In eigen land waarschuwen wij voor de extreme vormen van allerlei Israël leringen. In dit opzicht ligt Nederland wel aan de kop. In het Reformatorisch Dagblad lazen wij dat op een vergadering van het ‘verbond van Vrijgemaakte Gereformeerde evangelisatiecommissies’ kritiek werd uitgeoefend op de romantische verering van het huidige Israël in kringen van de Evangelische Omroep. Die getuigt van weinig diepgang en typisch Amerikaanse oppervlakkigheid’. Wij worden immers in ons land begraven onder allerlei Engels-Amerikaanse instellingen en leringen. Het gaat hier om een geraffineerde methode die de vijand gebruikt om de christenen de weg naar hun geestelijke volwassenheid te blokkeren. Men schrijft over de gemeente als over een leger, waarin de eenvoudige soldaat blindelings de bevelen van zijn meerdere moet opvolgen. Anders kan er geen overwinning worden behaald. Onze geestelijke strijd wordt op deze manier een natuurlijk gebeuren.
We zouden willen vragen: voedt u uw kinderen ook op deze manier op, of brengt u ze bewust tot zelfstandigheid, zodat ze vrije mensen worden? Moeten wij de gemeenteleden met natuurlijke middelen er onder houden, of worden zij ook geleid door Gods Geest en hebben wij ons met elkaar vrijwillig onderworpen aan de wet van de liefde?
Terug onder het slavenjuk
Verlost zijn van de overheersing van de zonde, bevrijd van elke herinnering aan het verleden door de doop in water, bekleed met kracht uit de hoogte door een doop met Gods Geest en dan desondanks weer terechtkomen onder een slavenjuk en het einddoel van het geloof niet bereiken! Kan dat? Ongetwijfeld (Gal.3:1)! Israëls geschiedenis levert daar een frappant voorbeeld van:
- ‘Heel dit volk werd uit het diensthuis uitgeleid.
- Allen gingen door de zee heen.
- Allen lieten zich dopen in de wolk.
- En toch heeft God in het merendeel van hen geen plezier gehad, want zij werden neergeveld in de woestijn’ (1 Cor.10:5).
Ook nu kan deze tragedie zich onder christenen herhalen: ‘Immers: dit is hun overkomen tot een voorbeeld voor ons en het is opgetekend als waarschuwing voor ons over wie de eindtijd is gekomen.’ Wat was de reden van het falen van Israël? Zijn ongehoorzaamheid aan Gods geboden? Zijn afgoderij en wellust, zijn hoererij en rebellie tegen het gezag van zijn leiders? Zeker heeft dit alles een rol gespeeld. De werkelijke oorzaak lag echter dieper: zij konden niet ingaan wegens hun óngeloof! In feite was het aan de voet van de berg Horeb, dat over het lot van het verloste Joodse volk van het oude verbond, beslist werd. De Heer had hen daar gebracht om het uiteindelijke doel van de weg met zijn volk te openbaren. ‘Als u aandachtig naar Mij luistert .. zult u Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk’, vertrouwde God hun hier toe (Ex.19:5,6).
Daarmee openbaarde Hij de diepste verlangens van zijn Vaderhart: mensen voor Zichzelf afzonderen, Zich aan hen in heerlijkheid openbaren en hen oproepen Hem in zijn tegenwoordigheid persoonlijk als priesters te dienen. Om dit grootse plan te realiseren, zou Hij in heerlijkheid op de Sinaï neerdalen en het volk zou het legerkamp uit mogen trekken om dit van dichtbij mee te maken. Om Hem te zien zoals Hij is en Hem te leren kennen in zijn wezen. ‘Bij de langgerekte toon van de hoorn mogen zij de berg bestijgen’ (Ex.19:13), was dan ook Gods uitdrukkelijke oproep – zij zouden dichtbij mogen komen tot de uiterste grens die de Heer daar voor had bepaald. Aan bereidheid om op die uitdaging in te gaan, ontbrak het aanvankelijk niet. ‘Alles wat de Heer gesproken heeft, zullen wij doen’, getuigde het volk enthousiast.
