Geloof in God

Want wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken (Hebreeën 11:6)

Bij het horen van het goede woord van God wordt bij de mens het verlangen gewekt om de ongekende rijkdommen, waarover gesproken wordt, te bezitten: schuldvergeving, gerechtigheid, geestelijke kracht, heiligheid, het kindschap en het zoonschap van God en het koningschap met de uiteindelijke heerschappij op de troon van God over de hele zichtbare en onzichtbare schepping. De Heer Jezus zei: ‘Kom naar Mij toe, allen die moe en belast zijn en Ik zal u rust geven’ (Matth.11:28). Hij had een blijde boodschap voor zondaars, zieken, kreupelen, melaatsen, gebondenen en bezetenen. Hij beloofde om de gevangenisdeuren van de zonde en de ziekte te openen en de ketens van hun slachtoffers te verbreken. Zondeslaven zouden door Hem vrijgesteld worden en zieken van hun kwalen bevrijd.

Wanneer u hongert en dorst naar gerechtigheid voor uw lichaam, ziel en geest, naar een leven van vrijheid en vreugde, wordt bij het horen van het eeuwig evangelie uw wil in beweging gebracht. Deze wordt immers vanzelfsprekend altijd op iets gericht dat aanlokkelijk is. De Bijbel spreekt over: ‘een evangelie van de heerlijkheid van Christus’ (2 Corinthe 4:4). De apostel getuigde in Romeinen 1:16: ‘Ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht van God tot behoud voor iedereen die gelooft’.

Wij hoeven ons voor het evangelie niet te schamen, want het is goed. Het openbaart de gedachten van een liefdevolle, barmhartige en enkel goede God ten opzichte van de mens. Daarom wil de mens het geestelijke contact met de boze geesten verbreken, die hem in wezen nooit blijdschap en vrede schenken. Hij richt zich ook niet meer op wat de aarde kan bieden. Hij richt zich op Jezus Christus en daarmee op het verlossingsplan van God met de mens. Het geloof van de mens grijpt het onzichtbare, want: ‘Het geloof is de zekerheid van de dingen die men hoopt en het bewijs van de dingen die men niet ziet’ (Hebr.11:1). Het geloof richt zich op en eigent zich iets toe, wat niet zintuiglijk waarneembaar is, maar toch vaststaat en niet dubieus is. Daarom staat er: ‘Want wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken’ (Hebreeën 11:6).

Onze God is een sprekende God; daarom richt het juiste geloof zich op zijn Woord (zijn Logos – Joh.1:1), dat eeuwig en onveranderlijk is. Wie niet gelooft dat er een God bestaat, kan zich ook niet bekeren, want hij verwacht immers niets vanuit de geestelijke wereld. Zijn geloof kan zich hooguit richten op de natuurlijke dingen waarover mensen spreken. Het ware geloof concentreert zich echter bovenal op de onzienlijke wereld. Het geloof is een functie van de geest, waardoor de mens de onzienlijke dingen kan grijpen en tot zijn eigendom kan maken.

Artikelen: