Vergeestelijken

Onverenigbaar

Het is te betreuren dat zowel de Maranathabeweging als de Pinksterbeweging niet willen inzien, dat het geloof in het herstel van een natuurlijk Joods volk onverenigbaar is met de eindtijdvisie. De dwaling over het natuurlijke volk Israël is ook de traditionele kerken binnengeslopen. Opmerkelijk, want zij herkenden eerder wel de opkomst van de Pinksterbeweging, zij werden de felste tegenstanders van de prediking van het koninkrijk der hemelen. Het aanvaarden van de aardsgerichte Israëlgedachte gaat altijd ten koste van de ontwikkeling van de geestelijke mens. Er zijn zelfs Pinkstervoorgangers die beweren, dat de Joëlsbelofte die Petrus op de Pinksterdag aanhaalde, alleen voor de Joden bestemd was en niet voor ons. Is het een wonder dat men met zulke leringen niet verder komt en aan zijn geestelijke plafond zit?

‘Is prijsgeven van de westelijke Jordaanoever zondigen tegen God?’

De niet Joodse bezoekers moeten zich nu gaan bezighouden met een nieuw begrip van wetteloosheid, waar zij dan van kunnen zeggen dat zij deze zonde nooit zullen bedrijven. Een website spreekt over ‘Gods eigen land’, waarvan wij citeren:

  • ‘God noemt het door Hem aan Israël toebedeelde gebied Zijn eigen land, een klein stukje grond van de grote wereld en van al Zijn scheppingen in de ruimte is dit een plekje, waar Hij Zijn allesomvattend verlossingsplan uitvoert en Zijn doelstellingen concentreert. Oud-opperrabbijn Schuster schrijft: ‘De profeet Joël (2:18 en 3:2b) sprekende uit naam van God, noemt het ‘Mijn land’. In Deut. 11:12 luidt het: ‘een land waarvoor de Eeuwige, uw God, zorgt; steeds zijn de ogen van de eeuwige God daarop gericht, van het begin van het jaar tot het einde’ en Numeri 35:34: ‘het land in welks midden Ik Mijn woonstede heb.’ Het is deze heiligheid waardoor in wezen het joodse volk zo sterk met het land verbonden is. Het is in het diepste wezen daarom dat juist bij zoveel godsdienstige Joden de gedachten leeft geen grond van Israël af te staan’.

Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament lezen wij: ‘De áárde en haar volheid is van de Heer’ (Ps.24:1; 1 Cor.10:26). Hiermee wordt betuigd dat de gemeente van de Kurios of Heer het standpunt moet huldigen, dat de aarde in wezen aan haar, als het lichaam van de Heer, is onderworpen. Zij zal met Hem heersen! De aarde behoort aan de Heer, in het bijzonder alles wat tot de volle maat of de volwassenheid is gekomen, dus de volkomenheid heeft bereikt. Het is duidelijk dat de aarde haar volheid, dat wil zeggen de volle vrucht, moet voortbrengen. Wat de mens betreft, is deze vrucht de mens van God, tot alle goede werken volkomen toegerust.

De eersteling van de oogst van de aarde: Jezus Christus

De eersteling van de oogst van de aarde was de mens Jezus. Om Hem voort te brengen moest er eerst een volk zijn, dat dit ‘Zaad’ voortbracht. Daarom was er ook altijd en in het bijzonder in de volheid van de tijd, een overblijfsel in Israël dat recht en gerechtigheid bewaarde en dit ‘Zaad’ kon voortbrengen. God had ook een land nodig, waar Hij dit volk afzonderde, want Hij wilde zowel het volk als het land afgescheiden van het heidendom bewaren tot de volheid van de tijd. Toen het volk het ‘Zaad’ voortgebracht had, was zijn opdracht vervuld en werd het een volk zoals andere volken. Zo had ook het stadje Bethlehem zijn taak vervuld, want uit deze plaats was de Heerser voortgekomen (Micha 5:1). Het had verder geen betekenis meer onder de steden in Juda. Ook het land Palestina heeft zijn dienst in het reddingsplan van God verricht. Het was een heilig land, dat wil zeggen afgezonderd tot een bepaalde taak. In het nieuwe verbond is er een geestelijk Kanaän, een nieuw Jeruzalem, een Israël van God, dat heilig of afgezonderd is van de demonen.

