De gemeente en het Koninkrijk

Het centrale thema van de boodschap van Jezus is het Koninkrijk van God, terwijl als grote gebeurtenis in het Nieuwe Testament, de geboorte van zijn gemeente kan worden genoemd. Een gemeente samengesteld uit geroepenen van de Heer. Zij zijn onderdanen van het Koninkrijk, in wier harten de heerschappij van Christus een realiteit werd, dankzij de bevrijding van de zonde en de overheersing van het rijk van de duisternis.

Gods gemeente en Gods Koninkrijk zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De gemeente van Christus is het instrument waar God zich van bedient voor de vestiging van zijn rijk. Zij manifesteert in deze wereld de kracht van Christus, die ver verheven is boven alle overheden en machten. De gemeente ontving van Christus de opdracht om het Koninkrijk van God te prediken, zodat dit rijk zich zou kunnen uitbreiden tot de einden van de aarde, totdat Christus terug keert en Hij zijn rijk in definitieve vorm vestigt in deze wereld.

Het evangelie van het Koninkrijk

Jezus Christus en zijn leerlingen verkondigden niet alleen een evangelie ‘over’ het Koninkrijk van God. Zij brachten bovenal het evangelie ‘van’ het Koninkrijk. Deze uitdrukking legt de nadruk op het geweldige feit, dat het Koninkrijk van God het voornaamste onderwerp van hun boodschap was. Jezus zelf trok ‘alle steden en dorpen langs en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal’ (Matth.9:35). Sprekend met zijn leerlingen over zijn eigen bediening, zei de Heer:

  • ‘Ook aan de andere steden moet Ik het evangelie van het Koninkrijk van God verkondigen, want daarvoor ben Ik uitgezonden’ (Luc. 4:43).

Jezus liet zijn leerlingen ook zien dat dit evangelie de hele wereld over gebracht zou moeten worden: ‘Dit evangelie van het Koninkrijk zal in de hele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn’ (Matth.24:14). Het ‘einde’ van de wereld zou alleen dan aan de orde komen als de gemeente haar taak om overal het evangelie van het Koninkrijk van God te verkondigen, volledig zou hebben afgerond!

Men moet bij deze taak niet alleen denken aan het doorgeven van de nodige informatie over het Koninkrijk van God. Christus geeft de gemeente de opdracht om het Koninkrijk van God in deze wereld gestalte te geven. Het evangelie is namelijk meer dan een aantal leerstellingen. Meer dan een rijtje gezonde, geestelijke raadgevingen. De waarheid van het evangelie bestaat niet alleen in een theorie, maar in goddelijke kracht die de mens tot bevrijding brengt. De apostel Paulus zei over dit kenmerk van de waarheid in de volgende termen:

  • ‘Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht van God tot behoud voor ieder die gelooft’ (Rom.1:16). En verder: ‘Want het Koninkrijk van God bestaat niet in woorden, maar in kracht’ (1 Cor.4:20).

De komst van Gods Koninkrijk wordt gevestigd door kracht en autoriteit. De boodschap van het ‘evangelie van het Koninkrijk’ richt zich vooral op de verheerlijking van Christus als Koning. Hij is het die als heerser troont ‘boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw’ (Ef.1:21). Dit houdt in dat overal waar dit ‘evangelie van het Koninkrijk’ verkondigd wordt, gebondenen worden bevrijd en zieken genezen.

Zo was dat ook in de bediening van Jezus zelf: ‘En Hij trok rond en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk én genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk. Allen die ergens aan leden en die gekweld werden door een ziekte of door pijn, en ook bezetenen en maanzieken en verlamden werden bij hem gebracht en Hij genas hen’ (Matth.4:23). Toen Jezus zijn leerlingen uitzond om het evangelie van het Koninkrijk te prediken, verleende Hij hun dezelfde kracht en autoriteit die Hij zelf bezat (Matth.10:1,7,8; Lucas 9:1,2; 10:17-19). Het werk van bevrijding vond daarom niet alleen plaats onder de bediening van de Heer zelf. Het wordt immers ook verkondigd door mensen die door Jezus zelf werden geroepen.

