Betrouwbare priesters

  • ‘Dan zal Ik een betrouwbare priester aanstellen, die naar mijn hart en in mijn Geest zal handelen’ (1 Samuël 2:35a; verg. Openb.11:3).

De Heer Jezus leert ons dat God de Vader, op zoek is naar mensen die Hem aanbidden in geest en in waarheid. God is geest en wie met Hem contact zoekt, zal moeten zijn waar Hij is: in de geestelijke wereld. Wie door de smalle deur (Jezus Christus) het Koninkrijk der hemelen binnengaat en daar zijn wandel heeft, zal net als de Meester, de Vader mogen zien. Jezus prijst immers hen gelukkig die zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien (Matth.5:8).

In het Oude Verbond was een wandel in het Koninkrijk van God niet mogelijk; de deur die toegang moest verschaffen, was nog niet geopend. Johannes 1:18 zegt: ‘Niemand heeft God ooit gezien, maar de eniggeboren God, die rust aan het hart van de Vader, Hij heeft Hem doen kennen’. Sommige oudtestamentische gelovigen verlangden echter er wel naar de berg van de Heer te beklimmen (de kracht van de heilige Geest te ervaren) en te verkeren in Gods heilige woning, de gemeente (Ps.24:3). Ze wensten op te stijgen in de geestelijke wereld. De enige en absolute voorwaarde was: zuiverheid van hart en handen.

Omdat de zondemachten in het oude tijdperk nog niet ontmaskerd en overwonnen waren, hadden ze vrij spel. Met de komst van Jezus is er echter een totaal andere situatie ontstaan in de onzienlijke wereld. Hij heeft de zondeschuld weggenomen en de verzoening met God tot stand gebracht, de demonen openlijk ontmaskerd en hen overwonnen. Elke waarachtige gelovige wordt opgeroepen steeds daar te zijn waar de Meester is en weerstand te bieden aan elke boze geest (Jac.4:7). Het resultaat zal dan zijn dat deze zal wegvluchten. Er is niets waar hij aanspraak op kan maken, er is voor hem geen enkel punt van aanhechting. Het Griekse ‘haptoo’ staat voor ‘zich aanhechten aan’, zoals het vlammetje van een lucifer zich vasthecht aan brandbaar materiaal (1 Joh.5:18; vgl. o.a. Matth.8:15). In dit verband zei Jezus: ‘De overste van de wereld komt en heeft aan Mij niets’.

Een man naar Gods hart

In het Oude Verbond had God gezocht naar mensen wier hart volkomen naar Hem uitging. Hij vond David, een eenvoudige herdersjongen. Zijn afkomst wordt vermeld: ‘de zoon van Isaï’ (Hand.13:22). Want bij God is er immers zonder identiteit geen toekomst. Het getuigenis dat God van hem geeft, is dat hij een man naar zijn hart is en dat hij al Gods bevelen (eigenlijk: wensen, verlangens) zal volbrengen. David heeft zich erop toegelegd Gods gedachten over de mens te doorgronden. Hij roept dan ook in verwondering uit: ‘O God, uw gedachten zijn voor mij te groots, de som ervan is voor mij te machtig’ (Ps.139:17).

Wat God zo waardeerde in ‘de man naar zijn hart’, was zijn volgzaamheid en afhankelijkheid. Dat was het geheim dat leidde tot overwinning in de oorlogen van de Heer. Het was niet alleen zijn dapperheid die hem deed overwinnen, maar ook zijn vertrouwen op en afhankelijkheid van de God van Israël. Zelfs het bespelen van de harp was een vingeroefening in de strijd van de Heer die de boze geest van Saul deed wijken. Hierdoor kwam er voor Saul verlichting en ervoer hij ruimte in de onzienlijke wereld.

Op vele manieren is David echter beproefd. De vijand heeft niets nagelaten om ervoor te zorgen dat de gezalfde van de Heer zou vallen. De gevaarlijkste valstrikken waren die momenten, waarop hij naliet God te betrekken bij zijn handelingen. Onze tekst zegt dat God hem betrouwbaar achtte; God had er dus vertrouwen in dat David zou handelen op een manier die Hem behaagde. Hij moest echter leren alleen te (re)ageren op moeilijke omstandigheden als hij daartoe van Godswege aanwijzingen kreeg. Alleen langs deze weg zou hij als koning geopenbaard worden.

