Vader – kon Jezus volharden tot het einde.

Jezus was bezig een eeuwig fundament te leggen voor zijn gemeente. Dit fundament is zo door en door goed, zo hecht en sterk, dat op basis hiervan de hele mensheid en de hele schepping weer opgericht zou kunnen worden. Op Golgotha overwon Hij de duivel en zijn hele leger. In het dodenrijk predikte Hij het evangelie aan de geesten die in de gevangenis zaten, de mensen in het dodenrijk en beroofde Hij de dood van zijn kracht. Na zijn opstanding getuigt Jezus: ‘Ik ben levend tot in alle eeuwigheden en Ik heb de sleutels van dood en dodenrijk; Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’ (Matth.28:18). Het is precies gegaan zoals God het had bedoeld. In de hemel is de ‘rots’ ontstaan, waarop alles in de toekomende tijd komt vast te staan. Daar is de hoeksteen gelegd voor de bouw van de tempel. Daar is het begin van de gemeente van de levende God in alle volheid tevoorschijn gekomen.

Na zijn sterven voor onze zonden en het opstaan voor onze rechtvaardiging, is Jezus naar de hemel gegaan. Hij heeft, na de reiniging van de zonden tot stand gebracht te hebben, zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in de hoge. Vanuit die verhoogde en verheerlijkte positie wil Jezus nu vorm geven aan zijn gemeente, met alle mogelijkheden die Hem door God zijn gegeven.

Jezus is door de Vader in staat gesteld mensen te dopen in Heilige Geest. Door deze doop worden mensen met Christus verbonden. Door deze Geest kunnen vele afzonderlijke mensen – door hun gezamenlijke verbondenheid met één Heer ook samen één geheel worden, waardoor de gemeente vorm krijgt. Door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen en allen zijn met één Geest gedrenkt, zegt Paulus. Het werk van Jezus in en door de heilige Geest is dus essentieel in de bouw van de gemeente. Elk mens mag in dit werk een medewerker zijn.

Gemeentebouw

Jezus roept ons op het werk, dat Hij op aarde is begonnen, onder zijn leiding vanuit de troon voort te zetten. Wij moeten dit doen zoals Jezus dit zelf deed. Wij geloven hetzelfde evangelie en zullen dat prediken en bezig zijn vanuit dezelfde gedachtewereld en visie als Hij. Jezus wil ons hierom kennis geven van geluk en redding, onze gedachten vernieuwen, onze ogen verlichten en door zijn Geest ons alles te binnen brengen wat hiervoor nodig is. Onze gedachten mogen één worden met Gods oorspronkelijke gedachten; Gods verlangens mogen onze verlangens worden.

Overal waar mensen tot erkenning van deze waarheid komen en dit evangelie in geloof aanvaarden, is het mogelijk om te gaan functioneren naar de oorspronkelijke bedoeling van God. Ook wordt hierdoor de mogelijkheid ontsloten om onder leiding van de Heer gezamenlijk met anderen het gemeente-zijn vorm te gaan geven. Deze twee aspecten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zo wordt het plan van God gerealiseerd.

We zullen Jezus nooit los zien van zijn gemeente. We zijn geroepen tot gemeenschap met de Zoon. Dit houdt in dat we geroepen zijn om als een levend lid van zijn gemeente te functioneren. Het openbaar worden van Jezus’ terugkomst is allereerst een openbaar worden in zijn gemeente, een met verbazing gezien worden in allen, die tot geloof zijn gekomen. Daarna zal Hij gezien worden met de zijnen. Jezus en zijn gemeente zullen samen een eenheid vormen in de komende tijdperken (aeonen).

