Hervormde kerk en Israël

Rapport over Israël

De Nederlandse Hervormde Kerk noemt zijn rapport over Israël, een ‘Handreiking’ voor een theologische bezinning. Hiermee heeft de Hervormde Kerk de moed gehad om over dit netelige probleem (zowel in godsdienstig opzicht als in politiek en zelfs in economisch opzicht) een aantal concrete dingen te zeggen. Dit is prijzenswaardig en zeker op het ogenblik zeer nuttig. Uiteraard moet de toegereikte hand de hervormden op weg helpen om over Israël Bijbels te kunnen nadenken. Daarbij moet dit rapport dan een eerste stap zijn op het ‘rechte spoor om Zijns Naams wil’.

In het ‘woord vooraf’ wordt een uitnodiging gedaan om met het rapport in te stemmen of kritiek erop te leveren. Wij zijn zo vrij om aan deze uitnodiging gehoor te geven, niet om iets bij te dragen ‘aan het voortgaand belijden van deze kerk’, maar om onze lezers in kennis te stellen van de ontwikkelingen en hen te waarschuwen. In theologisch opzicht zullen we hier en daar misschien wat moet wijken voor de massieve kennis van de weleerwaarde en zeergeleerde heren. We hebben immers een heerlijkheid die we door de doop in Heilige Geest ontvangen hebben; hierdoor zijn wij in staat om nieuwtestamentisch, of beter: geestelijk na te denken over Israël, het volk, het land en de staat.

Op een zijspoor

Direct bij de inleiding al worden we in deze ‘Handreiking’ geconfronteerd met enkele concrete stellingen. Het rapport zegt weliswaar niet de bedoeling te hebben om een min of meer volledige uiteenzetting te geven over de verhouding van de kerk met Israël en de verkiezing van Israël; maar het uitgangspunt voor een gelovig nadenken over het Joodse volk wordt echter wel vastgelegd:

  • ‘Israël bezit nu eenmaal, door de bijzondere plaats waarop God het gesteld heeft, een geheim dat nooit geheel doorzichtig te maken is’.

Dit uitgangspunt stuurt de lezer onherroepelijk in een bepaalde richting, waarin variaties nog wel mogelijk zijn, maar waarin Israël het uitverkoren volk is en blijft:

  • ‘Zoals de kerk van onze tijd de voortzetting van de kerk van de apostelen is, dit wil zeggen die kerk is, zo is het hedendaagse Jodendom de voortzetting van het Bijbelse Israël’.

Duidelijk wordt dus een parallel tussen die twee getrokken. Wij zouden willen stellen dat in de mate, waarin Israël is afgeweken, op zijn minst ook de kerk is afgeweken van haar oorsprong en daarmee is zij die kerk, namelijk die van de apostelen, niet meer, evenmin als Israël die unieke plaats nog langer inneemt onder de volken. Van het Jodendom moest Stéfanus, vlak voor hij vermoord werd zeggen:

  • ‘Halsstarrige ongelovigen, u wilt niet luisteren en verzet u steeds weer tegen de heilige Geest, zoals uw voorouders ook al deden.’

Dit is wel heel andere taal dan wat de Handreiking zegt, als daar beweerd wordt dat ‘in zijn geloofsgetuigennissen, Israël zijn verkiezing als genadegeschenk heeft verstaan’. Verder moet je even je ogen uitwrijven als met Exodus 19:5 en 6 (een van de spaarzaam aangehaalde Bijbelgedeelten) bewezen wordt, dat Israël dankbaar is dat het het bijzondere juweel van God mag zijn en dat het Hem en zijn wil mag kennen. De genoemde teksten zijn echter beloften, die Mozes in opdracht van God tot Israël moet spreken en geen feitelijkheden. Bovendien worden ze voorafgegaan door een ‘als’. Gods toezeggingen, ook dat Israël uit alle volken het eigendom van God zijn zal, gaan alleen dan in vervulling, als aandachtig naar Hem geluisterd wordt en zijn verbond bewaard wordt. Hiervan is echter niets terecht gekomen. Israël heeft de oren toegestopt en heeft niet willen luisteren, ook al lastert de ‘Bedelingenleer‘ God zelf, door te zeggen dat Hij dit heeft gedaan. Israël heeft God niet gekend en is afgedwaald. Jesaja durft het zelfs aan om te zeggen, dat God zijn handen heeft uitgestrekt naar een opstandig volk, dat volgens eigen overleggingen wandelt (Jes.65:2 en Rom.10:21). Israël heeft het in geen enkel opzicht verstaan.