Geen muildier

Bij een aanstaande koning past een koninklijk gedrag. Hierin schoot David helaas vaak tekort. Hij handelde dan niet naar Gods hart en in diens Geest. Na zijn schuldvergeving beschrijft David in Psalm 32 (een leergedicht) hoe God een heerlijke onderwijzing gaf. De Heer zou hem leren over de weg die hij gaan moest. Toen hij zich bij de Filistijnse koning Achis had gedragen als een waanzinnige, had hij gehandeld als een muildier zonder verstand. Dr. Van Deursen zegt in ‘De achtergrond van de Psalmen’ het volgende over muildieren:

  • ‘Hun humeur is niet beminnelijk; zij begroeten ieder die ze nadert met hun achterpoten en dikwijls verplichten zij een onervaren berijder snel af te stappen via de nek in plaats van langs de flanken. Ze schrikken gemakkelijk van alles wat vóór hen komt en jagen mens en dier, die zich achter hen bevinden, angst aan door hun woedend te schoppen. Zij zijn op ongelegen ogenblikken soms zeer weerspannig. Daarom is het muildier beeld van koppigheid en weerbarstigheid en moet het dier gebreideld worden met toom en bit. In de vermaning tot de mens, zich niet te verzetten tegen het goddelijk onderricht, wordt daarom gezegd de Heer met gewilligheid te dienen en niet te weerstaan als zo’n dier’.

De Psalmen geven ons een doorkijkje naar een hoge en verre toekomst. Toch neemt dat niet weg dat ze allereerst Davids persoonlijke ervaring beschrijven. Men kan er een beschrijving in vinden van de toestand van zijn hart in de beproevingen. Ook kan men erin zien welke hulpbronnen hij gebruikte als de verdrukking over hem kwam. Het zijn profetische gezangen die de omstandigheden en de zielstoestanden beschrijven waardoor in de laatste dagen het ware Israël zal heengaan. Zo is Psalm 63 een voorbeeld van de innerlijke ervaring die David doormaakte toen hij in de woestijn van Juda was. Psalm 57 geeft de gevoelens van David weer toen hij voor Saul in de spelonk vluchtte. Hij weet dat God hem redden zal. Het geloof eigent zich de aanstaande redding al toe: ‘Hij zal mij van de hemel zenden en mij verlossen; Hij zal te schande maken’. David geeft het over. Zó toegerust hoeft hij zichzelf niet te wreken. Bij iedere gelegenheid wordt David door de Geest geleid de zaak in Gods hand te stellen. Daardoor kan hij zeggen: ‘Mijn hart is gerust’ (vs. 8).

Een wijze vrouw

God kon hem bewaren voor een groot onheil, toen hij Nabal (een rijke schapenfokker) vroeg om een bescheiden bijdrage als dank voor de bescherming die hij en zijn mannen Nabals herders geboden hadden. De brute afwijzing deed David besluiten zich te wreken op Nabal en zijn mannelijke dienaren en ‘het recht in eigen hand te nemen’ (1 Sam.25:33). Op ontroerende wijze wordt ons verteld hoe Abigaïl (Nabals vrouw) tussenbeide treedt en de schuld op zich neemt. Zij reist David tegemoet met een rijk geschenk (letterlijk: zegen). Zij profeteert: ‘Niemand die tegen u op zal staan om u te doden (denk aan Saul) kan iets uitrichten, omdat u de oorlogen van de Heer voert; de bloedschuld die u op het punt staat over u te brengen, zal een blijvende schaduw werpen op uw toekomstig koningschap. Maar wanneer u nu uw bloedig voornemen laat varen, zult u de bedreven misdaad niet vinden als een struikelblok op uw weg, noch als een kwelling voor uw geweten’. David geeft gehoor aan de smeekbede van deze wijze, onzelfzuchtige vrouw en dankt God dat Hij hem ervoor bewaard heeft, een zware misstap te begaan. David zegent haar, omdat zij hem verhinderd heeft kwaad te doen, wat Gód onteerd zou hebben. Hoe groot was zijn eerbied voor God!

Een les

Voor ons, opnieuw geboren christenen die gezalfd zijn tot priesters en koningen, zit hierin een les. Net als David zullen wij als koningen geopenbaard worden. Ons worden teleurstellingen en verdrukkingen evenmin bespaard. Hoe reageren wij in zulke situaties? Nemen we het recht in eigen hand omdat we ons tekortgedaan voelen? Of leren wij (zoals David) onze moeite de Heer voor te leggen en uit te zien naar zijn oplossing (Ps.5:3-4)? Voeren wij de oorlogen van de Heer (in de hemelse gewesten) of ‘gorden wij het zwaard aan de heup’ om ten strijde te trekken tegen broers of zusters? Laat die gezindheid bij ons zijn die ook in Christus Jezus was. Weerspannigheid noch eigenzinnigheid werd bij Hem gevonden; gewilligheid, gehoorzaamheid en vastberadenheid waren kenmerkend voor zijn leven (Jesaja 50:5).