Meerdere plaatsen

Jezus werkt vanuit zijn positie op de troon, bekleed met alle macht in hemel en op aarde, door aan de realisatie van Gods plan met de mens. De leerlingen hebben onder zijn leiding dit werk op aarde voortgezet. Zij predikten het evangelie en velen kwamen hierdoor tot geloof. De Heer voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden. Zo ontstond de eerste (plaatselijke) gemeente te Jeruzalem. Door de zware vervolging die in die dagen tegen deze gemeente ontstond, werden allen verstrooid over de streken van Judea en Samaria en Galilea. Deze mensen trokken het land door, het evangelie verkondigende. Hierdoor kwamen op allerlei plaatsen mensen tot geloof. Hetzelfde gebeurde in Fenicië, Cyprus en Antiochië. Overal waar mensen, Joden en niet-Joden, besnedenen en onbesnedenen dit evangelie hoorden, werkte Jezus door en er ontstonden ‘spontaan’ kringen van gelovigen, die uitgroeiden tot plaatselijke gemeenten. Petrus erkende:

  • ‘Nu weet ik zeker dat God geen aanzien van de persoon kent, maar dat iedereen, ongeacht het volk waar hij bij hoort, Hem welgevallig is als hij godvrezend is en gerechtigheid doet. U kent het woord dat Hij de Israëlieten heeft gezonden, de goede boodschap van vrede door Jezus Christus – deze is de Heer over allen!’ (Hand.10:34-36).

Door de zendingsreizen van onder meer Paulus ontstonden er nog veel meer plaatselijke gemeenten, ook in andere werelddelen. Het woord van de Heer had snelle voortgang en hierdoor breidde de gemeente zich over een steeds groter gebied uit. De woorden van Jezus ‘U zult Mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot de uitersten van de aarde’ begonnen gestalte te krijgen. Waar men zijn eeuwig evangelie blijft prediken, gaat in alle mensen op alle plaatsen de door God bedoelde groei plaatsvinden naar Hem toe, die het Hoofd is, Christus.

Jezus kende uit eigen ervaring de beperkingen van het aardse bestaan ten aanzien van plaats en tijd. Tijdens zijn leven op aarde kon Hij ook niet overal tegelijk zijn. Dat was voor Hem geen belemmering om volkomen naar de wil van God te leven en diens plan te volvoeren. Overal waar Hij was, wilde de Vader zich in en door Hem openbaren aan de mensen. De boodschap van redding en verlossing kwam zodoende op allerlei plaatsen tevoorschijn. Na zijn dood en opstanding vielen voor Hem alle beperkingen van plaats en tijd weg. Vanuit de troon kan Hij nu door de Heilige Geest alles in allen tegelijk bewerken. Hierdoor kan Jezus het wereldomvattende werk samen met zijn gemeente(n) uitvoeren.

Voor de plaatselijke gemeenten gelden op dit moment dezelfde beperkingen van plaats en tijd. Maar ook nu geldt dat dit voor de mensen, die deel uitmaken van een plaatselijke gemeente, geen enkele belemmering hoeft te vormen om volkomen naar de wil van God te leven en het werk van Jezus uit te voeren. Overal waar een gemeente zich vormt, zal de Heer zich in en door zo’n gemeente openbaren. De verlossing mag op veel plaatsen tevoorschijn komen met alle heerlijke gevolgen van dien. Gelovigen in plaatselijke gemeenten zullen in gemeenschap met Hem tot geestelijke volwassenheid uitgroeien. De zonen van God zullen – net als Jezus zelf destijds – rondgaan, goed doende en allen genezende, die door de duivel overweldigd zijn. Het evangelie van het Koninkrijk zal in grote kracht gepredikt worden, waardoor mensen tot erkenning van de waarheid zullen komen.

De gemeente zal tot volheid komen. Dit zal de terugkomst van Jezus met de zijnen mogelijk maken. Degenen die in Christus ontslapen zijn, zullen opstaan en verenigd worden met degenen die levend achtergebleven zijn. De gemeente zal in haar geheel verheerlijkt worden, waardoor ook voor haar de aardse beperkingen van plaats en tijd definitief wegvallen en alle mogelijkheden van de hemel zullen open komen. Het herstel van de totale schepping is dan volledig mogelijk. Dit zal tijdens het duizendjarige rijk – waar Openbaring 20 over spreekt – plaats gaan vinden.

