Israël en de gemeente van Jezus Christus

  • ‘Die belofte is niet voor jou, maar voor de Joden!’ Zo waarschuwde een aardse Israëlfan me eens, toen ik een glorieuze tekst uit het Oude Testament citeerde. ‘Je moet het nemen zoals het er staat geschreven – letterlijk’ (Nehemia 8:15-19).

Zijn argumenten brachten me eerst even in de war. Zouden die oude profeten dan toch over aardse, natuurlijke zaken gesproken hebben? Alleen over de Joden en niet over de gemeente? Maar waarom schreef Petrus dan: ‘Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, die u nu verkondigd zijn door middel van hen, die door de Heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht’ (1 Petrus 1:12)? Was hun boodschap niet een onderdeel van het evangelie van Jezus Christus aan zijn gemeente? ‘Wat zou Jezus met die oude profetieën gedaan hebben?’ vroeg ik me af. Hield Hij zich aan een starre, letterlijke verklaring van het Woord of zag Hij er meer in? En de apostelen en de eerste gemeente? Hoe deden zij het? Ik besloot er het Nieuwe Testament eens op na te lezen en ontdekte al gauw dat ook in Bijbelse tijden gelovigen vol vertrouwen de hand legden op al Gods beloften. Ik ontdekte hoe waar het is wat Paulus schreef:

  • ‘Alles wat vroeger is geschreven, is geschreven om ons te onderwijzen, zodat wij door te volharden en door troost te putten uit de Schriften zouden blijven hopen’ (Romeinen 15:4).

De beloften voor ons

Terwijl ik het Nieuwe Testament doorbladerde, viel het me direct op hoe de Joodse tijdgenoten van Jezus over het Woord dachten. Vergeestelijken was er niet bij. Zij namen alles letterlijk. En juist daardoor waren zij geestelijk volkomen blind. ‘U kent de Schriften niet, noch de kracht van God,’ zei Jezus eens tot hen. Het zal je maar gezegd worden, als je van jongs af aan bij de Schriften bent grootgebracht. Nee, met het triomfantelijke ‘je moet het nemen zoals het is geschreven, van kaft tot kaft’ kom je er niet. Het klinkt zo logisch, maar menselijke logica past niet in het Koninkrijk van God. ‘De Messias, wiens zoon is Hij?’ vroeg Jezus eens aan de Farizeeën. ‘Davids zoon’ antwoordden ze prompt. ‘Maar als David Hem door de Geest zijn Heer noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?’ was Jezus’ vraag. Daar stonden ze dan met hun logica. Een vader kan zijn zoon immers moeilijk Heer noemen. ‘En niemand kon Hem daarop iets antwoorden’ schrijft Mattheüs (22:41-46). Geen wonder, Jezus was Zoon van God en Mensenzoon. En dát kan alleen door een geestelijk mens aanvaard worden.

De leden van de eerste pinkstergemeente in Jeruzalem moeten wel bijzonder dicht bij de oude profeten geleefd hebben. Het Nieuwe Testament was immers nog niet geschreven en zij moesten hun ‘vertroosting van de Schriften’ volledig uit het Oude Testament putten. Stel, dat die profetieën voornamelijk het natuurlijk Israël golden, wat een troosteloze boel moet dat geweest zijn. Gelukkig lezen we niets wat in die richting wijst. Integendeel, we lezen juist dat de eerste christenen vrijmoedig hun hand legden op al Gods beloften. Ook op die beloften die op het eerste gezicht het natuurlijk Israël schijnen te gelden.

  • ‘De koningen van de aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de Heer en zijn gezalfde’

Deze tekst komt uit psalm 2. Hoeveel fantasierijk geïllustreerde preken zijn er al niet over deze tekst gemaakt? Over de strijd die ontbrandt, wanneer Russische, islamitische en Amerikaanse nukes en volken zich vlak voor het aanbreken van het millennium rondom Jeruzalem hebben geconcentreerd om het van de kaart te vegen en het Joodse volk uit te roeien, geheel volgens Gog en Magog uit de bedelingenleer (Op.20:7,8). De eerste christenen reserveerden deze worsteling tegen de Goddeloze demonen echter helemaal niet voor de Joden van de eindtijd. Nee, vertrouwd als ze waren met de strijd in de hemelse gewesten, zagen ze in de tweede psalm een trouwe weergave van hun eigen geestelijke strijd. Toen Petrus en Johannes de gemeente meedeelden hoe de raad van Jeruzalem’s oudsten hun verboden had in de naam van Jezus te prediken, zagen zij daarin direct de vervulling van Psalm 2: de strijd tegen de Heer en zijn gezalfde, tegen Christus en zijn gemeente. Deze christenen gingen vervolgens in gebed en haalden daarbij vrijmoedig de verzen aan, die hun nood zo duidelijk schilderden (Hand.4:25-27). Maar meer dan dat. Zij legden ook de hand op de beloften die de Heer in diezelfde tweede psalm geeft: ‘Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel, de uiteinden van de aarde tot uw bezit. U zult hen verpletteren met een ijzeren knots, hen stukslaan als pottenbakkerswerk.’ Was dit niet een heerlijke belofte van overwinning voor een verdrukt volk van God? Gesterkt door de geestelijke perspectieven van deze psalm bad de gemeente dan ook vrijmoedig:

