Oplegging van handen

Saul, broer, de Heer heeft mij gestuurd, namelijk Jezus, Die u verschenen is op de weg waarlangs u gekomen bent, zodat u weer kon zien en in Heilige Geest gedoopt zou worden (Handelingen 9:17).

Het volgende onderdeel van het fundament dat de Hebreeënschrijver noemt, is de oplegging van handen. De vraag komt op: waarom is dat en wie hebben de opdracht voor deze handeling? De oplegging van handen is, net als de doop in water, een uiterlijk teken van iets dat in de onzienlijke wereld gebeurt. Wanneer in de zichtbare wereld de handen op een persoon gelegd worden, betekent dit dat degene die deze handeling verricht, zich geestelijk met hem één maakt; men identificeert zich als het ware met een persoon. In de geestelijke wereld van het Koninkrijk van God houdt dit in, dat een dienstknecht van de Heer die vervuld is met Heilige Geest, iemand claimt voor dit Koninkrijk en een zegen overdraagt. Hij doet dit niet, omdat de eigen menselijke geest met bijzondere krachten begenadigd zou zijn, maar vanwege de kracht van de Heilige Geest waarin hij gedoopt werd en die in hem woont. Van zichzelf bezit hij geen enkele paranormale gave. Zou hij deze toch hebben, dan zal hij eerst zelf bevrijd willen worden van iedere occulte kracht.

Een christen accepteert alleen de gaven van Gods Heilige Geest en niet van misleidende demonen. Wanneer de handen opgelegd worden, komen in de onzienlijke wereld de krachten van Gods Geest in beweging en manifesteren zich de geestelijke wetten van het Koninkrijk der hemelen, zoals in Romeinen 8:2 staat: ‘Want de wet van de Geest van het leven heeft u in Christus Jezus vrij gemaakt van de wet van zonde en dood. De oplegging van de handen is nooit bedoeld als een handeling, om de Heilige Geest te dwingen een bepaalde weg te gaan, maar zij gaat steeds gepaard met geloof in de kracht van God. Zij is middel en voertuig, maar geen bron van deze kracht. Zij kan ook geen voertuig zijn, als degene die de handen oplegt, niet zelf de Heilige Geest ontvangen heeft.

Artikelen: