De hemel of de wereld?

  • ‘U bent van beneden, Ik ben van boven; u hoort bij deze wereld, Ik hoor niet bij deze wereld’ (Johannes 8:23).

Van boven of van beneden?

Het evangelie van Jezus Christus is niet van deze wereld. Iedere christen zal deze uitspraak volmondig toegeven, maar als wij de bedoeling van Jezus’ woorden proberen te verstaan, zal blijken dat de praktijk van het christendom meestal geworteld is in een natuurlijk en aards denken en dit zelfs vaak gevoed wordt vanuit het rijk van de duisternis. In Johannes 8 valt ons de scherpe tegenstelling op tussen de leer van Jezus en die van de synagoge van zijn tijd. Deze kloof wordt in dit hoofdstuk geaccentueerd door de woorden ‘Ik’ en ‘u’. Hij is van boven en zij zijn van beneden. Zijn vaderland is de hemel en hun verblijfplaats is de aarde, waar de satan van deze wereld de heerschappij heeft. Jezus is van boven geboren en de synagoge staat in verbinding met beneden, met Dood hemzelf en zijn dodenrijk. Jezus leeft en handelt in de hemelse gewesten en werkt met de krachten van de toekomende eeuw (Hebr.6:4,5). Hij is verbonden met het licht, maar het religieuze volk van zijn tijd is verbonden met de duisternis. De Joden kenden alleen een natuurlijke geboorte, zoals uit de woorden van Nicodémus bleek, maar geen wedergeboorte of zoals er letterlijk staat een ‘van boven’ geboren zijn. Hun religieuze cultussen hoorden bij de aarde in het stipt houden van geboden en inzettingen, van wassingen, uitwendige reinigingen, maar deze waren door en door occult. Zij lieten het voornaamste van de wet na: ‘het oordeel en de barmhartigheid en de trouw’ (Matth.23:23).

Scheiding tussen goed en kwaad

Het oordeel bewerkt de scheiding tussen goed en kwaad. De aardse joden weigerden het inzicht in de hemelse gewesten en daarom waren zij niet in staat de goede en de kwade geesten van elkaar te onderscheiden en te scheiden. Zij konden dus niet zien wat van God kwam en wat van de duivel was. Ook misten zij het wezen van de onzienlijke God, die rijk is aan barmhartigheid en goedheid. Daarom hadden zij geen boodschap voor gebondenen, zieken, zondaars, tollenaars en hoeren. Bij hen werd ook geen trouw of zoals de oude vertaling zegt, ‘geloof’ gevonden. Het was hun onmogelijk het ware woord van God in volhardend geloof te blijven vasthouden. Op het ogenblik dat Jezus sprak, was Hij de enige, die een leven en een strijd in de hemelse gewesten had, zodat Hij zeggen kon:

  • ‘En niemand is opgevaren in de hemel, dan die uit de hemel neergekomen is, namelijk de Mensenzoon die in de hemel IS’ (Joh.3:13). Met ‘opvaren’ wordt hier bedoeld het overgezet zijn in de hemelse gewesten (Ef.2:6).

Abrahams nageslacht

In John 8:33 noemen de Joden zich trots nakomelingen van Abraham. Zij gingen er van uit dat God zijn beloften aan een natuurlijk geslacht gegeven had. Zij hadden hun penis van de voorhuid ontdaan en dat zou het bewijs zijn, dat zij tot het uitverkoren volk van God behoorden! Maar Paulus zegt later: ‘Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël’ (Rom.9:6). Om bij ware Israël te horen moest de Jood niet alleen zijn penisverminking dragen (wat niet van God kwam, maar van de wetten van Hammurabi), maar ook door het geloof een geestelijke band met God hebben. Jezus wijst echter de Joden erop, dat zij niet een band met God hadden, maar met de duivel. Hij sprak:

  • ‘Waarom begrijpt u niet wat Ik zeg? Uw vader is de duivel en u doet maar al te graag wat uw vader wil. Hij is vanaf het begin een moordenaar geweest’ (Joh.8:43,44).

