Zevenenzeventig jaar geleden werd zij in Indonesië geboren. Enig kind van een Europese vader en een Dajakse moeder (een meisje uit de binnenlanden van Borneo). Van haar moeder herinnert zij zich een dramatisch moment met omhelzingen en tranen. Waarvan zij later pas besefte dat het een afscheid was. Want haar moeder verdween kort daarna en liet nooit meer iets van zich horen.
Zij werd opgevoed en grootgebracht, gedeeltelijk in een klooster, gedeeltelijk door wisselende stiefmoeders (vrouwen die tijdelijk bij haar vader waren). Zij trouwde jong en kreeg drie kinderen. Na de oorlog kwam het gezin naar Nederland, waar het onwennig en ontheemd van de grond af moest beginnen. Zij vertelt: ‘Dag en nacht heb ik naast mijn man geploeterd. En toen wij flink op de maatschappelijke ladder geklommen waren, heeft hij mij laten vallen. Hij koos een andere vrouw’. Dat was een schok die vooral een gevoel van diep gekrenkt zijn achterliet. Zij spande processen tegen hem aan om althans financieel recht te verkrijgen. Tijdens die processen groeide er iets in haar dat er voordien niet was: zij haatte een mens.
In die woelige tijd kwam er bij haar een vriendin uithuilen, omdat ook zij haar man aan een andere vrouw was kwijtgeraakt. De vriendin huilde en riep: ‘God moet mij mijn man teruggeven!’ Omdat zij (de vrouw van dit verhaal) er zelf niet goed raad mee wist, zei ze: ‘Weet je, we gaan naar Willy, zij zegt dat zij een God heeft die alles geeft wat je bidt’. Willy bleek te horen bij een pinkstergroepering. Zij nam de beide vrouwen mee naar een samenkomst. Toen het moment van voorbeden aanbrak, liepen zij samen naar voren.
Het verhaal gaat verder: ‘Ik ging voor haar, ik trok haar mee. Kom nou, ze gaan bidden en jij wilt jouw man toch terug hebben? Zij bleef huilen, met haar gebeurde niets. Met mij gebeurde er wel iets. Terwijl er gebeden werd, dacht ik: deze mensen daar wil ik wel bij horen, deze God daar wil ik mij wel aan toevertrouwen.’ Vanaf dat ogenblik herinnert zij zich, was de haat die haar leven beheerste, verdwenen, als het ware gesmolten.
Een tijdlang ging zij samen met de vriendin naar de samenkomsten. Maar toen het de vriendin duidelijk werd dat zij haar man er niet mee terug kreeg, haakte zij af. De vrouw van dit verhaal bleef gaan. Jaren. Nu zegt zij over die periode:
- ‘Het waren daar allemaal lieve kinderen van God. Wij moesten veel bidden en loven en prijzen. Wij zijn, kom, hoe noemt u dat, wij zijn nogal gauw emotioneel, ja. Maar ik dacht altijd: waarom moet ik zo vreemd doen, waarom zou ik moeten roepen en huilen? Men zei mij dat het een werking van de Geest was. Ach, weet u, ik ben al zestien jaar een kind van God. Ik heb veel gebeden, zoveel gebeden. En op de Heer vertrouwd. Ik legde Hem al mijn moeilijkheden voor, ik vroeg hulp. Ik heb ook hulp en steun ontvangen, maar wat ik nu, het laatste jaar, heb geleerd en ontvangen, het is meer dan in al die jaren daarvoor. Vernieuwing van denken, zo noemt u dat hè. Wat de voorganger laatst zei in de Bijbelstudie over het leed: ‘God geeft ons geen leed te dragen’, zei hij. Ik heb altijd gedacht dat al het verdriet in mijn leven dat ik te dragen kreeg, God dat voor mij nodig vond. Weet u, ik ga ook zo anders bidden. Ik heb jaren gebeden voor mijn kinderen. Heer, geef ze een goed huwelijk, een huis, een baan, gezondheid, elke dag, o Heer, geef, geef – allemaal van de aarde hè, ja zo noemt u dat toch? Nu bid ik meer voor mijzelf. Dat ik zal doorgaan met veranderen, dat ik alles van God goed zal begrijpen, dat ik de duivel kan weerstaan.’
Een groot deel van haar leven heeft ze geleefd voor de kinderen. Een moeder die zichzelf wegcijferde en alles opving. Financieel, daadwerkelijk, moreel. Het gevolg is dat kinderen en kleinkinderen veel van haar blijven vragen. Maar sinds kort is er een terrein dat zij voor zichzelf vrijmaakt: de uren van samenkomsten, Bijbelstudies en contacten met broers en zusters. Zij heeft nu ook de moed hiermee duidelijk naar voren te komen tegenover de kinderen en kleinkinderen. ‘Nee, jullie moeten niet zaterdag komen logeren, kom maar zondagmiddag’ of ‘Nee, woensdagmiddag kan ik jou niet helpen’.
De kinderen vinden: ‘Mamma, u bent veranderd en wat gaat u veel uit tegenwoordig.’ Zij lacht vrolijk: ‘Mijn uitjes hebben enkel met de ‘kerk’ te maken en voor de rest, ik wil niet alleen de diensten niet verzuimen, ik wil ook ervoor zorgen dat ik fris ben om alles goed te begrijpen en goed te overdenken.’ Weer die vrolijke, levendige lach: ‘Ik ben 77 jaar, er is voor mij nog veel te doen.’ Zij is een geestelijk mens geworden. Dus weten wij hoe zij dit bedoelt.