Donderslagen, bliksem en duisternis
Op het kritieke moment echter faalde het jammerlijk. Toen brandend vuur op de berg oplaaide, een stormwind begon te razen en donderslagen en bliksemschichten uit de duisternis die de berg bedekte, schoten tevoorschijn (dit alles van de Satan die hen wilde beletten) en er kwam een totale verlamming over al deze volgelingen van God: ’Toen het volk het zag beefde het en bleef van ver staan’ (Ex.20:19). De reden? Het ontbrak Israël aan onderscheiding van geesten om door al die onheilspellende verschijnsels heen te kijken. Wanneer men God nadert, komen ook Satan en zijn demonen in het verweer. Het ontbrak hun daarom aan gelóóf, geloof dat zij niet zouden omkomen in deze krachtmeting. Geloof in een God van enkel licht, in wie geen plaats is voor duisternis. Geloof in een God die enkel goed is en die bij een intieme ontmoeting met zijn verlosten alleen maar het goede met hen voorheeft. Geloof in een God die een beloner is van wie Hem serieus zoeken en die vrijmoedig ingaan op zijn uitnodiging om tot Hem op te klimmen.
Het ontbreken van dit vertrouwen werd Israëls’ ondergang. Toen de langgerekte toon van de hoorn klonk als bevel om de berg te bestijgen en de levende God te ontmoeten, gaf Israël eenvoudig niet thuis. In plaats van zich gehoorzaam uit te strekken naar een persoonlijke levens vernieuwende ontmoeting met de Heer, ‘verzochten zij dat niet verder (direct) tot hen gesproken werd’ (Hebr.12:19). Op deze ‘oer ongehoorzaamheid’ zouden in de loop van Israëls geschiedenis veel ongehoorzaamheden volgen. Dit kon ook niet anders. Het ontbrak hun immers aan de ‘gehoorzaamheid van het gelóóf’, geloof van waaruit een persoonlijk contact met de levende God mogelijk wordt, geloof om Gods directe spreken tot je hart te onderscheiden, geloof waardoor goddelijke dynamiek en kracht je toestromen om je in staat te stellen de wil van God ook te doen!
De wet als slavendrijver
Ondanks dit oer falen liet de Heer zijn volk echter niet onmiddellijk los. De persoonlijke gemeenschap met Hem en zijn directe spreken tot hun hart verwierpen zij, toen zij tot Mozes zeiden: ‘Spreekt u met ons, dan zullen wij horen; maar God spreekt niet met ons, zodat wij niet sterven’ (Ex.20:18,19). Toch ging Hij met vaderlijke ontferming op dit voorstel in. Door middel van Mozes gaf Hij hun daarom maar wetten. Niet omdat dit een onderdeel van zijn oorspronkelijke plan zou zijn, maar slechts als noodoplossing vanuit de hoop de uitbrekende zonden in hun ongelovige, rebelse harten wat in te tomen. Veel eeuwen later zou dat duidelijk door de apostel Paulus onderkend worden: ‘Voordat dit geloof (in Jezus Christus, die Gods werkelijke wezen openbaarde dat uit louter goedheid en liefde bestaat) kwam, werden wij onder de wet in ‘verzekerde bewaring’ gehouden met het oog op het gelóóf, dat geopenbaard zou worden’ (Gal.3:23).
Het is duidelijk dat Israël met de wetgeving van de Sinaï zich als volk ook onder een regeringsbestel plaatste dat op een ander niveau lag als God oorspronkelijk voorhad. Waar men de persoonlijke gemeenschap met God verwierp, werd men nu overgeleverd aan bemiddelaars die wél Gods stem verstonden, of althans pretendeerden dit te doen. Zij waren het die door hun wetsinterpretatie en hun profetisch inzicht concrete aanwijzingen voor de handel en wandel van ‘het gewone volk’ moesten geven. Geen wonder dan ook dat Israëls geschiedenis in de loop van de eeuwen steeds duidelijker gekenmerkt werd door geprivilegieerde priesterkasten, profeten en zieners, rechters, oudsten en oversten, wetsuitleggers en Schriftgeleerden.
