Een eeuwig oordeel

Er werden boeken geopend. Toen werd er nog een geopend: het boek van het leven. De doden werden op grond van wat in de boeken stond geoordeeld naar hun daden (Openbaring 20:12).

In het laatste deel van het fundament van het christelijke geloof wordt over ‘een eeuwig oordeel’ gesproken. Dit voltrekt zich, net als de opstanding van de doden, als een proces dat naar de volkomenheid leidt: het is scheiding tussen het goede en het kwade, tussen licht en duisternis, tussen wat bij God hoort en wat van de duivel is. Door ‘een eeuwig oordeel’ werkt God zijn herstelplan met de mens en met de hele schepping uit. Door Jezus Christus brengt Hij het oordeel tot overwinning (Mattheus 12:20).

Er is geen verzoening mogelijk tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad, tussen wat bij God hoort en wat van de duivel is, maar er is alleen absolute scheiding. God verzoent zich niet met de duivel, want deze is de vader van de leugen en de oorsprong van de ongerechtigheid; er is voor hem geen herstel mogelijk, doordat er bij hem geen sprake is van beschadiging, verleiding of overweldiging, want hij is de verdorvenheid zelf.

Bij een ‘oordeel’ (Grieks: crisis = scheiding) worden zaken van elkaar gescheiden die niet bij elkaar horen, bijvoorbeeld gedachten die met elkaar in tegenspraak zijn, waarvan de ene gedachte niet in overeenstemming is met de gedachte van God, maar met die van de satan. De duivel kan niet bidden: ‘Verlos mij van de boze’, want hij is alleen wetteloosheid en er is geen ‘algehele verzoening’.

Tot aan het optreden van Jezus Christus heeft God de zonde op aarde laten geworden; Hij greep niet in om de mens van de zondemachten te scheiden. Om gerechtigheid op aarde te bewaren en niet alles in ongerechtigheid te laten ondergaan, nam God bij de zondvloed de mensen weg: ‘Want Hij zag dat de boosheid van de mensen groot was op de aarde en alles wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was’ (Genesis 6:5). Alleen Noach vond genade in de ogen van de Heer: ‘omdat hij onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man was. Noach wandelde met God’.

Artikelen: