8. Want van U is het Koninkrijk

  • ‘Want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen. Want als u de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader u ook vergeven. Maar als u de mensen hun overtredingen niet vergeeft, zal uw Vader uw overtredingen ook niet vergeven’, Matth.6:13b-15.

Satan verzoekt maar God bewaart, ‘want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid.’ Nu wij met Gods Heilige Geest gedoopt zijn, gebruikt God de verzoeking, zodat wij in het kritieke ogenblik blijven staan en wij niet als een hamer van de steel afvliegen. Job, een rechtvaardig man maar zonder vervulling met Heilige Geest, werd boven vermogen beproefd en God moest toen zelf ingrijpen en hem opnieuw omtuinen. Johannes schreef echter: ‘Maar die uit God geboren is, bewaart zichzelf en satan heeft geen vat op hem’ (1 Joh.5:18). Ook zei Jezus: ‘Als mijn woorden in u blijven, vraag wat u maar wilt en het zal u geworden’ (Joh.15:7). Zeg dan in verzoeking: God is altijd groter, ik kom er boven uit. Zijn Koninkrijk is in mij met zijn kracht en zijn heerlijkheid. Zeg ook: Hij heeft mij verlost en overgebracht in het Koninkrijk van zijn geliefde Zoon. Op de vraag wie zal mij verlossen, komt het juiste antwoord: God zij dank door Jezus Christus, onze Heer.

In ons is de kracht om de verzoeker te weerstaan. Paulus vermaant: ‘Broers, zelfs als iemand op een overtreding betrapt wordt – als dus de zuigkracht van zijn vleselijke verlangens hem te sterk was en hij verleid werd tot het kwade – helpt u, die geestelijk bent, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf, u mocht ook eens in verzoeking komen’ (Gal.6:1). Jezus heeft zeer veel verzoekingen doorstaan en daarom kan Hij mee lijden met onze zwakheden en ons te hulp komen (Hebr.2:10; 4:15). Velen in de gemeente worden zwaar aangevallen, maar zij die sterk zijn, die gezond zijn, die overwonnen hebben, moeten in het huisgezin van God helpen. Jacobus poneert de paradoxale uitspraak: ‘Hou het voor enkel vreugde, mijn broers, wanneer u in veel verzoekingen valt, want u weet, dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt’ (Jac.1:2).

Jacobus kende de kracht en de heerlijkheid van het Koninkrijk van God in ons. Laat u daarom door verleidingen en verzoekingen niet intimideren of beangstigen, word niet mismoedig en verslap niet door matheid van ziel. Door de verzoekingen blijkt de echtheid van uw geloof. Zij maken uw geloof sterker, zodat u standvastig en onbeweeglijk wordt. Ook Petrus, die zo vaak voor de verzoeking bezweken was, schrijft, dat wij ons verheugen zullen, ook al worden wij een tijd lang door allerlei verzoekingen gekweld en bedroefd. Wij zullen ons volgens deze apostel verblijden in onze geestelijke vernieuwde geboorte, dus in de vernieuwing van ons denken en daarbij de hoop op de hemelse erfenis levend houden (1 Petr.1:3-7). Wij belijden tijdens de verzoekingen dat van God het Koninkrijk en de kracht is en dat ook aan Zijn geliefde Zoon, Jezus Christus, alle macht is gegeven in hemel en op aarde. Hij zegt: Ik verordineer jullie het Koninkrijk en doe jullie aan met kracht; en mijn heerlijkheid is jullie heerlijkheid.

Alle Joodse gebeden eindigen met een lofprijzing aan God. Denk maar aan de vele psalmen waar dit het geval is. Toch staat hier de lofprijzing tussen haakjes, als teken dat zij in de beste handschriften niet voorkomt. Trouwens, het staat ook niet in Lucas 11:4. Wij achten het waarschijnlijk dat zij er wel gestaan heeft, omdat een geboren Jood geen gebed zou eindigen met ‘verzoeking’ of met ‘boze’. Het ‘Onze Vader’ eindigt dan met een uitzien naar de komst van het Koninkrijk en naar de openbaring van de heerlijkheid van God. Door de doop in Heilige Geest kan deze lofprijzing in ons worden gerealiseerd. Eens zal God immers zijn: alles in allen.

In de praktijk merken wij dat het ‘Onze Vader’ door Geestvervulde christenen zelden of nooit wordt gebeden. In hen is immers het Koninkrijk van God door de doop in Heilige Geest gekomen, al is het dan wellicht nog aanvankelijk. Het is in hen. Een geestelijk mens heeft zijn wandel in het Koninkrijk van God. Daar leert Gods Geest hem de satan weerstaan. Wie zo’n ervaring heeft, wordt ook geheel doordrenkt met de liefde van God, die met deze Geest uitgestort is in het hart.

Mattheüs eindigt dit gedeelte door nogmaals de belangrijkheid van de vergeving te accentueren. Zij was immers al benadrukt in: zoals wij onze schuldenaars vergeven. De verzoeningsgedachte die onze God drijft, moet universeel worden. Wanneer je de verzoening grijpt, wanneer je de beloofde heerlijkheid ziet, wanneer je met je gedachten er één mee bent geworden, zegt de Heer: Nader dan tot God en Hij zal tot jou naderen. Je nadert tot Hem door de vergevingsgezindheid in het hart te hebben. Met welke maat je meet, zal je ook gemeten worden. Als jij je vijand vergeeft op grond van de wet van de Geest in je, zal je je bewust worden dat God deze wetten ook op jou toepast.

Jezus maakt noch de verlossing noch de vergeving hier afhankelijk van zijn middelaarschap. Zo wordt hier ook nog niet de komst van het Koninkrijk aan zijn komst verbonden. De tijd hiervoor was nog niet aangebroken. Het Koninkrijk van God is ontstaan in de eeuwige Vader, de Schepper van de onzienlijke en zienlijke wereld. Door zijn kracht komt dit Koninkrijk ten volle tot aanzijn, zodat de heerlijkheid van God gezien zal worden, wanneer de gemeente van Jezus Christus met haar Hoofd op de hoge en verheven troon plaats neemt en de hele aarde door haar vervuld zal worden van zijn heerlijkheid (Jes.6:3). Ons wordt geleerd aan deze doxologie (lofprijzing) ons ‘amen’ te hechten als samenvatting van al onze verlangens. Want dit alles zal eenmaal vast en zeker zijn!