‘Hetzij heden of toekomst, het is alles het uwe’

Wij verwonderen ons erover dat een ‘christen’ een uitspraak van een rabbijn moet aanhalen om inzicht in de Bijbel te verschaffen. Waarom wordt een rabbijn geciteerd om een natuurlijke uitleg te geven aan de Joëlsprofetie, terwijl Petrus de godsspraken van Joël duidelijk situeert in het geestelijke leven van de gemeente van Jezus Christus, met de aanwijzing: ‘Dit is het!’? Het is een miskenning van de Heilige Geest, die door Paulus heen getuigde, dat:

  • ‘Alles wat te voren geschreven is, tot ons onderricht werd geschreven, zodat wij in de weg van de volharding en van de vertroosting van de Schriften, de hoop zouden vasthouden’ (Rom.15:4).

Onze hoop is niet gevestigd op een aards land, maar op een hemels Koninkrijk. Daar heeft God geen aards heiligdom, maar daar is de woonplaats van God in de geest. Uitdrukkelijk zei de Heer tot de Samaritaanse vrouw:

  • ‘Het uur komt dat u noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden, maar het uur komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid’ (Joh.4:21-25). Hierin komt dan ook geen verandering meer.

‘Over ons is het einde van de eeuwen gekomen’ (1 Cor.10:11).

De eeuwen zijn voor de gemeente en niet voor de Joden zonder Jezus Christus. Na het tijdperk van de gemeente komt er geen ander. De gemeente is het laatste wat God schenkt. De voorbereidende eeuwen zijn voorbij. Wij zijn de erfgenamen van alle eeuwen en tijdperken, want wij zijn de vervulling van het plan van God met de mens. In 2 Corinthiërs 3:22 schreef de apostel: ‘Hetzij heden of toekomst, het is alles het uwe’. Er komt geen periode in het herstelplan van God voor, die nog belangrijker zou zijn dan die van de gemeente. Alle beloften en alle toezeggingen van apostelen en profeten zijn voor haar:

  • ‘Want hoeveel beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; en daarom: is er ook door Hem het: Amen.’ En de beloften van God gelden ook voor hen die in Christus zijn, want die zijn zaad van Abraham (Gal.3:29).

De aardse Israëlaanbidding is daarom voortgekomen uit hen, die geen inzicht hadden in gemeentevorming en door de Staatspropaganda die in het algemeen geen binding wilden hebben met enige gemeente, maar zich juist beroemden er los van te staan! Men is zelfs zover gegaan, dat men een eenheid ging zoeken buiten de gemeenten om in een toekomstvisie, waarin het natuurlijke Israël een belangrijke rol speelde.

Het artikel vervolgt:

  • ‘Er zijn zogenaamde ‘geestelijke’ christenen die meewarig het hoofd schudden bij zoveel ‘natuurlijk of aards geloof’, dat de dingen letterlijk neemt. Zij beroemen zich erop de Schrift geestelijk te verstaan. Maar laten we ons niet vergissen, want Gods Woord ‘Geest en leven’ noemen, is niet de Bijbel vergeestelijken, maar wel volgens de Heilige Geest verstaan. En dat betekent dat wij ook Gods doeleinden onderkennen die op het menselijke, aardse vlak vervuld zullen worden. Het Koninkrijk van God bijvoorbeeld is zowel iets ‘binnen in ons’ (Luc.17:21) als ook iets dat letterlijk op deze aarde te zien zal zijn (Hand.1:6,7). Het is Christus’ bestemming niet alleen in ons hart te regeren, maar ook eenmaal letterlijk vanuit het aardse Jeruzalem. Als God Israëls grondgebied Zijn land noemt, zullen we het niet met allerlei rituele egards moeten omgeven, maar mogen we het wel heilig beschouwen in de zin van een door God afgezonderd gebied dat Hij in Zijn eeuwig voornemen gebruiken zal’.