De kenmerken van het Koninkrijk

Bij zijn ondervraging door Pilatus antwoordde Jezus: ‘Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld’ (Joh.18:36). Men moet dan ook het rijk van God niet verwarren met een natuurlijk of politiek rijk, zoals bijvoorbeeld de staat Israël dat is. Het Koninkrijk van Christus onderscheidt zich van alle andere koninkrijken van deze wereld, doordat het geestelijk van aard is. Het is geen aards, maar een hemels koninkrijk. Het Koninkrijk van God bestaat niet uit natuurlijke zaken, maar in geestelijke waarden en principes.

  • ‘Het koninkrijk van God is geen kwestie van eten en drinken, maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest’ (Rom.14:17).

Aangezien het hier gaat om een rijk dat specifiek geestelijke waarden vertegenwoordigt, kan het ook niet komen met uiterlijke vormen. Evenmin mag men het Koninkrijk van God houden voor een religie, die alleen bestaat uit gebruiken, tradities en religieuze riten. Aangezien het een geestelijk rijk is, wordt het geboren in het hart van de mens: ‘Het Koninkrijk van God komt niet zó, dat het te berekenen is; ook zal men niet zeggen: zie, hier is het of daar! Want zie, het Koninkrijk van God is bij u’ (Luc.17:20,21). Of zoals de Statenvertaling het nog duidelijker zegt: ‘Het Koninkrijk van God is binnenin u’.

In Jezus’ dagen verwachtten de joden dat de Messias zou komen om de heerlijkheid van het Koninkrijk van David weer terug te brengen. Ze verwachtten dat Hij hun de politieke vrijheid en de economische voorspoed weer zou brengen, zoals ze die onder de regering van David hadden gekend. In Handelingen 15 echter wordt verteld hoe Jacobus over het herstel van dit rijk van David dacht. Hij sprak van het ‘weer oprichten van de tent van David’. En gaf daarbij aan dat dit een verwijzing was naar de gemeente van Christus, waarin zonder onderscheid joden en heidenen verenigd zouden zijn.

Het Koninkrijk van God kwam met grote kracht toen op de dag van het pinksterfeest de gemeente van Jezus Christus geboren werd. Zo maakte het ‘Israël naar het vlees’ plaats voor het ‘Israël van God’ (zie 1 Cor.10:18 en Gal.6:16). In dit Koninkrijk van God nu is er geen ‘sprake meer van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk’ (Gal.3:28 en 6:15).

Wie zijn de ware kinderen van het Koninkrijk?

Oorspronkelijk waren de joden de ‘kinderen van het Koninkrijk’ en erfgenamen van de beloften, gedaan aan David (zie Jes.55:3 en Matth.8:11). Zij werden later echter verworpen vanwege hun ongeloof, terwijl anderen zouden komen om plaats te nemen aan de tafel met Abraham, Izaäk en Jacob in het Koninkrijk van God (Matth.8:11,12). Dit betekent niet dat Israël als volk, als natie, verworpen zou zijn (Rom.11:1). Er zullen kinderen van Israël, zoals de aartsvaders, deel hebben aan de tafel van de Heer in zijn Koninkrijk.

De apostel Paulus constateerde in dit verband dat hijzelf een Israëliet was en zo waren er nog meer in de gemeente. Man mag dan ook nooit stellen dat God zijn rijk van een bepaald volk weggenomen zou hebben om het aan een ander volk te geven. Hij verwierp alleen diegenen die niet in Jezus geloofden. Zo waren het bijvoorbeeld de overpriesters en Farizeeën van wie God zijn Koninkrijk zou afnemen om het te geven aan een volk dat de vruchten daarvan zou opbrengen. Zij begrepen dat zelf heel goed (Matth.21:43-45).