Niet hun natuurlijke afkomst uit Abraham besliste, maar hun contact in de onzienlijke wereld bepaalde hun kindschap. Abrahams zaad naar het vlees verdwijnt en is tijdelijk, maar Abrahams zaad naar de geest is blijvend en eeuwig en heeft de belofte. Abraham had veel zonen, maar alleen Izak werd tot zijn zaad gerekend. De kinderen van Ketura en de zoon van Hagar telden niet mee. Hetzelfde vinden wij bij Ezau en Jacob. Naar het natuurlijke kwam Ezau in aanmerking, maar God verkoos Jacob die de jongste was. Aan deze verbond Hij de beloften. Jacob had twaalf zonen. De belofte was niet voor de oudste zoon Ruben of voor een van zijn lievelingszonen Jozef of Benjamin, maar de patriarch profeteerde op zijn sterfbed: ‘Juda, u bent het, u zullen uw broers loven.’ De scepter was voor Jacobs vierde zoon. In Juda verkoos God het huis van David en uit diens geslacht werd de Beloofde geboren. Abraham had tenslotte slechts één zaad en dat was Christus:

  • ‘Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus’ (Galaten 3:16).

Alle beloften aan Abraham worden in Christus ingelost

Alle beloften zijn aan Abraham, Izak en Jacob gegeven: ‘Want hoeveel beloften van God er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen’ (2 Cor.1:20). De apostel voegt hier opmerkelijk genoeg aan toe: ‘Tot eer van God door ons!’ Bij het erven van al Gods beloften gaat het er dus over om ‘in Christus’, dat is in zijn lichaam te zijn; dus tot bij gemeente te horen. Het nieuwe verbond heeft niets te maken met natuurlijke afstamming, maar:

  • ‘En omdat u Christus toebehoort, bent u nakomelingen van Abraham, erfgenamen volgens de belofte’ (Gal.3:29). Van het natuurlijke Israël wordt gezegd: ‘Het woord Hagar betekent de berg Sinaï in Arabië (de Sinaï ligt immers in het gebied van Hagar’s nageslacht). Het staat op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij. Maar het hemelse Jeruzalem is vrij; en dat is onze moeder (Sara)’  (Gal.4:25,26).

Er is een Israël van deze aarde dat overeenkomt met de weggezonden zoon Ismaël en er is een Israël van de hemel dat alle beloften erft. Er is een natuurlijk volk en er is een Israël van God (Gal.6:16). Er is een aards en een hemels Jeruzalem. Als de apostel zegt: ‘Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël’, bedoelt hij dat alleen zij die in de beloften geloven ook al in het oude verbond tot het ware Israël gerekend worden. De anderen hebben de duivel tot vader en sterven in hun zonden (vers 24). Het ware Israël dat zich aan de beloften vastklemde, waren in Jezus’ dagen bijvoorbeeld: de oude Simeon en Anna, de profetes en Zacharias, de vader van Johannes de Doper en met hen ‘allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten’ (Luc.1:38). Zij vormden de ware olijfboom van Israël. God wil met een natuurlijk (ongelovig) volk niets te maken hebben. Het Israël van God was de eerste christengemeente op de pinksterdag en later de gemeenten in Judéa. Van de heiden zegt de apostel: ‘U bent als wilde loot daartussen (tussen de goede takken) geënt en hebt deel gekregen aan de saprijke wortel’ (Rom.11:17). Een tak die op een boom geënt wordt, vormt daarmee een onverbroken eenheid. Ieder verschil valt weg. Daarom horen wij als heidenen bij het Israël van God. De dode takken werden en worden nog steeds weggenomen en zij zijn bestemd tot verbranding. Er is maar één olijfboom, er zijn er geen twee!

Ook nu nog treffen wij de gedachte aan, dat God met een natuurlijk volk Israël nog bijzondere plannen in de natuurlijke wereld heeft. Uitdrukkelijk wijst Jezus deze aardse en ongeestelijke voorstelling van de hand. Zijn leer is immers van boven en betreft de geestelijke, onzienlijke wereld en heeft primair geen betrekking op de aarde en de natuurlijke, zichtbare wereld. De Joden reageerden echter op dit evangelie van Jezus Christus met de woorden: ‘Onze vader is Abraham.’ Vanwege zijn woorden probeerden ze Jezus te doden. Waar men weer op het natuurlijke volk Israël het accent gaat leggen, moet men wel aan de gemeente, het lichaam van Christus, een groot gedeelte van Gods beloften ontnemen. Wie dus ‘in Christus’ zijn, zouden maar een deel van Gods beloften hebben, wat in strijd is met de duidelijke uitspraken van Gods Woord. Het weer teruggrijpen naar het oude verbond en naar het natuurlijke volk Israël gaat daarom meestal gepaard met een groot gebrek aan inzicht in de bedoeling van God met de gemeente van de Heer. Hoe sterker men uitziet naar het herstel van een natuurlijk Israël, hoe minder belangstelling men heeft voor het herstel van de gemeente en hoe minder men geïnteresseerd is, of deze haar einddoel bereikt.

Leven of dood

Vanuit zijn hemelse visie zei Jezus: ‘Ik zeg u, als iemand mijn woord bewaard heeft, zal hij de dood in eeuwigheid niet zien of proeven’ (vs. 51,52). De reactie op deze woorden was vanuit de natuurlijke mens wel te verklaren. Ogenblikkelijk is het antwoord van de Joden: ‘En Abraham dan, is deze dan soms niet gestorven? En zijn dan de profeten niet dood?’ Dit laatste wisten zij wel heel zeker, want zij hadden daar toch zelf flink aan mee geholpen. Jezus antwoordde:

  • ‘Uw vader Abraham heeft zich erop verheugd mijn dag te zien en hij heeft die gezien en zich verblijd. De Joden zeiden dan tot Hem: U bent nog geen vijftig jaar en hebt U Abraham gezien? Jezus zei de tot hen: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u. Eer Abraham was, ben Ik” (vs.56,57). Zie verder de pre-existentieleer.

Opnieuw botsten twee werelden op elkaar. Naar het natuurlijke hadden de Joden gelijk. Abraham was gestorven en ook de profeten. Maar Jezus sprak over de eeuwige, onzienlijke wereld en niet over de tijdelijke en zichtbare. Voor de natuurlijke mens is de gestorvene dood, maar ‘voor Hem leven zij allen’ (Luc.20:38). De gelovigen zien in de hemelse gewesten, waarin zij nu al leven, de dood niet. Wat de opwekking betreft, God wekt geen wezens op die er niet zijn, maar die léven. Zoals een slapende gewekt wordt en terugkeert vanuit zijn droomwereld naar de natuurlijke wereld, zo keren bij de opstanding ook de ‘ontslapenen’ terug vanuit de onzienlijke wereld naar de zienlijke. Jezus bemoeide zich niet met een tijdelijke dood, maar Hij verkondigde de eeuwige dood of het eeuwige leven. Wie in Jezus gelooft, heeft eeuwig leven. Het is daarom opmerkelijk dat kerken die de zogenaamde zielenslaap leren, al hun bewijsmateriaal juist moeten putten uit het oude, tijdelijke verbond en de duidelijke schriftuurplaatsen uit het nieuwe en eeuwige verbond verdraaien moeten om pasklaar gemaakt te worden voor deze valse leer. Zij hebben geen inzicht in de wereld die ‘van boven’ is, evenmin als de mensen van het oude verbond dit hadden. Ook zij begrijpen niet wat Jezus zei (vers 43).

