Pinksterbeweging en Israël

Goed zaad en onkruid

Wie tegelijk goed zaad en onkruid op zijn akker uitstrooit, zal merken dat het laatste sneller groeit dan het eerste. Het bezig zijn met het natuurlijke Israël lijkt wel erg onschuldig, maar het is een gevaarlijke zaak voor allen, die ‘deelgenoten zijn van de hemelse roeping’. In onze gemeenten treft men nog wel eens mensen aan, die als een steen al ingemetseld zijn geweest in verschillende bouwwerken. Ze hebben al veel groeperingen bezocht en hebben allerlei soorten leringen aangenomen. Men moet dan eerst vele oude korsten specie afbikken, voordat de steen toonbaar is en geschikt om in het geestelijk huis ingevoegd te worden. Praktisch is dit altijd het geval bij mensen, die op gevorderde leeftijd zich aansluiten bij een gemeente waar het eeuwig evangelie gebracht wordt.

Pinkstergemeenten moeten gericht zijn op de wandel, de strijd en de overwinning in de hemelse gewesten en allereerst en vooral het Koninkrijk van God zoeken. Jezus zei dat men door de enge poort in de onzienlijke wereld binnen moeten komen. Hijzelf gaf het voorbeeld, want Hij bracht in alle dorpen en gehuchten het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Voor de opnieuw geboren en Geestvervulde christen bestaat er daarom ook geen ander evangelie. Ook zij zullen  zich richten op de redding en het herstel van de mens en op de kracht van Gods Heilige Geest, die met zijn gaven dit kan realiseren. De leer van het Koninkrijk der hemelen is de enige boodschap waarmee Jezus Zich bezig hield en men moet in zijn voetsporen wandelen.

Vergeestelijken

Men verwijt ons dat wij de Bijbel vergeestelijken. Maar wat deed de ex-farizeeër Paulus toen hij schreef:

  • ‘Want niet hij is een Jood, die het uiterlijk is en niet dat is de besnijdenis, die in het openbaar in het vlees plaatsvindt, maar hij is een Jood, die het in het verborgen (de onzienlijke wereld) is en de ware besnijdenis is die van het hart (de onzienlijke wereld), naar de Geest, niet naar de letter’ (Rom.2:28,29)?

Men moet dus niet lezen wat er staat geschreven, maar men moet verstaan wat men leest. Vooral de Maranathabeweging keert zich fel tegen dit Bijbelse vergeestelijken, maar veroorlooft zich tegelijkertijd de volle vrijheid om zelf wél te vergeestelijken, als dit in eigen kraam te pas komt. Of kent u niet het boekje: ‘De geestelijke betekenis van de tabernakel’? De lusjes en strikken van de tabernakel hebben daar wel hun geestelijke betekenis. Maar waarom mag men dan in die groeperingen niet spreken van ‘de geestelijke betekenis van Israël’? Wie de aandacht richt op een natuurlijk volk Israël en uitziet hoe de beloften aan dit volk verwerkelijkt worden, maakt zich los van het nieuwe verbond en keert terug tot het oude. Maar de apostel schrijft:

  • ‘Wij zien niet op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig’ (2 Cor.4:18).

Tussen ons en de maranathabeweging met haar verwachting voor Israël is een kloof als tussen nieuw en oud verbond, als tussen het onvergankelijke en het vergankelijke, als tussen het eeuwige en het tijdelijke. Wie zich met Israël bezighoudt, klemt zich vast aan het vergankelijke en het verdwijnende.

Wensdenken en verdwijnende schaduw

Veel pinkstergelovigen hebben de dwaling van de Maranathabeweging overgenomen en zij vullen hun tv-programma’s, tijdschriften en internetsites met artikelen, die het volk Israël centraal stellen. Deze mensen zien niet in, dat het niet toevallig is, dat juist in de Maranathabeweging velen zich vijandig opstellen tegen onze gemeenten. In die groeperingen is men tegen alles wat de onzienlijke wereld betreft, zoals de doop in de Heilige Geest, de geestelijke gaven, de goddelijke genezing en het uitwerpen van demonen. Zij prediken een Koninkrijk van aards niveau. De tekens die op de prediking van Jezus volgden, worden door de ‘Maranathachristenen’ nu als gevaarlijk gezien en zelfs duivels genoemd!