In Jezus’ dagen had dit proces ongetwijfeld zijn dieptepunt bereikt. De opinie van het gewone volk werd volkomen irrelevant beschouwd. Alleen aan de oversten, zou als aan bijzondere begenadigden van God, de raad geopenbaard zijn. Het waren ook de overpriesters en de Farizeeën die meenden met goddelijke accuratesse de vraag te kunnen beantwoorden of Jezus al dan niet erkend zou moeten worden. Durfde iemand uit het volk een lans voor de Meester te breken, hij kreeg onmiddellijk het verwijt te horen: ‘Bent u soms ook verleid? Heeft soms één van de oversten in Hem geloofd, of van de Farizeeën? Maar die menigte, die de wet niet kent, vervloekt zijn zij!’ (Joh.7:47).
Ziedaar het einde van alle tegenspraak! Alleen de ‘ingewijden’ mogen als schatbewaarders van goddelijk inzicht worden erkend. Geen wonder dat het gezag waarmee deze selfmade elites spraken als absoluut normgevend moest worden beschouwd. In een discussie met een blindgeborene die het ongeluk had door de rebel, Jezus, genezen te zijn, showden ze nogmaals hun visie: ‘Geef God de eer; wij weten dat deze mens een zondaar is’ (Joh:9:24). Het gezag dat zij als geestelijke leiders uitoefenden, was hun immers door God zelf toevertrouwd. Waar haalde die blinde die nota bene ‘geheel in zonde geboren was’ (vers 34), de moed vandaan om aan de juistheid van hun opinie te twijfelen? Waar hij hen onteerde door met hen van mening te verschillen, onteerde hij Gód zélf. Zij wisten wat ze wisten! Met goddelijk gezag. Schriftgeleerden en Farizeeën dachten bijzondere door God begenadigde leiders te zijn.
Jezus echter had daar een heel andere opinie over: ‘Wee u, Schriftgeleerden en Farizeeën, jullie huichelaars, want u trekt zee en land rond, om één bekeerling te maken en wanneer hij het wordt, maakt u van hem een kind van de hel, tweemaal zo erg als jullie het zelf zijn’ (Matth.23:15). Deze blinde leiders die door hun vermeend gezag het gewone volk aan zich probeerden te binden, konden niets anders doen dan hun eigen geestelijke nood in dubbele mate aan hun leerlingen over te dragen. Kinderen van de hel werden zij, tweemaal zo erg als de leiders zelf. Geen wonder dat Jezus een totaal nieuw concept bracht: ‘U zult u niet (door de leerlingen die ieder persoonlijk onder zich meent te hebben) rabbi laten noemen; want één is uw Meester en jullie zijn allen broers. En u zult op aarde niemand uw vader noemen, want één is uw Vader, Hij, die in de hemelen is. Laat u ook geen leiders noemen, want één is uw Leider, de Christus (Matth.23:8-11).
Duidelijke taal. In het nieuwe verbond valt de verlammende afhankelijkheid van de in Gods geheimen ingewijde ‘goeroes’, ‘geestelijke vaders’ en charismatische ‘leiders’, volkomen weg. Dát is de radicale omkeer die het nieuwe Verbond wil brengen: ‘Niet langer zullen zij ieder zijn medeburger en ieder zijn broer leren, zeggende: Ken de Heer, want allen zullen zij Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen’ (Hebr.8:11).
Waarachtig leiderschap
Is er in Gods Koninkrijk dan geen plaats voor geestelijk leiderschap? Zeker, maar niet als een soort door God gedelegeerd gezag voor een enkeling die uitverkoren zou zijn om over de onwetende massa ‘broers en zusters’ te heersen. In dezelfde adem waarin de Heer dit farizeïsche concept veroordeelt, zegt Hij namelijk: ‘Wie de grootste onder u is, zal uw dienaar zijn. Allen die zichzelf verhogen zullen vernederd worden en allen die zichzelf vernederen, zullen verhoogd worden’ (Matth.23:11,12).
Leiderschap in de gemeente van Jezus Christus is gebaseerd op dienstbetoon. Het gezag waarmee dat leiderschap gepaard gaat, kan daarom nooit opgelegd worden. Het wordt geschonken door hen die de waarde erkennen van de dienst die onder Gods genade aan de gemeente uitgevoerd wordt. Geestelijk gezag ontstaat van onderen af. Wie zichzelf vernedert – door belangeloos te dienen, zonder zich over zijn positie druk te maken – zal verhoogd worden: doordat de gemeente óóg voor die geestelijke houding krijgt.
