De bediening van leraar

  • ‘Wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest die uit God is. Zo weten wij alles wat God ons in zijn genade gegeven heeft. Van die dingen spreken wij ook, niet met woorden die de menselijke wijsheid ons leert, maar met woorden die Gods Geest ons leert, om geestelijke dingen met geestelijke dingen te vergelijken. Maar de natuurlijke mens neemt de dingen van de Geest van God niet aan, want ze zijn dwaasheid voor hem. Hij kan ze ook niet leren kennen, want het kan alleen beoordeeld worden in het licht van de Geest’ (1 Corinthe 2:12-14).

In Efeze 4:11 wordt als vijfde taak gesproken over de bediening van leraar. De hele gemeente hoort de Geest uit God ontvangen te hebben, als men bij het lichaam van Christus wil horen (Romeinen 8:9) en als men wil kunnen begrijpen wat God in Zijn genade geeft. Een ongeestelijke mens, die de Geest van God niet ontvangen heeft, of de Geest bedroeft en uitdooft, kan het niet begrijpen. Zo kunnen de meest heerlijke waarheden van God overkomen als dwaasheid. Deze woorden van Paulus bepalen ons er opnieuw bij dat de gemeente van Jezus Christus een geestelijke zaak is en alles wat de gemeente betreft alleen verstaan en begrepen kan worden door Gods Geest.

Door de Geest geleerd

Het meest belangrijke voor de bediening van leraar is:

  • ‘En daarover spreken wij, geestelijke gaven uitleggend aan geestelijke mensen, met woorden die ons niet door menselijke wijsheid maar door de Geest zijn geleerd’.

Zodra de doop in Heilige Geest verdween – en dat was al heel snel na de dood van de apostelen – verdween ook de bediening van leraar uit de kerken. Er ontstond één grote wereldkerk met aan het hoofd de paus, die ook een grote politieke invloed uitoefende en met zijn wereldimperium nog steeds invloed uitoefent. Zonder Gods Geest is echter het lichaam dood en zo is de kerk geworden tot een wereldgelijkvormige organisatie met regels, bepalingen en wetboeken. Opleidingsinstituten moeten mensen gaan leveren die door veel studie geschikt zijn om kerken te leiden. Dat is tot op de huidige dag nog zo in de gevestigde kerken, waarbij zelfs theologische studenten niet meer hoeven te geloven. Zo is er door de eeuwen heen een heel vertekend beeld ontstaan van de leraarsbediening. Het ‘leraarsambt’ was voorbehouden aan mannen met universitaire opleidingen en imponerende titeltjes. Dus niet meer een spreken met woorden die door de Geest geleerd zijn, maar veel meer voortkomend uit aardse wijsheid.

Jezus – de grootste Leraar

In de Heer Jezus zien we de meest waarachtige Leraar van alle tijden. Als we de evangeliën lezen, zien we Hem voortdurend als Leraar onderwijs geven in de synagogen, aan de menigte en in het bijzonder aan zijn leerlingen. Alles wat Hij zei had wel betrekking op het leven van mensen, maar het betrof een leven vanuit de geestelijke wereld, het Koninkrijk van God. Zijn leer bracht de mens binnen in de bovennatuurlijke, de geestelijke wereld. Hij zelf was niet van beneden, maar van boven. Niet uit de aarde maar uit de hemel (Joh.3:31; 8:23). Hij was het Woord (dat deel van Gods Logos; Joh.1:1) dat vlees was geworden. Hij was het waarachtige geestelijke leven van de mensen en de openbaring van de Vader in de hemel. Wie Hem zag en hoorde, zag en hoorde de Vader. En door Gods Geest sprak Hij woorden die geest en leven waren voor de toehoorders. Wie het probeerde te begrijpen vanuit menselijke wijsheid, ervaarden het als dwaasheid. Hij zegt zelf:

  • ‘Het is de Geest die levend maakt, het vlees helpt niets. De woorden die Ik tot jullie gesproken heb, zijn geest: ze zijn leven’ (Joh.6:63). In Johannes 10:10 zegt Hij: ‘Ik ben gekomen om leven te geven in overvloed’.

Dit hoort ook het kenmerk te zijn van de leraarsbediening zoals genoemd in Efeze 4:11. Het gaat niet om de persoon (het vlees), maar of er woorden gesproken worden die geest en leven brengen in mensenlevens. Niet zozeer dat die persoon veel weet van de Bijbel, want dat kan een natuurlijke gave zijn, maar of de kracht van Gods Geest zó werkt in zijn woorden dat het de toehoorders verlicht, overtuigt en leven geeft. Dat het juk van satan, in leugen en misleiding, verbroken wordt door de waarheid die vrijmaakt.

Onderwijs geven

Er kunnen in de gemeente verschillende mensen onderwijs geven. Het is een genade wanneer iemand de gave heeft om dingen aan de mensen over te kunnen brengen. Romeinen 12:6 zegt: ‘De geestelijke gaven die wij bezitten, verschillen naar de bijzondere genade die ieder van ons is geschonken wie onderwijst, in het onderwijzen’. Sommigen kunnen van nature (als een gave) alles goed op een rijtje zetten, ook Bijbelse zaken en dit aan anderen leren, maar het is niet de ‘leraarsbediening’ zoals bedoeld in Efeze 4 en 1 Corinthe 12. Aan oudsten wordt ook de voorwaarde gesteld dat ze geschikt zijn om te onderwijzen (1 Tim.3:2;  2 Tim.2:24). In Titus 1:8 en 9 lezen we dat een oudste zich houdt aan ‘het betrouwbare woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen’. Dit zijn voorwaarden die mee bepalend zijn of iemand als oudste in de gemeente aangesteld mag worden. En die aanstelling gebeurt door mensen die geschikt zijn deze dingen te beoordelen.