Het Nieuwe Testament spreekt over het oude verbond als over het schaduwachtige of verdwijnende. Wat betekent dit? Het wil zeggen dat de ‘zichtbare’ schaduw plaats moet maken voor de ‘onzichtbare’ werkelijkheid: Mozes was immers trouw ‘in geheel zijn huis als dienaar om te getuigen (in de zienlijke wereld) van wat gesproken zou worden’ (Hebr.3:5). Het oude verdwijnt echter niet vanwege het feit, dat men tweeduizend jaar na Christus leeft, maar omdat men ingegaan is in het Koninkrijk der hemelen. Men komt in het nieuwe verbond door vernieuwing van het denken, door het zichtbare los te laten en het onzichtbare te grijpen, dat wij door kennis te nemen van het ‘zichtbare’ leren verstaan. Wij moeten echter constateren dat duizenden gelovigen nog met hun gedachtewereld in het zichtbare leven. Wie geen radar heeft voor de geestelijke werkelijkheid, vindt het hemelse Jeruzalem te wazig en keert terug naar het aardse en hoopt op een nieuwe stenen tempel. De strijd in de hemelse gewesten verandert dan in interesse voor bombardementen, vliegtuigacties en politieke handelingen in het Midden-Oosten. Zo verblijdt men zich bij iedere overwinning van de Joden op de Arabieren of Egyptenaren. Het merkwaardige verschijnsel doet zich dan voor, dat men foto’s van optrekkende legers, rijdende tanks en vliegtuigen met een Davidsster vindt in de zogenaamde opwekkingsbladen. In een tijdschrift zag ik eens een close up van stoere militaire Israëliërs bij de tekst: ‘Een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste’. Zulk vergeestelijken zou men beter profaneren kunnen noemen.

Twee wegen?

Het nieuwe verbond kent geen twee reddingsorganen: de gemeente vàn Jezus Christus alsook een Israël zónder Jezus Christus. Nu, in het vrederijk en in de tijd van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde blijft het: ‘Zodat nu door middel van de gemeente (van Jezus) aan de overheden en machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid van God bekend zou worden’. Dit ‘nu’ wordt niet veranderd, want het is het ‘heden’ en het ‘vandaag’ uit de onzienlijke, eeuwige wereld. God kent geen twee wegen om zijn doel te bereiken: een aardse en een hemelse. In het nieuwe verbond is er maar één rechte weg tussen twee punten en dit is de hoge weg. Deze voert naar de top van de geestelijke berg Sion, het beeld van de Heilige Geest. Daar ligt het hemelse Jeruzalem, waar de volken samenstromen. Daar is ook de tempel van God, namelijk het Lam en de 144.000. Er is een Israël naar het vlees (1 Cor.10:18) dat zijn plaats af moet staan aan het Israël van God (Gal.6:16).

  • ‘Want niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte gelden voor nageslacht’. En zegt de apostel niet tot de christenen uit de volken: ‘En u broers, zijn, net als Izak, kinderen van de belofte’ (Gal.4:28)?

Een voorganger van de Pinksterbeweging, stelde de vraag in een artikel ‘Het tweede Oude Testament’: 

  • ‘Heeft de ‘wandelende Jood’ werkelijk tweeduizend jaar onder Gods toorn geleefd?’ Het antwoord luidde: ‘Het is zelfs onjuist te stellen, dat God toen (in de 2000 jaar ballingschap) zijn volk tijdelijk verlaten heeft, om nu, in onze dagen, de draad met Israël weer op te nemen. Integendeel, God heeft Israël nooit verlaten. De geschiedenis van Israël in ballingschap heeft een diepe, uiterste belangrijke betekenis voor de hele mensheid, vooral voor ons christenen. Het is alsof toen een TWEEDE OUDE TESTAMENT geschreven is’.

Het bloed van Jezus Christus

U merkt in dit citaat de groei van het onkruid. In de Bijbel wordt immers duidelijk meegedeeld, dat God geen gemeenschap heeft met Israël, maar ‘de toorn is over hen gekomen tot het einde’ (1 Thess.2:16). Hiermee wordt dus dit volk op één lijn gesteld met alle andere volken, want er staat: ‘Maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem’ (Joh.3:36). God heeft met Israël geen gemeenschap zomin als Hij deze heeft met andere volken. Alleen diegenen in de wereld en onder de Joden die Jezus aangenomen hebben, worden kinderen van God genoemd.

Als er een tweede Oude Testament geschreven zou zijn, volgt eruit dat het eerste Oude Testament zijn rechtskracht bij de schrijver verloren heeft, dus dat het verbond met Abraham, de vriend van God, uitgeschakeld is. Wij vragen ons af af door welk bloed dit ‘tweede Oude Testament’ van kracht is geworden?

  • ‘Bij een testament is het noodzakelijk dat de dood van de erflater wordt vastgesteld. Een testament is immers pas geldig na overlijden, het heeft geen rechtskracht wanneer de erflater nog leeft’ (Hebr.9:16,17).  Over het nieuwe verbond zei de Heer: ‘Dit is het nieuwe verbond in mijn bloed’.

Mozes wijdde het oude verbond in met bloedstorting en Christus gaf aan het nieuwe verbond rechtskracht door het storten van zijn eigen bloed. Met welk bloed is dit tweede Oude Testament ingewijd? Berust dit soms op het bloed van de slachtoffers van de pogroms of van de concentratiekampen? Wat een on-Bijbelse gedachtegang! Zou een zondaar voor een ander kunnen sterven om zijn schuld weg te nemen om zo gemeenschap met God mogelijk te maken? Wanneer de schrijver verder verwijst naar Leviticus 26:44 en 45, waar staat dat de Heer Israël niet versmaadt en geen afkeer van dit volk heeft, zodat Hij het zou vernietigen en zijn verbond met het volk verbreken, merken wij op dat God Israël niet verstoten heeft, zomin als Hij de Nederlanders verstoten heeft. Iedere Jood kan zich bekeren en behouden worden, zo goed als iedere Nederlander. God heeft ook zijn verbond met dit volk niet verbroken, want het heeft zijn vrucht opgebracht, namelijk het ware Zaad van Abraham, Jezus Christus. Het oude verbond heeft dus aan zijn doel beantwoord en Christus werd toen de Bemiddelaar van het nieuwe verbond. ‘Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning’, als men het oude tenminste wil loslaten!

‘Opdat nu door middel van Israël’?

Onder het opschrift: ‘Laten wij de juiste proporties in het oog houden’, merkt de schrijver in ‘De Oogst’ op:

  • ‘Door hen voltrekt God zijn plannen met de wereld en als wij inderdaad volle medewerkers van God willen zijn, als wij niet op een zijspoor willen raken, dan zullen wij in het reine met Israël moeten komen. Bovendien zijn hun nog steeds de woorden van God toevertrouwd, zodat we heel veel van ze kunnen leren.’

Voor de christenheid, kerk en vrije groepen samen, is het een kwestie van leven of dood: Erkennen van Israël als Gods mededienstknecht of de totale ondergang in de komende wereldcatastrofe. Het onkruid tiert steeds weliger. We zouden kunnen spreken van een Israëlcomplex. Het onbekeerde volk zou Gods mededienstknecht zijn, een kwalificatie behorende bij een apostel, die in zijn hele loopbaan had moeten strijden legen de ‘judaïserende’ en ‘schijnapostelen’ (2 Cor.11:13). Er wordt nog niet eens gezegd: ‘Door Israël zál God zijn plannen met de wereld voltrekken’ maar ‘voltrekt Hij zijn plannen’. Wij zouden dan ook moeten lezen: ‘Zodat nu door middel van Israël…’ God is echter geen evangelist die met verschillende plannen rondloopt: mislukt het een, dan lukt misschien het andere. Er is maar één gemaakt bestek, één eeuwig voornemen en daarom ook maar één geloof en één hoop, namelijk ‘zodat de mens van God volmaakt is en tot alle goede werken in staat’, zodat God dan ‘alles in allen’ kan zijn. Moeten wij van Israël leren of moet dit volk door ons onderwezen worden, zodat wij ‘enkelen uit hen mogen behouden’? Wij moeten niet met Israël in het reine komen, maar Israël moet het weer met God in orde maken, zoals gezegd wordt:

