2. Laat Uw Naam geheiligd worden

  • ‘Laat Uw Naam geheiligd worden’, Matth.6:9.

Er staat: laat uw naam geheiligd zijn, laat uw Koninkrijk komen, laat uw wil gedaan worden. Dit is in ons nog niet volledig. In dit alles staat God centraal en niet de mens. Het gaat om zijn Naam, zijn Koninkrijk, zijn wil en zijn plan. Voor een gebed: ‘wilt U alstublieft…, dus doe wat ik zeg…’, is geen plaats. Wij zien uit naar wat God gaat doen en naar wat Hij wil in het leven van de gemeenteleden.

Naam betekent hetzelfde als persoon. Gods naam is zijn wezen. Wij ontheiligen de naam van de hemelse Vader, als wij als zijn kinderen de naam besmeuren vanwege onze zonden en ongehoorzaamheid. Zo brengt immers een slecht kind ook zijn ouders in verlegenheid en tot schaamte. Wij zien er dus naar uit dat zijn naam door ons wordt geheiligd, dat is dat die naam door ons, zijn kinderen, niet in aanraking wordt gebracht met leugen en slechtheid. In Jesaja 5:16 staat:

  • ‘Maar de Heer van de hemelse legers wordt door recht verhoogd en de heilige God wordt geheiligd door gerechtigheid. Dan zullen de schapen grazen als op hun eigen weide’.

God heiligt zijn eigen Naam in ons. In Ezechiël 20:41 lezen we in de Statenvertaling: ‘Wanneer Ik u van de volken zal uitvoeren en u zal verzamelen uit de landen, in dewelke u zult verstrooid zijn, en Ik zal in u geheiligd worden voor de ogen van de heidenen’. God heiligt zijn naam, wanneer door vervulling met Zijn Geest en door verlossing en herstel de mens van God naar zijn beeld en als zijn gelijkenis tevoorschijn treedt.

Er staat: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig’. Als wij heilig zijn, zullen de ongelovigen zien dat God heilig is. Wij heiligen Gods Naam door deze niet te verbinden aan het onheilige, aan ziekte, zonde, ellende en rampen. Wij ontheiligen zijn Naam door God in gemeenschap te brengen met het kwaad. Wij ontheiligen zijn Naam door met zondag 9 van de Heidelbergse Catechismus te belijden: ‘Al het kwaad dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt’. Wij heiligen zijn naam door deze zin te wijzigen in: al het góede dat Hij mij in dit aards bestaan geeft. Om deze reden heeft men in het oude verbond God niet naar zijn wezen gekend: ‘De eniggeboren Zoon, die aan de boezem van de Vader is, die heeft Hem doen kennen’ (Joh.1:18).

De naam van God is de weergave van zijn wezen. Als Gods naam heilig is, betekent dit, dat Hij, wiens naam genoemd wordt, woont in een afgezonderd gebied, namelijk in het Koninkrijk van het licht. Wij willen heilig zijn zoals God heilig is, dus geen gemeenschap hebben met de werken van de duisternis en afgezonderd zijn van de onreine geesten om zo het Koninkrijk van het licht binnen te gaan. Het is noodzakelijk dat wij het herstelplan van God kennen, want dit zondert Hem af van iedere vorm van wetteloosheid.

Jezus leert ons dat wij Gods naam niet mogen ontheiligen. Bidt daarom ‘aldus’, dat Gods grootheid, liefde, barmhartigheid, waarheid en gerechtigheid tevoorschijn komen. Zo heiligen we zijn naam. Deze eigenschappen geven immers zijn goddelijke natuur weer en doen Hem essentieel verschillen van satan. Gods naam wordt geheiligd, als de mens en de schepping geheiligd worden, dus verlost van iedere boze geest. Daarom bidden wij voor het herstel van de innerlijke mens en ook voor de zieken – dat zijn onze armen – die wij altijd bij ons hebben.

Bij Meriba werd door Mozes en Aäron Gods naam ontheiligd (Num.20:12). Mozes was de vertegenwoordiger van God en het volk kende Deze alleen door hem. Hij was immers de bemiddelaar van het oude verbond. Vanwege de ontevredenheid van het volk liet Mozes zich beïnvloeden. Hij begon met geweld op de rots te slaan en maakte het volk uit voor rebellen of weerspannigen. Daarom kon Michaël, de beschermengel, Mozes niet ondersteunen. Mozes was immers niet vrij van boze geesten en hij was op dat moment niet verbonden met de goede God, die veel water uit de rots deed stromen voor ‘bozen en goeden’. God heiligde zijn naam door kwaad te vergelden met goed. Mozes temde de volkswoede niet door de stille en zachtmoedige geest, die zo vaak bij zulke gelegenheden door hem tot openbaring kwam. Hij ging op hetzelfde niveau staan als het volk, dus als satan. Daarom zei de Heer: ‘Aangezien u niet op Mij vertrouwd hebt en Mij ten overstaan van de Israëlieten niet geheiligd hebt, daarom zult u deze gemeente niet in het land brengen, dat Ik hun geef’.

Door David werd de naam van God ontheiligd, ‘gelasterd’, want de omringende volken verbonden het overspel van de koning, en vooral de moord op Uria, zijn trouwe legeroverste, met de God, wiens troon hij op aarde vertegenwoordigde (1 Kron.28:5). Tot ons wordt gezegd: ‘Maar heilig de Christus in uw harten als Heer’ (1 Petr.3:15). Laat dus altijd zien dat je een kind van God bent, want wie zijn naam noemt, neemt afstand van alle ongerechtigheid.