Geestelijk of natuurlijk

Jezus kwam uit de geestelijke wereld, die van boven was. De Joden kregen eenmaal in de woestijn het manna uit de hemel. Voor hen was dit concreet van boven en wezenlijk. Dit was voor hen nl. echt, hemels(!) brood. Zij hadden het met eigen ogen kunnen zien. Toch zegt Jezus: ‘Dit was niet het ware brood, want zij die ervan aten, zijn toch gestorven.’ Jezus was het ware brood, dat God uit de hemel op de aarde had doen neerdalen. Hij sprak zelf: ‘Ik ben het Levensbrood. Dit is het brood, dat uit de hemel neerdaalt, wie ervan eet, sterft niet’ (Joh.6:48-50). Niet het zichtbare en het stoffelijke zijn de gestalte, maar zij zijn slechts de schaduw van het eeuwige en het blijvende. Het manna dat in de woestijn neerdaalde als brood voor het volk, is de schaduw van het Woord van God, dat neerdaalde door Jezus Christus, opdat wie in Hem gelooft nooit meer zal hongeren. Zo was ook de zichtbare tempel slechts een schaduw van de onzichtbare, hemelse tempel, dat is de gemeente van Jezus Christus.

De reacties van de schriftgeleerden en Farizeeën kwamen dan ook vanuit hun arrogante zelfverblinding. Juist bij deze uitleggingen van Jezus verklaarden zij Hem voor bezeten en uit de duivel. Zijn woorden vonden bij hen geen weerklank en daarom wilden zij Hem vermoorden, net als al de profeten. Zij waren geestelijk bewust blind, die geen visie hadden in de geestelijke wereld, noch in het Koninkrijk der hemelen dat Jezus nu juist aan het openbaren was. Hun leven, hun strijd, hun schatten waren niet in de hemel, maar op de aarde. Jezus had echter gezegd: Zoek eerst het Koninkrijk van God en de aardse dingen zullen u bovendien geschonken worden. Zover de Joden zich wel in de geestelijke wereld bewogen, leefden zij in de leugen. Zij hadden immers gemeenschap met de duivel, die de vader van de leugen is. De leugen is het beginsel van de duivel, zoals de waarheid uit God voortkomt. Jesaja sprak over de leugenaars: ‘Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad; die duisternis voorstellen als licht en licht als duisternis; die bitter doen doorgaan voor zoet en zoet voor bitter’ (Jes.5:20). Jezus bracht het licht, de waarheid en het onvergankelijke op aarde, maar de synagogen van zijn tijd (en alle kerken na Hem), noemde Hem een bezetene, die dus duisternis, leugen en bedrog bracht, omdat zij zelf de werkelijke duisternis liever had dan het licht.

‘Lezen wat er staat……’

In onze tijd zien wij onder het schijnchristendom ook zulke verdraaiingen van de waarheid. Men redeneert vanuit wat men ziet en dringt niet door tot de geestelijke werkelijkheid van de dingen. Men zegt: ‘Men moet lezen, wat er staat’ en maakt daarmee opnieuw van het beeld de werkelijkheid en men blijft staan bij het zichtbare. Wanneer men geen inzicht heeft in de geestelijke wereld, zoals Jezus dat gebracht heeft, is het mogelijk dat men de gedachten van God en die van de duivel verwisselt. Dan noemt men bijvoorbeeld ziekte geen kwaad dat door de demonen bewerkt wordt, maar een zegen van God door zijn Vaderhand ons toebedeeld! Bovendien zegt men dat een gebroken, dat is een aangetaste geest en een verbrijzeld hart, dat is een aangetast zielenleven, God welgevallig is. Hij zou dan behagen hebben in mensen, die naar lichaam, ziel en geest beschadigd zijn. Maar de Bijbel zegt, dat Gods wil het goede, welgevallige en volmaakte is (Rom.12:2). Daarom kwam Jezus om te herstellen, te verbinden, vrij te maken en te genezen.

Het is een leugen te belijden dat men zondaar moet blijven tot de dood en dat de allerheiligste slechts een klein beginsel van gehoorzaamheid kan hebben. Deze belijdenis wordt door vrome geesten geïnspireerd en men lastert daarmee de heerlijkheden van God, die spreken over rechtvaardigheid, heiligheid, koning- en priesterschap van de gelovigen en over vervulling met Heilige Geest. Jezus kwam immers om ‘veel zonen en dochters tot heerlijkheid te leiden’. Hij zegt tot de gelovigen:

  • ‘U bent het licht van de wereld; een stad boven op een berg gelegen, die niet verborgen kan zijn’ (Matth.5:14). Zo spreekt men graag over zondebesef, maar de apostel heeft het liever over ‘zonder besef van kwaad’ (Hebr.10:22).

Een leugen is het wanneer men belijdt dat een baby door een paar waterdruppeltjes in het nieuwe verbond ingelijfd wordt. Men komt hier pas in door de nieuwe  geboorte, als men van boven geboren is. Een leugen is het om te zeggen dat men de doop in Heilige Geest niet nodig heeft, omdat men deze bij de nieuwe geboorte automatisch ontvangen zou hebben. Daarom moet men dan ook tegen het uitdrukkelijke woord van Jezus in Lucas 11:13 gaan verbieden om te bidden om Heilige Geest. Paulus vroeg echter aan de twaalf mannen in Efeze: ‘Hebben jullie de Heilige Geest ontvangen, toen jullie tot geloof kwamen?’ (Hand.19:2). Zij lieten zich door de apostel dopen in water, maar pas nadat hij hen de handen opgelegd had, ontvingen zij de doop in Heilige Geest. ‘En zij spraken in nieuwe talen en profeteerden.’ In Handelingen 8 wordt verteld dat de Samaritanen in het evangelie geloofden. Zij lieten zich dopen, maar hadden de doop in Gods Heilige Geest niet ontvangen. Geruime tijd later ontvingen zij deze onder oplegging van de handen van Johannes en Petrus. Cornelius en zijn gezin ontvingen wel de Heilige Geest toen zij tot het geloof kwamen. Terwijl Petrus nog sprak ‘viel de Heilige Geest op allen, want zij hoorden hen spreken in nieuwe talen en God grootmaken’ (Hand.10:44-47).

Zoek de dingen die boven zijn

De apostel Paulus waarschuwt ons, dat wij vernieuwd moeten worden in ons denken. Wij mogen niet aan deze wereld gelijkvormig worden. De vrome wereld gelooft dat een mens ziek en zondig moet zijn. Maar de Bijbel leert dat wij een nieuwe schepping zijn en vanuit de onzienlijke wereld de overwinning behalen mogen op demonische ziekte- en zondegeesten en genezing ontvangen. Omdat men de geestelijke wereld niet verstaat en de toegang tot het Koninkrijk van God afsluit, verwacht men de openbaring van de zonen van God niet. Daarom ziet men ook niet uit naar de uitstorting van Gods Geest in deze laatste dagen over de gemeente van Jezus, maar men verwacht dit wel voor een natuurlijk en aards volk Israël zónder Jezus Christus! Men gelooft in de vervulling van Gods beloften op dezelfde wijze als de vijanden van Jezus dit deden. Zo is het geloof in God doorweven met het geloof in de leugen, want de vijand wil niet dat de kinderen van God het einddoel van het geloof, de redding van de zielen, het behoud van de totale mens naar lichaam, ziel en geest, zullen bereiken.

  • Wij danken de Heer echter, dat het evangelie van het Koninkrijk der hemelen gepredikt wordt. Het eeuwig evangelie opent de weg tot de geestelijke wereld. Door de doop in Heilige Geest wordt het mogelijk daar onze plaats in te nemen en als kinderen van het licht te leven.