Jezus zei: ‘De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven’ (Joh.6:63). In de eerste plaats merken wij op, dat men het woord ‘geest’ met een hoofdletter moet schrijven, waardoor men zou moeten lezen: ‘De woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn Heilige Geest en zijn leven’. Nu kunnen woorden wel door de Heilige Geest geïnspireerd worden, maar zelf zijn ze toch geen Heilige Geest. Zulke woorden zijn dragers van de gedachten van God. Nu moeten wij de Bijbel wel begrijpen vanuit de leiding van Heilige Geest, maar deze is er niet op gericht ons de dingen op het natuurlijke, aardse vlak te doen verstaan, maar wel om de aardse beelden te transponeren naar de realiteit van de geestelijke wereld, zodat wij ook die kunnen begrijpen. Wanneer Jezus zegt, dat zijn woorden geest en leven zijn, betekent dit, dat de inhoud van zijn woorden, dat hun ware betekenis, te maken heeft met het geestelijke leven. Dit blijkt duidelijk uit het verband. Toen veel van zijn leerlingen het eten van zijn vlees en het drinken van zijn bloed, om eeuwig leven te ontvangen, verbonden met de natuurlijke wereld, was hun begrijpelijke reactie:

  • ‘Deze rede is hard, wie kan haar aanhoren?’ (Joh.6:53-56 en 60).

Jezus vermaande hen echter deze uitspraken te betrekken op het Koninkrijk der hemelen. Hij verkondigde immers geen aards, maar een hemels burgerschap. Zij moesten zijn woorden ‘vergeestelijken’. Op het aardse en natuurlijke vlak kunnen deze uitspraken niet vervuld worden. Het Koninkrijk van God zal inderdaad binnen in ons zijn en wij zullen samen een nieuwe tempelstad vormen in de geestelijke wereld, van waaruit de wetten van God zullen uitgaan. In het Nieuwe Testament wordt nergens gesproken over een Godsregering vanuit een aards Jeruzalem. Dan zouden de volken immers weer op moeten trekken naar deze stad om daar te aanbidden in een stenen tempel, terwijl Jezus dit toch absoluut van de hand heeft gewezen in zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw.

Wanneer in Handelingen 1 vermeld wordt, dat onze Heer zijn leerlingen 40 dagen lang onderricht gaf over de betekenis van het Koninkrijk van God, zou het toch wel zeer merkwaardig zijn, dat zij daarop zijn koningschap verbonden met een aards Israël. Zijn koningschap is niet van deze wereld, dus niet verbonden met een Israël naar het vlees. Ook zullen zijn dienaren het koninkrijk der hemelen niet met wapengeweld vestigen, maar door hun prediking. Op de vraag: ‘Heer, herstelt U in deze tijd het koningschap voor Israël?’ is het antwoord: Wanneer u de Heilige Geest ontvangen hebt, begin dan maar te Jeruzalem, dan in Judéa en verder in Samaria en tot het uiterste van de aarde. De tijd van voltooiing of van het herstel van het koningschap voor het Israël van God heeft de Vader echter aan Zich behouden.

Het volk van het nieuwe verbond is een geestelijk volk, dat een geestelijke stad vormt en een geestelijke tempel is in een geestelijke wereld. Kanaän was een afgezonderd gebied, een heilig land, dat God in zijn eeuwig voornemen gebruikt hééft, maar dat Hij tot verdere bereiking van zijn doel niet meer nodig heeft. Paulus’ manier van redeneren overnemende, zouden we kunnen schrijven:

  • Niet dát is het heilige land, dat in het Midden-Oosten ligt,
  • niet dát is Israël dat afstamt van vader Jakob,
  • niet dát is de tempel die in het aardse Jeruzalem ligt, maar het heilige land.

Het Israël van God en de tempel zijn in het verborgen, in de geestelijke wereld. Het volk van het nieuwe verbond is een geestelijk volk, dat een geestelijke stad vormt en een geestelijke tempel is in een geestelijke wereld. De ongeestelijke Israëlvisie vormt echter ongeestelijke christenen. Geestelijke christenen zijn echter zij, die ondanks tegenstand en verachting, de dingen bezien vanuit de geestelijke wereld, waar zij hun burgerschap hebben en hun wandel. Zij verlangen er naar om, net als hun Heer dit eenmaal op aarde deed, het evangelie te prediken van het Koninkrijk der hemelen. Alleen dit evangelie zal als Woord Gods uittrekken, overwinnende en om te overwinnen!