De opgerichte hut van David

Een aardse hut?

Er is een boek met de aantrekkelijke titel: ‘Mijn wraak is barmhartig’. De titel is aantrekkelijk, omdat deze in een paar woorden het wezen van God karakteriseert: vol van genade en barmhartigheid. De schrijver van dit boek verheugt zich over de goedheid van God. Hij roemt in de genade die ons door Jezus Christus geschonken is. Al lezende echter blijkt dit boek de boodschap van de apostelen zeer te vertroebelen, doordat het oude en nieuwe verbond op wonderlijke wijze met elkaar worden vermengd, met name ten aanzien van het natuurlijke Joodse volk. De schrijver – en met hem vele anderen – kent een speciale plaats toe aan het volk van de Joden. Dit volk zou vooral in de toekomst een belangrijke rol gaan spelen in de evangelieverkondiging onder de heidenen. Zo lezen we in het genoemde boek een gedachte, die onder tal van Israëlfans leeft en waaruit veel dwalingen voortkomen:

  • ‘Vandaar dat voor de apostelen dè grote zendingsvragen betrekking hadden op de wegen van God: een weg waarin het volk verzameld wordt uit de heidenen voor de Naam van de Heer en over de daar op aansluitende oprichting van ‘Davids vervallen hut’ op weg naar de voltooiing van het Rijk van God’.

De vervallen hut

De profeet Amos wordt door de Heer opgeroepen om tegen Israël te profiteren. Hij stelt in zijn aanklacht Israël gelijk aan de Ethiopiërs. Vervolgens zegt de profeet, dat de ogen van de Heer tegen het zondige koninkrijk zijn en de Heer het zal verdelgen van de aardbodem. Alleen het huis van Jacob zal niet helemaal verdelgd worden, maar het zal geschud en gezeefd worden. De woorden van de profeet kondigen het oordeel en de loutering aan van een volk, dat geroepen was tot heerlijkheid, tot een koninklijk priesterschap en een heilige natie. Omdat het volk echter zonder ophouden rebelleert tegen God, vergelijkt de profeet dit volk met een vervallen hut op het veld. Dergelijke hutten werden veel op het land van Israël gevonden. Onder het bladerdak van zo’n hut vond de boer beschutting tegen de zonnestralen. Hij gebruikte er zijn middageten en vond er ‘s nachts beschutting in, als hij de jonge aanplant van het gewas moest bewaken. Wanneer de oogst voorbij was, werd de hut achtergelaten en kwam zo tot verval. Het troosteloze van zo’n verlaten hut was, dat niemand er naar omkeek. De eigenaar stelde er geen prijs meer op. Ook de profeet Jesaja spreekt van deze hut. In Jesaja 1 spreekt hij het wee uit over het zondige volk, de natie, beladen met ongerechtigheid. Te midden van deze verdorven kinderen (van Israël), bevindt zich de ware dochter van Sion. Dat is het ware Israël:

  • ‘De dochter van Sion is overgebleven als een hutje in een wijngaard, als een nachthutje op een komkommerveld, als een belegerde stad’ (Jesaja 1:8).

Zo is de situatie van het ware volk van God in de dagen van Jesaja. Hetzelfde geldt voor de tijd, waarin Amos optreedt. Als dit overblijfsel –dit ware Israël – van de dochter van Sion niet in Israël gevonden zou zijn, zouden wij geworden zijn als Sodom en Gomorra, zegt Jesaja. Vanwege deze trouwe rest heeft God Israël echter niet van de aardbodem geveegd, zoals Hij deed met die twee steden. Niet om het nationale volk Israël, maar om de rechtvaardigen uit dit volk te redden. Die rechtvaardigen waren de weinige ontkomenen, die het ware zaad van Abraham zijn, de kinderen van de belofte:

  • ‘Want u bent allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. Want u allemaal, die in Christus gedoopt bent, hebt u met Christus bekleed. Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: u bent allen immers één in Christus Jezus. Als u nu van Christus bent, dan bent u zaad van Abraham en naar de belofte erfgenamen’ (Gal.3:26-29).