‘Lo-Ammi’, de nieuwe identiteit van Israël

Wanneer dan in de ‘Handreiking’ over Israëls ‘identiteit’ gesproken wordt, zou het Bijbelser geweest zijn om met de profeet Hoséa van ‘Lo-Ammi’ (niet-mijn-volk) te spreken. Dit is namelijk de nieuwe identiteit van Israël geworden. Het volk is zijn oorsprong ontrouw geworden; slechts een rest is behouden, destijds en ook nu, namelijk de gelovige rest. Het resultaat van die ontrouw en doofheid van Israël is, dat Jezus waarschuwde dat het Koninkrijk van God van Israël zou worden weggenomen en het zou gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt (Matth.21:43). Die waarschuwing wordt zeer duidelijk herhaald in Lucas 21:22, als de Heer spreekt over de ondergang van Jeruzalem. Hij zegt dan dat dit de dagen van de vergelding zijn, waarin alles wat geschreven is, in vervulling gaat. Het is onbegrijpelijk en wel zeer in strijd met de woorden van Jezus en de apostelen, dat de Hervormde kerk dan kan beweren, dat:

  • ‘Het voor ons allen een zaak van verwondering en dankbaarheid moet zijn, dat het ontrouwe volk zijn bestemming als verbondsvolk niet verloren heeft’.

Hier stuurt de ‘Handreiking’ met volle vaart in verkeerde richting. Het is een valse troost voor een ingeslapen kerk, dat God het ‘als u naar mijn stem luistert’ met een korreltje zout zou nemen. En dat Hij wel wegen weet om ongehoorzaamheid te boven te komen. Zoals het met Israël gegaan is, zo zal het ook de ongehoorzame kerk vergaan: God zal haar laten struikelen en Israël zal vallen. De verwondering en dankbaarheid, waarover gesproken wordt, zal daarom niets uitrichten, omdat het rapport zegt dat in de ongehoorzaamheid van Israël zich ‘ons aller vervreemding van God’ spiegelt. Op deze vervreemding is maar één antwoord: bekering en geloof in het Woord van God. God vraagt geen verwondering, maar gehoorzaamheid.

Niet verstoten, wel gevallen

Paulus schreef dat ‘de toorn over de Joden gekomen is tot het einde’ (1 Thess.2:16). In zijn totaliteit is Israël, net als alle andere volken, besloten onder de zonde en daarmee onder de toorn van God. Tot het einde, dat wil zeggen dat God de draad van het oude verbond niét(!) weer opneemt. Er is maar één weg om onder de toorn vandaan te komen: bekeer u, laat u dopen en u zult de Heilige Geest ontvangen. Zowel voor de Jood als voor de heiden. De vervreemding van Israël, zoals de ‘Handreiking’ Israëls ontrouw en ongeloof noemt, is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde van de eeuwen gekomen is (1 Cor.10:11).

Als de kerk in deze vervreemding de ontwikkeling van de kerk herkent, waarom dan geen ommekeer? Waarom probeert zij dan een theologie te construeren, waarin God deze waarschuwing niet zo zwaar opvat, omdat Hij toch wel blijft doorgaan met Israël en de kerk? Zoals de toorn van God over het verharde deel van Israël gekomen is tot het einde, zo ook over de kerk. De verwondering en de dankbaarheid zullen de toorn dan ook alleen maar doen toenemen. De heerlijkheid en de kracht, die de oorspronkelijke kerk kenmerkten, zijn geheel verdwenen. De kerk heeft het fundament van de apostelen verlaten en is daarom opgehouden tegen Israël te getuigen, maar gaat daarentegen de dialoog aan, omdat ze zich op gelijk niveau beweegt. De kerk is net zo verblind geworden als Israël zelf. Door gebrek aan Heilige Geest is de heerlijkheid weggeëbd en kan Israël niet meer door een stralende getuigenis tot jaloersheid gebracht worden. Omdat de kerk op gelijk niveau staat, ziet ze de dwaling van Israël ook niet meer.

Het komen van Jezus

In hoofdstuk III wordt het geheel dan gezien in verband met het komen van Jezus. Dit komen heeft een radicalisering tot gevolg in de vervreemding van Israël. Met het optreden en de prediking van Jezus kreeg de vervreemding haar uiterste verscherping, doordat de Joden Hem afwezen. Het rapport stelt nu de mogelijkheid dat men zich kan afvragen of de afwijzing van Jezus niet tot gevolg had, dat Israël zijn identiteit als volk van God verloren heeft. Het stelt nu dat Paulus dit laatste ontkende. Paulus zou Israël nog steeds als het uitverkoren volk zien. Een systematische uitlegging van de bekende hoofdstukken uit de Romeinenbrief zal echter tot een heel andere conclusie leiden. 

Dat God zijn volk niet verstoten heeft (Rom.11:1), bewijst Paulus uit het feit, dat hijzelf tot geloof in Jezus gekomen is. Als God zijn volk wel verstoten had, dan zou de deur naar de redding voor alle Joden definitief in het slot gegooid zijn. Dit is echter volstrekt niet het geval. Israël is niet verstoten, maar gevallen. Het is van zijn unieke plaats gevallen en is gelijkgeschakeld met de heidenen. De deur staat voor Israël nog wel open, maar dan op dezelfde manier als voor de heidenen, namelijk door bekering en nieuwe geboorte. Deze bekering en nieuwe geboorte staan tegenover die van de werken uit het oude verbond. Een rest van Israël, namelijk het gelovige deel, zal door die deur binnengaan en de overigen zijn verhard. En dit niet door God, zoals de bedelingenleer uit de hoge hoed tovert, maar door de joden zelf!

Voor de laatste geldt: ‘en doe hun rug voorgoed zich krommen’. Het verharde deel heeft zichzelf buiten het Koninkrijk van God geplaatst en heeft part noch deel aan de aanneming tot zonen of aan de overige beloften. Door Israël als totaliteit, door zijn natuurlijke afkomst op historische gronden, als een volk met speciale voorrechten te karakteriseren, is de hervormde kerk op hetzelfde hellende vlak gekomen, waarop de Maranathabeweging al verder gevorderd is. Hiermee worden de fundamentele waarheden van het Nieuwe Testament totaal verloochend; het komen van het Rijk van God wordt verbonden met de politieke ontwikkelingen in het Midden-Oosten.

Jeruzalem en Palestina

De verkiezing van Israël blijft van kracht en daaruit voortvloeiende ook de band met het land, meent de ‘Handreiking’. Wanneer Israël gezien wordt als het volk van God, dan is het een logische consequentie om het land te zien als erbij behorende met een bijzondere godsdienstige functie. De kerk zegt dat Christus geen breuk betekende in de verhouding tussen volk en land. Toen Jezus echter met de Samaritaanse vrouw over het aanbidden sprak, zei Hij:

  • ‘Het uur komt, dat u noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden’. De Hebreeënbrief zegt in hoofdstuk 12:22, dat de gelovigen ‘genaderd zijn tot de berg Sion, de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem.’

Uit deze en meerdere plaatsen valt duidelijk op te maken, dat de aardse stad Jeruzalem geen enkele rol meer speelt voor hen, die in Christus zijn. Het begon al met Johannes de Doper, die zijn werk buiten de muren van Jeruzalem deed. Zou er voor het ware volk van God sinds Jezus’ komst wel een breuk met Jeruzalem ontstaan en niet met het omliggende land? Bijbels en oudtestamentisch gezien is Jeruzalem de exponent van het beloofde land, maar in het nieuwe verbond hebben beide geen enkele functie meer. De hervormde kerk moet wel zeer van het geestelijke denken van apostelen en profeten zijn afgedwaald, om nog betekenis toe te kennen aan het aardse Jeruzalem. Zo wordt er ook beweerd:

  • ‘zolang de vervulling er nog niet is, waarin het onderscheid tussen Joden en niet-Joden geen rol meer zal spelen, omdat God alles en in allen zijn zal, mag ook het Joodse volk in zijn eigenheid er zijn’.

De kerk vindt dat deze vervulling er nog niet is. De Bijbel leert anders, omdat Jezus de tussenmuur, die scheiding maakte tussen Jood en heiden, weggebroken heeft (Ef.2:14). Wij gunnen de Jood zijn eigenheid in politiek en staatkundig opzicht, maar in religieus opzicht is zij verwerpelijk, omdat dit een dienst aan de boze geesten is. Paulus zegt in Romeinen 11 dat de volheid van de heidenen de Joden jaloers moet maken. Dit doelt niet op een bepaalde tijd aan het einde van de geschiedenis, maar op Pinksteren. De volheid van de heidenen is binnengegaan toen de Geest werd uitgestort over de gelovige heidenen. Daarom zegt hij in vers 31: ‘opdat ook zij (de Joden) nu ontferming zouden vinden.’

De middenmuur van de afscheiding weer hoog aan het opmetselen

De hervormde synode is samen met de Maranathabeweging de middenmuur weer hoog aan het opmetselen. Dit gebeurt omdat de doop met Heilige Geest geen wezenlijk onderdeel in de prediking is. Wanneer die gemist wordt, worden christenen en joden gelijkgeschakeld, omdat ze toch dezelfde God dienen. Als het onderscheid tussen Joden en niet-Joden voor God nog steeds een rol speelt, dan is het evangelie van zijn kracht beroofd. Dan heeft Petrus zich vergist toen hij de Joden opriep zich te bekeren en zich te laten dopen, zodat zij de Geest ook zouden ontvangen, omdat God zijn weg met Israël zonder dat ook wel zou voortzetten. Ondanks ongehoorzaamheid. Romeinen 3:22 zegt echter: ‘Want er is geen onderscheid’. Paulus schrijft aan de Galaten (3:28), dat ‘in Christus geen sprake is van Jood of Griek’. Voor hen die buiten Christus zijn, heeft het evangelie geen beloften, ook niet voor de Joden. Want al Gods beloften zijn in Christus ja en amen. De bewering dat Israël zonder Christus speciale beloften draagt, is misleidend en zal de verwarring onder hervormden alleen maar doen toenemen.

Israël op één hoop geschoven met alle heidenen

God ziet de gemeente van Jezus Christus als zijn oogappel. Als in Handelingen 4 de gemeente bedreigd wordt door het sanhedrin, gaat de gemeente in gebed en zegt:

  • ‘Want inderdaad zijn in deze stad vergaderd tegen uw heilige knecht Jezus, die U gezalfd hebt, Herodes zowel als Pontius Pilatus met de heidenen en de volken van Israël.’

Israël wordt hier door de gemeente op één hoop geschoven met alle heidenen in de vervolging van de knecht van God: de gemeente van Jezus. ‘Nee’, zegt de Handreiking, ‘in dit volk (Israël) hebben wij steeds met God zelf te doen’. De dwaling ten opzichte van de waarheid van het Nieuwe Testament is evident. Dan worden hiervan bewijzen geleverd, waarvan de evangelische tijdschriften de laatste tijd druipen, zoals de bewering dat ‘waar een volk naar racisme of nationalistische zelfverheerlijking dreigt af te glijden, een van de eerste waarschuwingsseinen is, dat het zich stoot aan de Joden’. Dergelijke uitspraken zijn maar al te zeer geïnspireerd door de gebeurtenissen in Nazi-Duitsland. Een objectieve waarnemer zal hetzelfde concluderen ten aanzien van de Chinezen in Indonesië, de zigeuners in Europa en deels de negers in de USA. Ook zij zijn een eigensoortig element in het volkslichaam. Het is niet een stoten aan de Joden, als het nationalisme en islam de koppen opsteken, maar een afstoten van alle ‘Fremdkörper’ binnen het volksbestaan.

Uitermate zwak

Met dergelijke bewijzen staat de Hervormde kerk wel voor joker. Zij liggen op hetzelfde vlak als bv. de artikelen van andere aardse Israëlaanbidders. Men stelt bijvoorbeeld dat als een volk Israël zegent, dit volk ook gezegend wordt, met als voorbeeld onder andere de VS in onze dagen. Aangenomen dat de welvaart – als we het zo mogen noemen – in de Verenigde Staten een zegen is, hoe komt Duitsland vandaag dan aan zijn ‘Wohlstand’? Omdat het de Joden gezegend heeft? De gemeente van Jezus Christus zal echter het struikelblok zijn voor alle volken, een steen die alle volken moeten tillen, omdat ze zich in een decadente en verworden samenleving als non-conformist gedraagt en een eigensoortig element zal vormen in het Babylon van de verwarring. Natuurlijk neemt dit niet weg dat het antisemitisme een satanische geest is, niet vanwege de speciale plaats die de Joden innemen, maar omdat het mensen zijn die naar Gods beeld geschapen zijn en voor wie Jezus zijn leven gegeven heeft. Antisemitisme is even duivels als negerhaat. Ze staan op één lijn.

