Is Jezus een Jood?

Antisemitisme en Jodenaanbidding

Antisemitisme is trendy. Je hoort pas bij het guthmenschdom als je meegaat met de intense Jodenhaat. Het is nu heel gewoon om joden te verketteren. Tegengesteld aan dit antisemitisme is de Jodenaanbidding. Hoe de verwarring in het denken van bepaalde aanhangers van de Israëlleer toeneemt, bleek uit een artikel ‘Antisemitisme’, dat we ergens tegen kwamen. De inhoud van het woord ‘antisemitisme’ is tegenwoordig net zo uitgehold en evenveel misbruikt als die van rassenhaat, fascisme of sektariër. Men gebruikt deze zwaar beladen uitdrukkingen regelmatig om mensen, waarmee men van mening verschilt, te discrimineren. Wie op maatschappelijk, politiek of religieus terrein anders denkt dan de progressieve koplopers, het kerkelijk establishment of de fundamentalistische smaakmakers, krijgt ze te horen. Om dit verschijnsel toe te lichten, citeren we alleen maar de eerste zinnen uit een joden-aanbiddend artikel:

  • ‘Wist je dat antisemitisme ook inhoudt tegen Jezus te zijn, want Hij is ook een Jood. Je ziet vaak over het hoofd dat Jezus een Jood is. Hier wordt met opzet het woordje ‘is’ gebruikt en niet ‘was’, omdat Hij, de Zoon van God, ter rechterzijde van zijn Vader met zijn verheerlijkt lichaam op de troon zit. Deze Jood Jezus leeft. En Israël, een land waar de Joden zijn, leeft ook als volk’.

De leer van Jezus houdt in dat wij mensen scheiden van demonen. Daar waar mensen bewust satans demonen aanbidden, scheiden onze wegen. Gods liefde heeft zich immers uitgestrekt naar alle mensen en het is vanaf het begin zijn bedoeling geweest, dat het hele menselijk geslacht, door onderlinge liefde verbonden, één geheel zou vormen. Gods Zoon gaf zijn leven vrijwillig voor de hele wereld en er is geen ras dat door God is verworpen. De zichzelf gevende liefde van Gods geliefde Zoon die met Gods Geest woning heeft gemaakt in de harten van de gelovigen, strekt zich niet alleen uit tot de broers en zusters, maar zij richt zich ook op alle mensen (2 Petr.1:7). Daarom staat antisemitisme of Jodenhaat vijandig tegenover de leer van Jezus. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor de afkeer die men kan hebben van Chinezen, Indianen of de veel voorkomende Russenhaat.

De tenten van Sem

Eenmaal sprak Noach de eeuwen omvattende uitspraak uit: ‘Geprezen zij de Heer (als) God van Sem’ en ‘mag God ruimte geven aan Jafeth, hem laten wonen in de tenten van Sem’ (Gen.9:27). Het woord ‘Sem’ betekent naam. De naam van God wordt hier dus met de Semieten verbonden. De tenten van Sem zijn beeld van het rijk van God. God woonde bij het Semitische volk Israël, want daar stond zijn tent of tabernakel. Deze tent was bij het volk dat zijn Naam moest bewaren. De Bijbel vertelt dat het tienstammenrijk zich van het uitverkoren huis van David had losgescheurd en vanwege zijn afgodendienst werd weggevoerd naar Assyrië. Het had Baäl (heer) boven Jahweh verkoren. In de hemelse gewesten had Israël zich met de demonen verenigd. Daarom lezen we dat Jahweh hen verstootte. Om met Paulus te spreken:

  • ‘daar waar (in de hemelse gewesten) gezegd was: u bent mijn volk, werd nu gesproken: u bent mijn volk niet’ (2 Kon.17:7-23; Hos.1:10; Rom.9:25,26).

Dit deel van Israël werd dus voortaan gelijkgeschakeld met de andere volken.

Het andere deel

In Jezus’ dagen verloor het andere deel van Israël zijn aparte status in de hemelse gewesten, want Hij zei:

  • ‘Hebt u nooit deze woorden uit de Schrift gelezen? De steen door de bouwers afgekeurd, is de hoeksteen geworden. Zo gaat de Heer te werk, het is voor ons niet te begrijpen! Daarom zeg ik u: het koninkrijk van God zal u worden afgenomen en zal worden gegeven aan een volk dat de vruchten ervan opbrengt. Wie op deze steen valt, valt te pletter; en deze steen vermorzelt op wie hij valt’ (Matth.21:43,44).

Uit deze Joden werd wel een rest behouden, zoals Jesaja had geprofeteerd (Rom.9:27). Dit overschot werd op de Pinksterdag overgezet van het oude in het nieuwe verbond. Het werd ‘de volheid van de Joden’ genoemd. Door hun geschriften zou ook de volheid van de heidenen tot stand komen (Rom.11:12,25). Samen zouden zij dan de gemeente uit het nieuwe verbond vormen. Tot de Joods-heidense gemeente te Corinthe zei God:

  • ‘Ik zal bij hen wonen en in hun midden verblijven, Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn’ (2 Cor.6:16). ‘Dit is het volk dat Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden maar ook uit de heidenen’ (Rom.9:24).

In de gemeente is daarom geen onderscheid tussen Jood en Griek, besneden of onbesneden, barbaar of Scyth (Col.3:10). Allen zijn burgers van een rijk in de hemelen (Fill.3:20). Allen zijn ‘gestorven en begraven’ en ‘overgezet in de hemelse gewesten’. Wanneer zij zich in de onzienlijke wereld bewegen, hebben zij hun aardse nationaliteit verloren. Zij vertegenwoordigen daar de nieuwe mensheid waarin geen verschil van ras meer bestaat. Zij zijn immers allen genomen uit de laatste Adam, Jezus Christus. Ze horen nu bij het geestelijk Israël.

Het nieuwe Jeruzalem en de stad van God

Op de troon van God zit niet de Zoon uit het oude volk, maar de Mensenzoon. Hij is de eerste van de nieuwe schepping. De Mensenzoon leeft. Om zijn leven met het ontwaken van het Christusvijandige Israël te vergelijken, is heiligschennis. Jezus zei tot zijn leerlingen: ‘Ik leef en jullie zullen leven’. Deze woorden gelden alleen voor hen tot wie gezegd wordt: ‘Dan zult u begrijpen dat Ik in mijn Vader ben, dat u in Mij bent en dat Ik in u ben’ (Joh.14:19,20). ‘Of is God alleen de God van Joden? Niet ook van heidenen? (Rom.3:29). Hij is de God van de hele aarde en de apostel van onze belijdenis, Jezus Christus, hoort bij de hele wereld. In de hemel zijn geen Joden, Russen of Nederlanders, maar alleen vernieuwde mensen. Er staat:

  • ‘Zie, de tent van God (die van Sem) is bij de ménsen’ (Op.21:3). Het oude is voorbij en alles is nieuw geworden!