Nu spreekt Amos 9:11 van de belofte, dat God: ‘het vervallen huis van David zal herbouwen’. De overgebleven gelovigen in Israël, die weinig of helemaal geen invloed meer hadden in het volksbestaan en voortdurend aan gevaren en bedreigingen blootstonden, zouden door God bij elkaar verzameld en tot heerlijkheid gebracht worden. Hij zou opnieuw zijn intrek nemen in deze verlaten hut. Deze vervallen hut zou opnieuw tot een schuilplaats worden van het ware volk van God. God zou opnieuw zijn kinderen ‘in een hut verbergen voor de laster van kwade tongen’ (Psalm 31:21).

De uitleg van de apostelen

De vraag is nu: op welke tijd doelt de Geest van God, wanneer de profeet Amos over dit herstel spreekt (1 Petrus 1:10-12)? In Handelingen 15 kunnen we lezen hoe de apostel Jacobus deze woorden van Amos aanhaalt, tijdens het apostelenconvent te Jeruzalem. De oudsten waren samengekomen om het probleem van de besnijdenis te bespreken (vergelijk de nieuwe, geestelijke besnijdenis van Christus). Sommigen uit de partij van de Farizeeërs waren wel tot geloof gekomen maar ook waren ze nog steeds ‘ijveraars voor de wet’. Zij vonden dat ook de heidenen, die tot geloof kwamen, besneden moesten worden. Het is in de allereerste plaats Paulus die zich hier fel tegen keert. Petrus sluit zich bij Paulus aan. Hij constateert dat noch zij noch de voorvaders de wet hebben kunnen dragen (Rom.7:1-26). Waarom zouden we de heidenen dan er mee lastig vallen, zo vraagt Petrus zich af. Immers zowel de heidenen als de Joden worden door de genade van de Heer Jezus behouden.

Vervolgens staat Jacobus op en hij stelt vast dat de bekering van de heidenen door het geloof voortvloeit uit de beloften, die de Heer in Amos 9 gedaan heeft. De situatie, waarin de Gemeente in Jeruzalem en alle gemeenten zich op dit moment bevinden, is precies door de profeten voorzegd. Jacobus herkent in de omstandigheden het woord van God. De profeet had immers gezegd dat God eerst de vervallen hut van David overeind zou zetten en restaureren, zodat vervolgens het overige deel van de mensen de Heer zou zoeken en alle heidenen dit zouden doen. Deze exegese van Jacobus is betrouwbaar en aanvaard door alle apostelen. De apostel beweert, dat het woord van Amos in vervulling is gegaan. De vervallen hut van David is niet opgericht door een oudtestamentische besnijdenis of het volgen van de wet, maar doordat Jezus aanvaard werd.

Harde leerschool

Verder haalt Jacobus nog Mozes als voorbeeld aan, die op iedere sabbat wordt voorgelezen en het verbieden van verstikt vlees en bloed voor de heidenen, iets wat de jehova’s getuigen fanatiek hebben overgenomen (vers 20). Helaas is dit een compromis met de farizeeën die hem later zullen vermoorden. Paulus schreef jaren later dat iedere keer dat Mozes werd voorgelezen, er een bedekking over het volk kwam die slechts in Jezus Christus kan verdwijnen (2 Cor.3:15,16). Iets wat de Israëlfans van vandaag nog steeds niet willen begrijpen.

Na dit apostelconvent komt Paulus jaren later in Jeruzalem. Hij werd vreugdevol door Jacobus ontvangen met de mededeling:

  • ‘U ziet, broer, hoeveel duizenden Joden er zijn die geloven; en zij zijn allemaal ijveraars voor de wet!’ (Hand.21:20). 

Ook Paulus kreeg daar een harde leerschool om hem van ‘de angst voor de joden’ af te helpen en om hun overgeleverd wetticisme geheel te verwerpen. Hij werd zo genezen van het judaïsme. Iets wat vandaag ook hard nodig is bij de aardse Israëlfanaten. Jezus heeft nooit gezegd dat ze er een schepje bovenop moesten doen om uiteindelijk toch gerechtvaardigd te worden, maar Hij bracht het woord van geloof. Zó, op die manier, werd de vervallen hut van David opgericht. Jacobus zegt nu: ‘Als het zó met ons ging, laat het dan ook zó met de heidenen gaan en breng ze niet onder het juk van de wet.’

De gerestaureerde hut van David is de kleine groep van gelovigen uit de Joden. De onbeduidende, vervallen hut van David waren de weinige rechtvaardigen in Israël, zoals de oude Simeon (Luc.2:25) en Nathanaël (Joh.1:8) en nog anderen. Zij werden verdrongen door het uiterlijke vertoon en de huichelarij van de officiële clerus. Vaak werden zij zwaar vervolgd en – net als de profeten – vermoord. Toen Jezus echter verscheen, werd Hij onmiddellijk door hen herkend als de Beloofde. De overige Joden, het verharde deel dat niet bij het ware Israël hoorde, verwierp Hem. Net als in de tijd van Jesaja was er in de dagen van Jezus een rest, die ontkwam. Zo is er ook in onze dagen een rest van Israël ontkomen en zal deze rest ook in de toekomst gevonden worden. Er is echter nooit in de Schrift sprake van ontkoming voor álle Joden, zonder uitzondering.

  • Het herstel van de vervallen hut van David is dus volgens de apostelen tot stand gebracht. Daarom is het een dwaling, die tot nog veel grotere dwalingen leidt, wanneer de woorden van Amos worden verlegd naar de toekomst. De bekering en het geluk voor de heidenen is het gevolg van het feit, dat de vervallen hut van David hersteld ÍS(!) en niet omgekeerd, zoals Leenhouts en heel veel anderen beweren.

Nu spreekt Paulus in Romeinen 11:25-36 van de mogelijkheid, dat de heidenen Israël jaloers zouden maken. Deze gedachte brengt velen tot de conclusie, dat ‘dus’ de vervallen hut van David via de heidenen weer opgericht wordt. Dit is zoals aangetoond, echter niet het geval. Wat moet dat tot jaloersheid wekken dan betekenen? De jaloersmakende factor is gelegen in de volheid van de heidenen. Deze volheid duidt niet (ook volgens ds. Leenhouts) op een getal, maar op de kwaliteit. De volheid van de heidenen is ingegaan op het moment, dat de eerste niet-Jood gedoopt werd in Heilige Geest. Dezelfde Heilige Geest, die de (Joods-christelijke) gemeente in Jeruzalem had ontvangen, werd nu ook over de heidenen uitgestort, zodat het zou worden: één hut. Paulus schrijft aan de Efeziërs dat wij in Jezus en door de navolging van Hem vervuld zullen worden tot alle volheid van God. Wij leven in de tijd van de volheid. Wij hebben de volheid verkregen in Hém (Col.2:10). Hoe meer we Hém leren kennen, hoe meer deze volheid ook metterdaad ons deel zal zijn. Er zit ontwikkeling in en het gaat naar een ongekend heerlijke volheidstoekomst.

Het is echter niet zo, dat er een nieuwe, andere volheid zal aanbreken, bijvoorbeeld een ‘eenheidsvolheid’. Dat zou een andere volheid zijn dan die gekomen is met de uitstorting van Heilige Geest. Ook deze vurig begeerde eenheid zal alleen het resultaat zijn van het werk van de Geest van de waarheid, die uitgestort is. Het is echter niet die eenheid die Israël jaloers zal maken, maar de volheid van de Geest. Gods Geest die de twee (Jood en heiden) tot één (nieuwe) mens heeft gemaakt, moet het overige deel van Israël tot jaloersheid wekken. De jaloezie zal niet de vervallen hut oprichten, maar door de jaloezie kunnen de afgehouwen takken opnieuw geënt worden. En zo zullen ze een schuilplaats kunnen vinden in de gerestaureerde hut van David.

  • Het jaloersmakende element wordt op veel eindtijdwebsites met hun ‘Israëlvisies’ verlegd naar de toekomst. Dit is in die groepen noodzakelijk, omdat men op de een of andere manier een constructie moet vinden, die de plotselinge bekering van het nationale Israël mogelijk maakt. Daarom verwacht men eerst grote gebeurtenissen onder de heiden-christenen, die dan het nationale jodendom tot jaloersheid zullen wekken. Het Nieuwe Testament rept hierover met geen woord. Het is een exegese van het Oude Testament, die niet overeenstemt met de leer van de apostelen.

Sommigen beweren dat als de apostelen de gelegenheid hadden gehad om hierover duidelijker te schrijven, zij het nationale herstel zeker zouden hebben voorzegd. Dit is een ‘argumentum silentio’ (uit het stilzwijgen opgemaakt bewijs). Voor ons pure dwaling, omdat de principiële uiteenzettingen, die de apostelen in hun brieven hebben gegeven van het christelijke geloof, nooit tot zulke stellingen kunnen leiden of men zou de ongelooflijkste redeneringen moeten aanbrengen. Daarom verwerpen wij ook elke openbaring, visioen, profetie of wat ook, die niet volkomen parallel loopt met de basisprincipes van het Nieuwe Testament. Paulus hoopt dat zijn bediening ‘zo mogelijk’ de jaloezie van zijn volksgenoten zal opwekken. Hij drukt zich uiterst voorzichtig uit. Bij hem vinden we niets van die irreële, ongeestelijke aanbidding van het natuurlijke volk Israël zonder Jezus Christus en dus ook zonder zijn Vader. Wie immers de Zoon niet gelooft heeft ook de Vader niet. Paulus verwacht dit jaloersmakende element daarom niet in de toekomst, maar hij acht dit ten volle aanwezig in het evangelie dat hij predikt. Daarom zegt hij ook in Rom.11:31:

  • ‘Zo zijn zij (de Joden) nu ongehoorzaam om door de barmhartigheid die u ondervonden hebt, ook zelf NU barmhartigheid te ondervinden’.

Uitdrukkelijk spreekt de apostel van ‘nu’, zoals dit ook met nadruk in de Griekse tekst te vinden is. Dit ene woordje al werpt de hele theorie van Israëls toekomst ondersteboven. De prediking van het oorspronkelijke evangelie moet ook de Joden tot jaloersheid wekken zodat ze, wanneer ze niet bij hun ongeloof blijven weer geënt worden (Rom.11:23). Het jaloersmakende is gelegen in het feit, dat er een gemeente is, gedoopt met Heilige Geest, waarin Jood en heiden tot een eenheid gemaakt zijn door het geloof. De Joden en de heidenen, die zich niet verharden, zullen door het evangelie in deze gemeente worden ingelijfd door het geloof. Zo was dit vroeger in de tijd van de apostelen, zo is dit nu en zo zal het in de toekomst zijn.

On-Bijbels

Het is verbazingwekkend, hoe men boeken en websites vol kan schrijven met allerlei gedachten en leringen die gebaseerd zijn op een on-Bijbels uitgangspunt. Daardoor komt men in hopeloos drijfzand terecht. Men moet zijn theorieën dan met tal van fragmentarische stellingen en losse teksten boekstaven. De hierboven weerlegde theorie voert naar een aards evangelie, waarin de gemeente verwikkeld dreigt te worden in het listige spel van boze geesten, die volken en rassen tegen elkaar opzetten. Het zou de gemeente van God voor de verplichting stellen partij te kiezen tussen de verdeeldheden van deze wereld. Wij echter hebben een Koninkrijk, niet van deze wereld en we willen deze uitzonderlijke positie van heilige natie en van koninklijk priesterschap niet afstaan of verloochenen.