Aan het eind van hoofdstuk IV wijdt het rapport enkele woorden aan de ‘kerk als weerspiegeling van Israël’. Het komt hierop neer, dat de curve van de geestelijke ontwikkeling van de kerk parallel loopt met die van Israël. Dit is waar:

  • ‘Desondanks houdt de kerk niet op kerk van Jezus Christus te zijn’.

Het is benauwend om te zien hoe men elkaar met deze schijntroost misleid. Want zoals het met Israël gegaan is, zo zal het de kerk vergaan: de toorn is over hen gekomen tot het einde. Of is misschien de miserabele situatie in de kerk er de oorzaak van dat – koste wat het kost – God zijn weg met Israël moet blijven vervolgen? Want als Hij dat niet meer doet zou er een aanleiding zijn dat Hij vroeg of laat ook de kerk zou kunnen prijsgeven. En zo is God niet, beweert de Handreiking.

Wij zouden alleen willen wijzen op de tempelprediking van Jeremia, (hoofdstuk 7). Waar is Silo gebleven? Zo is ook Jeruzalem geworden tot steenhopen en de tempelberg tot woudhoogten. Zo zal het ook vergaan met een ontrouwe kerk. God is trouw als wij aandachtig luisteren naar zijn stem. Zo niet, dan geeft Hij het erfdeel prijs. Wij zijn ervan overtuigd dat de kerk met deze Handreiking zichzelf een rad voor de ogen draait.

Heerlijkheid of nivellering

Het rapport heeft het fundament van de apostelen geheel losgelaten. De vraag naar de vervulling met Gods Geest, die jaren geleden in het herderlijke schrijven van de kerk naar voren kwam, is niet beantwoord en de volheid wordt gemist. In het hier behandelde rapport wordt de vervulling van Gods bedoelingen met de wereld, het Rijk van God, verschoven naar een nevelige toekomst. De kerk leeft niet meer vanuit de volheid, maar is net als Israël in vage toekomstdromen verzonken. In dat klimaat zal men altijd proberen het oude en nieuwe samen te voegen. In de ‘Handreiking’ wordt geprobeerd een verouderd verbond (Hebr.8:13) in stand te houden naast het nieuwe:

  • ‘Zo zijn het Joodse volk en de Kerk beide onderweg en worden zij beide, elk op eigen wijze, bewaard in Gods trouw.’

Onze vraag is: onderweg, waarheen? ‘Want om u wordt de naam van God gelasterd onder de heidenen’. Terwijl de apostelen zich afkeerden van het ongelovige Jodendom en het Evangelie verder verkondigden aan allen die het maar horen wilden, heeft de kerk de hand toegestoken aan de ‘hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren’ om samen op te trekken. Van welke hoogte is de kerk gevallen! Wij gunnen onze Joodse medemensen van harte hun eigen land, hun eigen stad, vrijheid en vrede. Wanneer wij dit echter proberen te koppelen aan speciale Bijbelse voorrechten, die zij zouden hebben, dan zouden we onszelf metterdaad buiten die voorrechten plaatsen. Wij zouden dan naar de voorhof verhuizen (Op.11:2), terwijl zij aan de andere kant van de scheidingsmuur in het heiligdom mogen staan (Op.11:2). De aanneming tot zonen geldt echter niet alleen de Joden, maar ook de heidenen, niet voor Israël in zijn totaliteit en ook niet voor de heidenen in hun totaliteit, maar voor een rest. Het volk van God dat de beloften van God heeft, is een rest uit Joden en heidenen, die gelooft! En daarin is geen onderscheid.

  • De natuurlijke, aardse Israëlbeschouwing wint meer terrein. Van harte wekken wij daarom onze bezoekers op te blijven bij wat geschreven staat en zich niet door politieke gebeurtenissen te laten misleiden. Over het Rijk van God zegt de Hervormde kerk alleen maar te kunnen dromen!