  • ‘Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten (de volken), Ik ben openbaar geworden aan wie naar Mij niet vroegen. Maar van Israël zegt hij (Jesaja): De hele dag heb Ik mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk’ (Rom.10:20,21).

Ook hebben wij geen schuld tegenover Israël, want wij weigeren ons te associëren met het grote Babylon of het Germaanse heidendom. Als iemands geweten in dit opzicht spreekt, moet hij zijn zonden belijden, maar zich niet verschuilen achter een vaag ‘wij’. Of zijn wij misschien volgens de schrijver al schuldig tegenover Israël, omdat wij het denkpatroon van de schrijver niet overnemen? Het mag zijn dat de woorden van God aan Israël toevertrouwd zijn, maar Jezus zei dat de mens zal leven bij ál de woorden, die uit de mond van God uitgaan. De Joden hadden alle woorden van God totdat Hij opstond, die zei: ‘Maar Ik zeg u!’ Israël heeft Zijn woorden verworpen en verwerpt het nog. Daarom wordt Mozes de grote aanklager van dit volk, zoals er staat: ‘Denk niet dat Ik u zal aanklagen bij de Vader: uw aanklager is Mozes, op wie u uw hoop gevestigd hebt. Want als u Mozes geloofde, zou u ook Mij geloven, want hij heeft van Mij geschreven’ (Joh.5:45,46). Let op de juiste verhoudingen! Ontkomt de mens aan de komende wereldcatastrofe – die men dan nog in de zienlijke wereld projecteert – vanwege een bepaalde Israëlvisie, of omdat hij ernst maakt met de verlossing dat allereerst verkondigd is door de Heer en dat Israël nog steeds verwerpt (Hebr.2:3)? Deze verlossing vindt men in het Nieuwe Testament! Niet het aanvaarden van Israël is een kwestie van leven of dood, maar: Wie in Mij gelooft, zal leven!’

Het voortwoekerende onkruid

Tenslotte een verbijsterend citaat uit dit tijdschrift dat pretendeert ‘een verbindingsschakel te zijn tussen de gelovigen van alle kerken en kringen’:

  • ‘Zoals veel christenen hun leven gegeven hebben vanwege hun getuigenis van Jezus, zijn veel joden gedood om de heiligheid van de Ene Waarachtige God. Zij werden doorstoken, verbrand, gefusilleerd en vergast met het ‘Sjema’ op de lippen: ‘Hoor Israël: de Heer is onze God, de Heer is Eén’ (Deut.6:4). Zeg nu niet te snel: ‘dit is het Oude Testament’, want volgens Jezus Zelf is dit het eerste gebod van alle (Marc.12:28). GOD IS EEN. Door de christenen is er in de loop der eeuwen veel godslasterlijk geknutsel geweest in verband met de Naam en het Wezen van God. Men speculeerde over openbaringstriniteit, wezenstriniteit, fluctuaties in het wezen van God, enz., enz. Katholieken maakten de godslastering nog erger door de vergoddelijking van Maria en het avondmaalbrood. Tegen al dat onheilige gedoe hebben de Joden door de eeuwen heen getuigd van de heiligheid en de eenheid van God. Wij mogen geen enkele, maar dan ook geen enkele vergelijking op God toepassen (Jes.40:18,25). Zelfs niet de vergelijking 3 = 1. Elke constructie, elk beeld, elke formulering, die we over God maken en die niet een direct citaat uit de Bijbel is, doet tekort aan de heiligheid van God. Hiervan hebben de Joden al die eeuwen getuigd: God heeft hen het getuigenis van Zijn Heiligheid en Eenheid toevertrouwd. Zij hebben geleden voor Zijn Naam (zie ook Psalm 44)’.