De duivel en zijn rijk, de dood en het dodenrijk zullen aan het einde van deze periode door Jezus en zijn gemeente overwonnen worden en hun doden moeten afstaan. Bij deze laatste en algemene opstanding van de doden zullen degenen die tijdens hun leven het goede hebben gezocht, ontwaken tot eeuwig leven. Zij zullen in overvloedig deel krijgen aan het leven van God. Dit heeft Jezus hen al bij zijn verblijf in het dodenrijk in het vooruitzicht gesteld. Ook deze mensen zullen volledig hersteld worden en hun plaats krijgen in de gemeente. Hierdoor zal er uiteindelijk één universele gemeente ontstaan van alle tijden, uit alle plaatsen, uit alle stam, volk en natie: één lichaam onder één Hoofd samengevat, naar het oorspronkelijk plan van God met mensen.

De Gemeente van Jezus Christus ‘bestaat’ uit plaatselijke gemeenten; elke gemeente is een waardige verschijningsvorm van deze Gemeente. Jezus spreekt elke plaatselijke gemeente aan als ‘Zijn Gemeente’. Hij wil in haar het beeld van ‘de Gemeente van de levende God’ tevoorschijn laten komen. Het gemeente zijn zal zich zodoende in alle volheid op vele plaatsen tegelijk manifesteren. Dat is de bedoeling van de Heer voor het hier en nu. Een mooie illustratie van deze gedachte vinden we in de aanhef van de eerste brief van Paulus aan de Corinthiërs. In hoofdstuk 1:2 staat: Aan de gemeente van God te Corinthe. In de grondtekst staat: ‘Aan de gemeente van God, zoals zij in Corinthe aan de dag getreden is…..’.

Elke gemeente die naar de wil van God leeft, mag erop rekenen dat ‘de poorten van het dodenrijk haar niet zullen overweldigen’ (Matth.16:18). Het zevenvoudige ‘wie overwint’ uit Openbaring 2 en 3 mag als belofte voor alle gemeenten worden gelezen en bewaard. Een plaatselijke gemeente die Bijbels bezig is, is in het kader van het hele wereldgebeuren dan ook geen ‘armzalig groepje goed bedoelende mensen’. Jezus zegt in Lucas 12:32: ‘Wees niet bevreesd, kleine kudde! Want het heeft uw Vader behaagt u het Koninkrijk te geven’. Het relatief ‘klein’ zijn in aantal van een gemeente hoeft niet bepalend te zijn voor haar karakter en plaats in de hemelse gewesten.

Levend lid

De gemeenschap met Jezus Christus zal met name binnen plaatselijke gemeenten concreet werkzaam worden. Daar kan men uitgroeien tot zonen van God en deel krijgen aan de heerlijkheid van Jezus Christus. Dit geeft ieder volledig de ruimte om Gods plan onder leiding van Jezus nauwkeurig uit te werken. Het is van groot belang dat ieder persoonlijk de plaats en verantwoordelijkheid als levende lid van de gemeente goed verstaat. Door de opbouw en groei van de gemeenten groeit de Gemeente.

De groei van de gemeente is verbonden met de groei van de mensen die deel uitmaken van de gemeente. Hiermee wordt dus niet de toename in aantal bedoeld, maar de groei van ieder lid afzonderlijk naar het Hoofd toe, Christus. Dit is de diepste kern van gemeentebouw: de mogelijkheden die God in mensen heeft ingeschapen en waarvan Jezus bij het bouwen van zijn Gemeente uitgaat. Het werk van Jezus begint in het hart van de mens. Als Jezus daar kan werken, kan hij werken aan zijn Gemeente.

  • Als ik groei, groeit de Gemeente waarvan ik een levend lid ben.

Alle vermogens die de mensen zijn gegeven, zullen in gemeenschap met Jezus worden ontwikkeld. De individuele invulling van de roeping tot gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon, maakt de vervulling van de taak van de gemeente mogelijk. Elke persoonlijke overwinning is een overwinning voor de gemeente en doet het plan van God met de Gemeente verder tevoorschijn komen. Elk gemeentelid heeft de opdracht om te bouwen en te werken aan de gemeente.