Jezus zei tot het volk: ‘Als jullie gerechtigheid niet méér betekent dan die van de schriftgeleerden en farizeeën, zul je het koninkrijk der hemelen zeker niet binnengaan’ (Matth.5:20). Zondaren, mensen die niet opnieuw zijn geboren, worden uitgesloten van het Koninkrijk van God. De Bijbel noemt o.a.: Ontuchtplegers, afgodendienaars, overspelers, schandjongens, mannen die met mannen slapen, dieven, hebzuchtigen, dronkaards, lasteraars en oplichters (1 Cor.6:10). Onomwonden stelt de apostel Paulus:

  • ‘De uitingen van een zondig leven zijn bekend, zoals ontucht, onreinheid, losbandigheid, afgodendienst, toverij, vijandschap, ruzie, afgunst, woede, intriges, ruzies, partijdigheid, jaloersheden, drinkgelagen, orgieën en dergelijke dingen meer. Ik waarschuw u, zoals ik u al eerder gewaarschuwd heb: wie zich zo misdragen, zullen het koninkrijk van God niet erven’ (Gal.5:19-21).

Bevrijding

Aangezien deze zaken de mens verhinderen om het Koninkrijk van God binnen te gaan, is er bevrijding van de werken van de duivel in zijn leven nodig – zowel van duivelse bezetenheid en gebondenheid, als van de zonde. Jezus zei: ‘Als Ik door de Geest van God de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God over u gekomen’ (Matth.12:28). In Colossenzen 1:13 staat: ‘Hij (Jezus) heeft ons verlost uit de macht van de duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon van zijn liefde, in wie wij de verlossing hebben, de vergeving van zonden’. Aangezien zonden en gebondenheden iemand tegenhouden om het Koninkrijk van God binnen te gaan, raadde Jezus aan om daar korte metten mee te maken en radicaal naar bevrijding te zoeken (Marc.9:47). De erfgenamen van het Koninkrijk van God zijn dan ook diegenen wier harten werden veranderd en gereinigd. Of wel: die uit de Geest geboren werden (Joh.3:3,5) en die de wil van de Vader doen (Matth.7:21).

Een van de belangrijkste eigenschappen, die men nodig heeft om het Koninkrijk van God te erven, is trouw. De kinderen van het Koninkrijk zijn niet van deze wereld en daarom haat de wereld hen (Joh. 17:14). Zij lijden verdrukking en vervolging vanwege hun liefde voor Christus. Om die reden is het Koninkrijk van God alleen voor de trouwe en onwankelbare ware christenen. Jezus zei tot zijn leerlingen:

  • ‘Jullie zijn altijd bij Mij gebleven als Ik werd beproefd. Zoals mijn Vader Mij het koningschap heeft aangeboden, zo bied Ik jullie een plaats aan in mijn koninkrijk om te eten en te drinken aan mijn tafel’ (Luc.22:28-30).

Een van de grootste hindernissen om het Koninkrijk der hemelen binnen te gaan is wel de traditie. De mens klemt zich vast aan de hoogmoed van zijn eigen gedachten. Zijn bevooroordeelde, persoonlijke overtuiging blokkeert de eenvoudige waarheden van het evangelie. Het zijn de kinderen die zonder hoogmoed en eigendunk, in eenvoudig vertrouwen de boodschap van God kunnen ontvangen. De nederigheid en ontvankelijkheid van een kind zijn essentieel om de waarheden van het Koninkrijk van God te aanvaarden. Het Koninkrijk van God hoort dan ook aan de ‘nederigen van geest’ (Matth.5:3). De meest nederige in dit Koninkrijk zal altijd de grootste zijn (Matth.18:4).

Niemand kan het Koninkrijk van God erven als hij niet met blijdschap alle andere dingen aflegt en afwijst. We moeten ons volkomen aan dit Koninkrijk wijden. Dit leert ons ook de gelijkenis van de verborgen schat over de man die deze gevonden had vertelt Mattheüs: ‘En in zijn blijdschap erover gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker’ (Matth.13:44-46). Aan de andere kant geeft Jezus ook de belofte: ‘Er is niemand, die zijn huis, zijn vrouw, broers en zussen, ouders of kinderen heeft achtergelaten vanwege het koninkrijk van God, of hij krijgt dat in deze tijd veelvoudig vergoed, en in de komende wereld krijgt hij eeuwig leven’ (Luc.18:29,30).