  • ‘Welnu, Heer, sla ook nu acht op hun dreigementen en stel ons, uw dienaars, in staat om vrijmoedig over uw boodschap te spreken door ons bij te staan, zodat zieken genezing vinden en er tekens en wonderen gebeuren in de naam van Jezus, uw heilige dienaar’ (Hand.4:29,30). En de Heer verhoorde dit gebed, beloonde dit moedig vergeestelijken: ‘Toen ze hun gebed beëindigd hadden, begon de plaats waar ze bijeen waren te beven en allen werden vervuld met Heilige Geest en spraken vrijmoedig over de boodschap van God’ (31).

De eerste gemeente schrok er niet voor terug een Oudtestamentische tekst een zuiver geestelijke toepassing te geven. Petrus, één van de belangrijkste leiders van deze gemeente, evenmin. Als hij spreekt over Jezus’ opstanding en Hemelvaart, wijst hij op Gods beloften aan David. Op de belofte, dat de Messias op zijn troon zou zitten: ‘Maar omdat hij een profeet was en wist dat God hem onder ede beloofd had dat een van zijn nakomelingen zijn troon zou bestijgen, heeft hij de opstanding van de Christus voorzien’ (Hand.2:30). Jezus heeft door zijn opstanding de troon van David bestegen. Die troon staat niet in Jeruzalem, maar in de hemel. Zij spreekt niet van aardse, maar van hemelse heerschappij. Ook Paulus ziet dat zo:

  • ‘En dat Hij hem uit de doden heeft opgewekt, zonder dat Hij weer tot ontbinding terug zal keren, heeft Hij gezegd: Ik zal U het heilige van David geven (wat is dit anders dan zijn troon?) dat betrouwbaar is’ (Hand.13:34).

Wat is het machtig te ontdekken, dat de Heer al zijn beloften in Christus en in hen die van Christus zijn, in zijn gemeente, vervult. Dit past bij wat Petrus heeft gezegd: ‘Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht. Eens was u geen volk, nu bent u Gods volk; eens viel Gods ontferming u niet ten deel, nu wordt zijn ontferming u geschonken’ (1 Petrus 2:9,10). Het is één aaneenrijging van Oudtestamentische beloften: Deuteronomium 7:6; Exodus 19:6. Beloften die oorspronkelijk aan Israël gegeven werden, maar nu ook de gemeente gelden.

Zowel Jezus als de eerste gemeente moesten zich vaak verweren tegenover de zelfbewuste Farizeeën. Zelfs tegenover Farizeeën, die gelovig geworden waren. Opgevoed als deze waren bij een verstarde, ongeestelijke, mechanische Bijbeluitleg, konden zij zich nog niet goed aanpassen aan de nieuwe tijd. Hun aardse Israëlvisie en nationaal bewustzijn speelden hun nog parten. ‘Als u zich niet laat besnijden naar het gebruik van Mozes, kunt u niet behouden worden,’ zeiden ze (Hand.15:1). Jacobus deed er nog een schepje bovenop door Petrus’ beweringen met een Oudtestamentische belofte te staven: ‘Daarna zal Ik terug keren en de vervallen hut van David weer opbouwen’ (Hand.15:16). De hut van David – de tent of tabernakel van David – was voor deze gelovige Joden een vertrouwd begrip. Het was de tent, die David aan het begin van zijn regering in de stad van David gespannen had om er de ark in onder te brengen. In deze tent werden geen offers gebracht in overeenstemming met de Mozaïsche wetgeving. Dat gebeurde nog steeds op het brandofferaltaar, dat voor de tabernakel op de offerhoogte van Gibeon stond (1 Kron.16:39,40). Deze tent was bedoeld als een plaats van aanbidding en lofprijzing: ‘En hij stelde voor de ark van de Heer dienaars aan uit de Levieten: om de Heer, de God van Israël, te roemen, te loven en te prijzen’ (1 Kron.16:4). Niet de tabernakel van Mozes, maar de tabernakel van David, wordt hersteld, zegt Jacobus. Niet het natuurlijke Israël met zijn besnijdenis, wetten en offers, maar een geestelijk volk, dat Hem leert te aanbidden in geest en waarheid (Joh.4:20-25).

  • ‘Die vervallen hut van David wordt pas opgericht als de gemeente is opgenomen en God zijn speciaal plan met het aardse Israël gaat uitvoeren,’ argumenteren sommigen vanuit de Bedelingenleer.