Jezus wil zorg dragen voor de eenheid van de Geest in de gemeente. Dat de vijand hier op alle mogelijke manieren op af is gekomen en de eenheid binnen een gemeente verstoort, is vanuit de geschiedenis bekend. Dit is gebeurd door de innerlijke eenheid in de mens aan te tasten. Alles wat de eenheid in mensen verstoort, werkt verstorend op onderlinge eenheid. Vooral de leidinggevenden in de gemeente zijn hiervoor gevoelig, omdat de satan juist door hen de grootste scheuringen kan veroorzaken. Vaak is de drang om alles zelf te willen regelen en controleren hierbij een van de oorzaken. Ook overtrokken aandacht en erkenning zijn struikelblokken gebleken. Dit doet echter niets af aan de mogelijkheden die door Jezus voor alle mensen op alle plaatsen ter wereld zijn geopend. Deze zijn er nog steeds. De verlossing van de mens door Christus, is ook de basis waarop de Gemeente in Christus kan worden gebouwd.

Leden van één lichaam

Wat is nu de plaats en taak van elk gemeentelid afzonderlijk en hoe luidt de opdracht naar elkaar toe als leden van één lichaam? Paulus zegt hierover in Efeziërs 4:16:

  • ‘Christus is het Hoofd waaruit heel het lichaam, hecht verbonden en bijeengehouden door de steun van al zijn gewrichten, naar de kracht die elk deel is toegemeten zijn volle wasdom bereikt en zichzelf opbouwt in liefde’.

Ieder lid van de gemeente heeft een duidelijke plaats en taak in het functioneren van de plaatselijke gemeente. Paulus spreekt niet over de kracht van sommige leden, maar over de kracht die elk lid uitoefent. Voor Jezus is elk mens belangrijk en God wil ook dat alle mensen behouden worden, dus allemaal volledig inzetbaar en geschikt zijn voor zijn Koninkrijk. Deze persoonlijke inbreng in het gemeentegebeuren is niet uit te drukken in een aantal ‘speciale taken’ die in elke gemeente uitgevoerd moeten worden. Daar gaat het hier niet om. Daarvoor heeft God sommigen aangesteld. Het gaat hier om een uitoefening van kracht die ieder lid kan inbrengen: de inzet van zijn persoonlijk leven.

Paulus geeft in aan hoe hij de persoonlijke inbreng van ieder lid in de bouw van de gemeente ziet. Hij gaat daar uit van een compleet fundament in het leven van iedere gelovige. Hij noemt dit fundament hier kortweg Jezus Christus. Een fundament is nog geen gebouw; wanneer het fundament gelegd is, zal daarop doorgebouwd moeten worden. En juist dit is een zaak waarin Paulus de gelovigen een persoonlijke verantwoordelijkheid toeschrijft: Ieder moet wel toezien, hoe hij daarop bouwt. Hij raadt elke gelovige aan om door te bouwen met goud, zilver en kostbaar gesteente. Dit zijn geen andere materialen dan waar het fundament mee is gelegd; het zijn dezelfde onvergankelijke ‘bouwstoffen’. 

We mogen in vol geloof op dit fundament blijven bouwen, waardoor uiteindelijk ons vernederd lichaam veranderd zal worden, zodat het aan het verheerlijkt lichaam van onze Heer Jezus Christus gelijkvormig wordt. Men moet op alle aspecten van het fundament in eigen leven verder bouwen, zodat het leven van God in het persoonlijk bestaan niet in een fundamenteel stadium blijft steken, maar juist in volheid zal verschijnen en bestand zal blijken tegen het vuur. Wie op deze manier binnen de gemeente van Jezus Christus bezig is ‘zichzelf op te bouwen in de liefde’, geeft de juiste invulling aan de verdere opbouw op het fundament.