De uitbreiding van het Koninkrijk van God

Jezus vergeleek het Koninkrijk der hemelen met een mosterdzaadje, dat het kleinste van alle zaden is, maar dat een levenskracht in zich bergt, groter dan welk zaad ook. Als het eenmaal ontkiemd is, wordt het het grootste van alle tuingewassen. Het groeit uit tot een boom (Matth.13:31,32). Het Koninkrijk van God begint op ogenschijnlijk onbelangrijke wijze, maar breidt zich uit met grote kracht. Het groeit en neemt toe als de steen uit de droom van koning Nebukadnezar, die losraakte zonder toedoen van mensenhanden, maar die alle koninkrijken van de wereld verbrijzelde en de hele aarde vulde (Daniël 2:34,35,44).

In de evangeliën lezen we hoe eerst Johannes de Doper en later Jezus en zijn leerlingen de komst van het Koninkrijk verkondigden. Vanaf het einde van de bediening van Johannes de Doper begon dit Koninkrijk door te breken (Matth.11:11,12). Er brak echter ook een moment aan waarop het Koninkrijk van God met kracht kwam. Jezus sprak hierover, toen Hij tot zijn leerlingen zei: ‘Ik verzeker u, er zijn er hier die de dood niet zullen proeven voordat ze hebben gezien dat Gods koninkrijk met kracht gekomen is’ (Marc.9:1; zie ook Matth.16:28 en Luc.9:27). Deze nieuwe krachtsopenbaring van Gods Koninkrijk op deze aarde wachtte op het ogenblik dat Christus naar de hemel zou zijn gegaan en Hij zijn plaats ingenomen zou hebben boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij. Dat was op de Pinksterdag, toen de verheerlijkte Christus zich aan zijn leerlingen openbaarde.

Vóór zijn hemelvaart verscheen Jezus aan zijn leerlingen tijdens veertig dagen; in deze tijd sprak Hij over de dingen van het Koninkrijk van God (Hand.1:3). Maar op de Pinksterdag werd de belofte die God aan David gezworen had, vervuld, dat zijn Nakomeling voor altijd op de troon zou zitten. Deze belofte werd werkelijkheid, toen de Heilige Geest uitgestort werd over de leerlingen van Jezus (zie Joh.7:39). De gemeente van Christus ontstond op de dag van Pinksteren. De Bijbel spreekt over de gemeente, wanneer hij zegt: ‘Hij, die ons liefheeft en ons uit onze zonden verlost heeft door zijn bloed – Hij heeft ons tot een koninkrijk gemaakt’ (Op.1:5,6).

De leerlingen en apostelen vertrokken naar alle kanten om het evangelie van het Koninkrijk te verkondigen (Hand.8:12; 20:25; 28:23). Van Paulus lezen we dat hij vrijmoedig sprak om de Efeziërs te overtuigen ‘over het Koninkrijk Van God’ (Hand.19:8). Zoals het boek Handelingen begint te vertellen over Jezus die het Koninkrijk van God predikte, zo ook eindigt het met het verhaal van Paulus als gevangene, die het Koninkrijk van God verkondigde met alle vrijmoedigheid (Hand.28:31).

De grote opdracht van de gemeente is de uitbreiding van het Koninkrijk van God tot aan het einde van de aarde. Het ‘einde’ zal precies samenvallen met de voleinding van de loopbaan, die Christus aan zijn gemeente gaf. ‘En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de hele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn’ (Matth.24:14). Wanneer de gemeente haar taak op aarde volbracht zal hebben, zal Jezus zijn Koninkrijk in deze wereld definitief en totaal vestigen. Dan zal de Heer afrekenen met allen, die zich niet aan Hem onderworpen hebben en zal Hij de erekrans geven aan hen die trouw geweest zijn (Matth.13:41-43).