God stelt aan

Maar de bediening van leraar gaat daar bovenuit. Het is een gave die door de Heer, zonder tussenkomst van mensen, aan de gemeenten gegeven wordt. Niemand kan zichzelf de bediening van leraar toe-eigenen. De apostel Paulus schrijft van zijn bediening in Galaten 1:1:

  • ‘Paulus, een apostel, niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus en God, de Vader’. Dat principe geldt voor alle bedieningen. In 1 Corinthe 12:28 schrijft de apostel: ‘En God heeft sommigen aangesteld in de gemeente, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars.’

Het is door de bijzondere genade die de Heer verleent, dat iemand in de bediening van leraar mag dienen in de gemeente met het doel als beschreven in Efeze 4:12-16. Deze bediening zal er ook toe bijdragen dat de eenheid van Gods volk, zoals de Heer dat bad tot de Vader in de hemel (Joh.17:20-23) tot stand zal komen. Efeze 4 begint ook met een uiteenzetting over de eenheid van de gemeente (vs.1-6). Vers 13 zegt: ‘totdat wij allen de eenheid van het geloof bereikt hebben’.

Kenmerken van de leraar

Kenmerkend voor de leraarsbediening zijn: een grote liefde en eerbied voor de geïnspireerde woorden van God, de Bijbel. Maar ook liefde en eerbied voor de mensen waaraan hij de waarheden van God overbrengt. 1 Corinthe 13:2 zegt: ‘maar had ik de liefde niet, ik was niets’. Net als voor de andere bedieningen geldt voor de leraar dat hij een hart moet hebben als de Vader en de Zoon. Voor hem geldt wel heel bijzonder het woord uit Psalm 119:20: ‘Mijn ziel wordt alle dagen verteerd door heimwee naar uw rechtvaardig bestel’. Belangrijk is dat hij gevoelig is voor de Geest van waarheid die in alle waarheid leidt en de toekomende dingen wil openbaren (Joh.16:13-14). Vanuit een goede gemeentevisie zal hij in staat zijn te verstaan wat de Geest aan de gemeenten wil zeggen. De ware leraar zal de waarheid van Gods woord verstaan en de vrijheid, het leven en de liefde van God, die daarin verborgen ligt voor de mensen. Hij zal het woord van God nooit voor iets anders gebruiken, dan om de mensen dichter bij het doel van God en Jezus te brengen.

Nooit mag het woord van God gebruikt worden als een stok om anderen een juk op te leggen. Daarvoor heeft God het niet gegeven en het mag daarom nooit gebruikt worden. Op dat moment is men meer een spreekbuis van boze geesten voor de kerk dan een gave van de Heer aan de gemeente. Ook als er vermanend of corrigerend gesproken moet worden, zal dat voort moeten komen uit een zuiver en liefdevol hart en een goed geweten (1 Tim.1:5). De waarheid van de woorden van God moet echt vrij maken zoals de Heer Jezus zegt (Joh.8:32). Het zal als een reinigend waterbad zijn voor de toehoorders. Het is vooral de bediening van leraars waardoor de gemeente stabiel wordt in de waarheid en niet meer heen en weer geslingerd wordt door allerlei (valse) leringen (Efeze 4:14). Een leraar zal het geestelijke met het geestelijke kunnen vergelijken met woorden die door de Geest geleerd zijn (De vertaling van professor Brouwer heeft: ‘Geestelijke zaken met geestelijke woorden uitleggen’ (1 Cor.2:13).

Hoofd en lichaam zijn één

De gemeente is zeer kostbaar voor God en Jezus en alles wat de gemeente betreft moet niet voortkomen uit menselijke wijsheid, maar door Gods Geest geleerd zijn (1 Cor.12:13). Dat geldt trouwens voor alle vijf genoemde bedieningen. Ook vormt de gemeente een onverbrekelijke eenheid met het Hoofd Jezus Christus. Toen Paulus de gemeente vervolgde zei de Heer Jezus: ‘Saul, Saul, waarom vervolgt u Mij?’ Alles wat in de gemeente gedaan wordt, hoe wij ons gedragen ten opzichte van elkaar, het is nooit los van Jezus, het Hoofd. Je zou kunnen zeggen dat als je een lid vervolgt, pijn doet, kwetst of onteert, doe je dat ook aan het Hoofd, Jezus. De gemeente is zijn lichaam. Het zijn zijn handen, zijn voeten, zijn mond, zijn hulpverlening, maar vanuit het Hoofd is de leiding en de besturing van het hele lichaam. Hier geldt wel heel bijzonder het woord: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig, zegt de Heer’.

Iedereen is kostbaar

Het valt niet mee om los te komen van oude kerkstructuren waar dat besef van het ‘Lichaam van Christus’ geheel weg is en waar alles door ‘gestudeerde’ figuren geregeld wordt van de wieg tot het graf. Ieder gemeentelid is kostbaar en zal ‘mee gebouwd’ worden tot een woonplaats van God in de Geest’ (Efeze 2:22). Niet alleen de leiding en de bedieningen zijn belangrijk, maar ieder gemeentelid, met z’n specifieke talenten en werkingen is kostbaar voor het functioneren van het lichaam en kan niet gemist worden. Het dient weer te gaan functioneren zoals Efeze 4:16 zo prachtig zegt:

  • ‘Hij is het hoofd waaruit heel het lichaam, hecht verbonden en bijeengehouden door de steun van al zijn gewrichten, naar de kracht die elk deel is toegemeten zijn volle wasdom bereikt en zichzelf opbouwt in liefde’.