Hierdoor oefent de opnieuw geboren mens een grote, positieve kracht uit in de gemeente. Hij laat in zijn leven het geloof, de hoop en de liefde blijven. Hij leeft bewust in twee werelden tegelijk, streeft de liefde na en streeft naar gaven van de Geest. Bij dit alles doet hij de Heer Jezus Christus aan en laat in zijn gedrag de gezindheid van Christus naar voren komen. Zijn aanwezigheid en inzet in de gemeente heeft effect. Hij verzuimt de onderlinge bijeenkomsten niet, er kan op hem worden gerekend. Zijn woorden en werken hebben waarde, zijn werk is niet vergeefs in de Heer. Wanneer de vijand hem aanvalt of achtervolgt, bereikt deze zijn doel niet. Hij gaat met zijn hele hart in op de prediking van het evangelie en hanteert het in de praktijk van alle dag; hij heeft er deel aan. Hij neemt toe in kennis en inzicht, in wijsheid en grootte en genade bij God en bij mensen.

In Colossenzen 2:19 wordt gesproken over het lichaam, de gemeente, door banden en pezen ondersteund en samengehouden. Paulus doelt hier op het gemeenschappelijk bezig-zijn van de leden en de waarde die dit voor de gemeente heeft. Het samen met anderen geloven in één God schept een bijzondere band. Het samen gemeenschap hebben met één Heer brengt onderlinge eenheid teweeg. Het samen geloven in één waarheid geeft de verbondenheid die God van het begin tussen mensen heeft bedoeld. Het samen gedoopt zijn in één Geest en het besef samen te horen tot één gemeente geeft de mogelijkheid om dit gemeente-zijn in al haar facetten te beleven. Samen strijden, samen overwinnen, samen visie hebben op één doel en daar samen alles voor inzetten. In dit alles is de liefde van onschatbare waarde. In Colossenzen 3:14 staat: ‘En doe bij dit alles de liefde aan, als de band van de volmaaktheid’. De liefde is ook hierin ‘allesbepalend’. Het zal de volmaaktheid teweeg brengen: een volheid in eigen leven en een volheid in de gemeente.

Door op deze manier met elkaar in de gezindheid van Christus om te gaan, ontstaat er in de gemeente het klimaat van het Koninkrijk. Wanneer we verwachten dat er veiligheid en geborgenheid is in de gemeente, ontstaat dit niet ‘als vanzelf’. We zullen daar zelf in gemeenschap met de Heer door ons gedrag uiting aan geven. Wij rekenen elkaar het kwade niet toe, omdat wij enerzijds scheiding maken tussen de mens en de macht en anderzijds vergevingsgezind zijn. Wij reiken elkaar vol geloof en hoop alles aan om het kwaad te ontwortelen en het goede te doen. Dan zal de duivel geen voordeel behalen.

Structuur

De Bijbel leert, dat God sommigen aanstelt in de gemeente voor een bijzondere taak. In Efeziërs 4:11,12 staat dat Christus aan de gemeente zowel apostelen als profeten geeft, zowel evangelisten als herders en leraars, om alle heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van zijn lichaam. Jezus acht het voor het gezond functioneren van een plaatselijke gemeente noodzakelijk dat er goede leiding wordt gegeven, dat er in de woordbediening een duidelijk en zuiver geluid doorklinkt, dat er concrete Bijbelse pastorale zorg en begeleiding geboden kan worden enz. Dus dat er mensen zijn die namens Hem kunnen spreken, onderwijzen, vermanen, aanmoedigen, leiden en voorgaan. Deze mensen hebben er een taak bij. Zij hebben niet alleen te zorgen voor de opbouw in eigen leven, zij dienen ook zorg te dragen voor de opbouw in het leven van anderen.

In Hebreeën 13 wordt geschreven over voorgangers; op andere plaatsen over opzieners of oudsten. Samen zijn zij verantwoordelijk voor de prediking van het evangelie binnen de gemeente, de bediening van het woord, het hoeden van de kudde van God die bij hen is, de voorbede enz. Zij moeten goede leiding geven aan het hele gemeentegebeuren in de ruimste zin van het woord. Voor de leidinggevenden in een gemeente geldt dat juist zij als geen ander in alle zachtmoedigheid geleid moeten kunnen worden door de Heer. Zij horen vooraan te gaan in het aandoen van innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld, de gezindheid van Christus. Zij zullen de stem van de Heer te midden van alles verstaan en als voorbeeld en van de kudde functioneren. Dan is het ook mogelijk om woorden van God op profetische wijze met kennis, wijsheid en geestelijk gezag door te geven in de gemeente; dan zal de Heer het huis – mee door hen – bouwen.