Niet het christendom, maar Israël zou de naam van de Heer geheiligd hebben? De christenen hebben er maar godslasterlijk mee geknutseld? Daar kunnen de kerkelijke lezers en de Pinksterbeweging het dan met hun leer van de Drie-eenheid mee doen! Toch staat er merkwaardig juist van het volk Israël: ‘Want de naam van God wordt om u gelasterd onder de heidenen, zoals geschreven staat’ (Rom.2:24). Paulus schreef daar voor mensen, die in de wet onderwezen waren en vermeldt verder de plaats niet, die hij citeert. In Jesaja 52:5 verwijt God zijn volk:

  • ‘Voortdurend, de hele dag, wordt mijn Naam gelasterd’. In Ezechiël 36:20 wordt gezegd: ‘En bij alle volken waar zij kwamen, ontheiligden zij mijn heilige Naam, doordat men van hen zei: Dezen zijn het volk van de Heer, maar toch moesten zij weg uit zijn land’ en in vers 23: ‘Ik zal mijn grote Naam, die onder de volken ontheiligd is, die u te midden van hen ontheiligd hebt, heiligen’. Wanneer in verband met het heiligen van de naam van God in de 44ste Psalm gezegd wordt: ‘Zeker, om u worden wij de hele dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen’ is dit de stem van het geestelijke Israël, want de apostel past deze profetische woorden toe op de gemeente van Jezus Christus (Rom.8:36).

Is het natuurlijke volk veranderd, dat het nu wel de naam van de Heer zou heiligen? Gods naam wordt geheiligd, wanneer men luistert naar zijn stem en doet wat Hij zegt en God heeft eertijds vele malen en op vele wijzen gesproken, maar nu spreekt Hij door de Zoon (Hebr.1:1). Jezus zei: ‘Wie Mij eert, eert de Vader’. Het geloof van de schrijver van ‘Het tweede Oude Testament’ houdt alleen rekening met het eerste Oude Testament en is niet gefundeerd op de leer van de apostelen en de Nieuwtestamentische profeten.

Wat bedoelt de Schrift met de uitdrukking: ‘Hoor Israël: de Heer is onze God, de Heer is één’? Deze belijdenis wijst op de structuur van het goddelijke wezen. In God is geen enkele afwijking. Hij is enkel licht, heiligheid, reinheid, wijsheid en barmhartigheid. God is volmaakt goed en daarom kan God niet door het kwaad of het wetteloze verzocht worden. Daarom noemt Jezus deze uitspraak het eerste gebod, want zij is het axioma van de wet, die ook volmaakt is (Marc.12:28). God heeft immers geen enkel aanrakingsvlak met het kwaad. De wetteloze geesten kunnen daarom nooit in God penetreren en zij zijn gedoemd de nederlaag te lijden. Zij sidderen voor deze eenheid of onverdeeldheid van God (Jac.2:19). Ook de Zoon is één. Hij is het onbevlekte en zuivere Lam van God, zonder enige smet of rimpel. Het gebed van Jezus was: ‘Zodat zij één zijn, zoals wij één zijn’ (Joh.17:22). Een verdeeld hart is voor de Heer een gruwel, maar als wij één zijn zoals God één is, zijn wij gelijkvormig aan het beeld van de Zoon.

  • Het is Nieuwtestamentisch gezien ‘godslasterlijk’ om te schrijven dat alleen de Joden door de eeuwen heen getuigden van de heerlijkheid en van de eenheid van God, want daarmee negeert men heel de Nieuwtestamentische openbaring. De Oudtestamentische gelovigen kenden God maar ten dele. Wij hebben echter door Jezus Christus een meerdere openbaring, kunnen Hem beter leren kennen en wij streven ernaar Hem te kennen, zoals wij gekend zijn.