Stel eens dat dit juist is. Dan zou Jacobus zich misdragen hebben. Het ging immers helemaal niet over Israëls rol in de eindtijd, maar over een kwestie die de gemeente van de eerste tijd betrof. Verder zou Jacobus daarmee de argumenten van Petrus hebben ontzenuwd. Petrus had immers beweerd, dat de gelovige ‘Jood’ zich naar de gelovige heiden moet richten en nu zou Jacobus beweren, dat God tóch een bijzonder plan met de Joden heeft. Jacobus is het echter helemaal eens met Petrus:

  • ‘Broers, luister. Simeon heeft uitgelegd hoe God zelf het plan heeft opgevat om uit de heidenen een volk te vormen dat zijn Naam vereert. Dat stemt overeen met de woorden van de profeten; er staat immers geschreven: ‘Dan zal Ik terugkeren. Ik zal het vervallen huis van David herbouwen, uit het puin zal ik het weer opbouwen. Ik zal dit huis doen herrijzen, zodat de mensen die overgebleven zijn de Heer zullen zoeken, net als alle heidenen over wie mijn naam is uitgeroepen’ (Hand.15:14,15).

Het is duidelijk wat Jacobus met ‘Dat stemt overeen met de woorden van de profeten’ bedoelde: waar heidenen in navolging van Cornelius en zijn huis Jezus als Verlosser aanvaarden, wordt de vervallen hut van David hersteld, wordt een tempel gebouwd, heilig in de Heer, een woonplaats van God in de Geest (Ef.2:22).

Geestelijk Israël

Opgevoed aan de voeten van de geleerde Gamaliël kende de apostel Paulus de Schriften door en door. Deze Schriftkennis zette hij in om de Joden uit de wet van Mozes en de profeten te overtuigen ten opzichte van Jezus. Hij gebruikte die kennis echter ook om de gemeente te tonen hoe zij deel gekregen had aan de zegeningen voor Gods volk. In de Efezebrief schrijft hij:

  • ‘Bedenk daarom dat u – u die eigenlijk door uw afkomst heidenen bent en onbesnedenen genoemd wordt door hen die door mensenhanden besneden zijn – bedenk dat u destijds niet verbonden was met Christus, geen deel had aan het burgerschap van Israël en niet betrokken was bij de verbondssluitingen en de beloften die daarbij hoorden. U leefde in een wereld zonder hoop en zonder God. Maar nu bent u, die eens ver weg was, in Christus Jezus dichtbij gekomen, door zijn bloed’ (Ef.2:11-13).

Dat dit geen loze taal is, bewijst de apostel door teksten uit het oude Testament aan te halen en ze op de gemeente toe te passen: ‘De dag zal komen – zegt de Heer – dat ik een nieuw verbond zal sluiten met het volk van Israël en met het volk van Juda. Niet een verbond zoals ik dat sloot met hun voorouders toen ik hen bij de hand nam om hen weg te leiden uit Egypte’ (Hebr.8:8,9). De aandachtige lezer ziet aan het verband, dat hier geen sprake is van een nieuw verbond met het natuurlijk Israël, maar van een nieuw verbond met het Nieuwtestamentische volk van God, de gemeente:

  • ‘Door mensen met een vreemde tongval, in een andere taal, spreekt de Heer tot dit volk. Ooit heeft Hij tegen hen gezegd: ‘Hier is rust, hier vind je verpozing, laat wie vermoeid is hier rusten.’ Maar ze weigerden naar hem te luisteren’ (Jesaja 28:11,12).

Uit de verdere boodschap van deze profeet blijkt, dat met ‘dit volk’ de inwoners van Jeruzalem bedoeld worden. Paulus nam dat echter helemaal niet zo letterlijk. Hij zag er een verwijzing in naar de uitwerking, die de klanktaal heeft op ongelovigen, of dit nu Joden in Jeruzalem, of Grieken in Corinthe zijn. Na deze profetie van Jesaja geciteerd te hebben, schrijft hij in het bekende hoofdstuk over de geestelijke gaven: ‘Daarom zijn de talen een teken niet voor hen, die geloven, maar voor de ongelovigen’ (1 Cor.14:22).

Mogen we Oudtestamentische teksten vergeestelijken? Mogen we onze hand op Gods beloften, door de profeten uitgesproken, leggen en ze voor ons persoonlijke leven en dat van de gemeente claimen? Het antwoord is een volmondig ‘ja’, want Jezus zelf, de eerste gemeente en de apostelen deden het. Wij willen in hun voetsporen wandelen. God vervult zijn beloften in Christus en zijn gemeente. We staan in de eindtijd. De tijd, waarin God meer licht belooft te geven op zijn Woord. De profeten hebben dit voorspeld:

  • ‘Deze dingen blijven verborgen tot de eindtijd en de verstandigen zullen het verstaan’ (Dan.12:9,10).