Deze mensen worden door de Heer voor zo’n bijzondere taak geroepen. Deze roeping zal niet alleen in het hart van de betrokkene(n) klinken, maar ook herkend worden door anderen binnen de gemeente en mogelijk zelfs daarbuiten. In hun leven zullen zij voldoen aan de normen die Paulus aanreikt in 1 Timotheüs 3. Met hun hele hart willen zij vormgeven aan deze taak en bediening. Vol geloof, hoop en liefde zullen zij zich inzetten voor allen die bij hen zijn en die de Heer aan hen toevertrouwt. De Heer zal hun werk bevestigen en zegenen.

De leden van de gemeenten zullen op hun beurt hun voorgangers en oudsten gehoorzamen en zich aan hen onderwerpen, want zij zijn het die waken over hun zielen en zullen daarvan ook rekenschap moeten afleggen. Dit is echter geen opgelegde of blinde gehoorzaamheid, maar een vrijwillige en bewuste keuze en aanvaarding op basis van liefde tot het plan van God en tot de gemeente. Zij dragen hun voorgangers in hun gebeden en omringen hen met alle mogelijkheden en middelen die ter beschikking staan, opdat dezen hun werk met vreugde kunnen doen. Zij zullen hun oudsten die goede leiding geven, eren. Ook ten aanzien van deze wederzijdse inzet en verantwoordelijkheid werkt de liefde als band van de volmaaktheid.

Dit geldt ook voor hen die zich willen inzetten voor het jeugd- en kinderwerk binnen de gemeente. Het jeugd- en kinderwerk is een onmisbaar en wezenlijk onderdeel van het werk van Jezus in zijn gemeente. Het is daarom van groot belang dat zij, die zich voor deze ‘diensten in het lichaam’ willen geven, zelf volledig deel hebben aan de prediking van het evangelie. In de kinder- en jeugdbijeenkomsten zal namelijk hetzelfde ‘geluid’ klinken als in de gemeente en vanuit dezelfde koers worden gedacht, gesproken en gehandeld. Op deze manier ontstaat er aansluiting tussen alle geledingen binnen de gemeente en zullen de kinderen, die in de gemeente harmonieus opgroeien, hun eigen plaats in het lichaam gaan zien en bewust leren innemen.

Er kunnen nog veel meer extra taken genoemd kunnen worden, die binnen een gemeente uitgevoerd moeten worden. Voor allen gelden dezelfde normen. Ook deze taken en bedieningen zullen vanuit een deelhebben aan het evangelie in liefde worden uitgevoerd. Dit komt in alle geledingen, bij alle werk dat binnen de gemeente wordt gedaan, naar voren.

  • De inzet voor het plan van God is de inzet van je leven!

Dat is bepalend, dat heeft verstrekkende gevolgen. De gemeente wordt niet bijeengehouden door de dienst van enkelen in de gemeente; het hecht verbonden zijn ontstaat door de dienst van al zijn delen naar de kracht, die elk lid op zijn eigen manier uitoefent. In zo’n lichaam, zo’n gemeente zal Christus zich volledig kunnen openbaren. Hij zal in haar de groei naar volwassenheid in elk opzicht doen plaatsvinden. Het gaat er in de gemeente niet zo zeer om wat je doet, maar eerder hoe je het doet, met welke visie en op welk doel gericht. Het gaat erom dat ieder persoonlijk bewust vanuit zijn positie in Christus functioneert als levende lid van zijn gemeente en doet waartoe de Heer hem oproept.

  • ‘De God van alle genade, die ons in Christus geroepen heeft tot zijn eeuwige heerlijkheid, zal ons hierin volmaken, bevestigen, sterken en grondvesten’ (1 Petr.5:10).