2. Door verdrukking tot heerlijkheid

<<<<<

‘Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk van de tijd’ Dan.9:25.

Er zou dus zeven weken of 490 jaar aan de herbouw van de tempel en de stad gewerkt moeten worden. En 62 weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk van de tijd. We zouden in dit vers een belangrijk criterium voor de interpretatie van deze profetie kunnen vinden. Daniël kende de voortdurende rebellie van zijn volk tegen God. Hij kende ook Gods waarschuwing dat Deze het volk uit zijn land zou verdrijven, als het Hem ongehoorzaam werd. ‘Zoals geschreven staat in de wet van Mozes, is al dit onheil over ons gekomen’ (Dan.9:13), bad Daniël terecht. Wie garandeerde hem dat het volk na verloop van korte tijd niet opnieuw door zijn ongehoorzaamheid uit zijn land verdreven zou worden? Op deze overweging is Gods vertroostend antwoord:

‘Tweeënzestig weken lang zal de stad hersteld en herbouwd blijven’ Dan.9:26.

  • De Bedelingenleer zegt: Ondanks voortdurende rebellie zal de Heer toch nog geduld met zijn volk hebben. De maat zal in Gods oog tot op het eind van de zeventig weken nog niet vol zijn. Alles duidt in dit gedeelte dus erop dat het niet gaat om een aankondiging van een komende heilsstaat voor Israël aan het einde der tijden, maar om de aankondiging van de definitieve verwerping van dit volk. Een verwerping die God in zijn genade vooreerst gedurende zeventig jaarweken zou uitstellen. En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is. Dit vers slaat op de kruisiging van de Messias. Deze vond plaats aan het einde van de negenenzestigste week. Direct daarna werd de tijd van de gemeente ingeluid en de zeventigste week wacht dus nog in haar geheel op de vervulling. Zij gaat pas in, wanneer de gemeente wordt opgenomen.

Inderdaad zou hier sprake kunnen zijn van de dood van onze Heer, maar er wordt beslist niet vermeld dat Jezus aan het einde van de negenenzestigste week stierf. Scofield, een van de pioniers van de Maranathaleer, merkt in zijn kanttekeningen op: “De datum van de kruisiging is nog niet vastgesteld. Er wordt alleen gezegd, dat deze na de periode van tweeënzestig weken zal gebeuren…” Wanneer de kruisiging inderdaad na de negenenzestigste week plaats vond, is het dan niet aannemelijk dat deze in de zeventigste week gebeurde?

‘En het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten.’

  • De Bedelingenleer zegt: Deze gebeurtenis (merkt ook Scofield op) is de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70. Het gaat hier echter niet om de definitieve vervulling van de profetieën over Israël. De ‘vorst die komen zal’ is de Romein Titus geweest, onder wiens leiding de Romeinen de stad verwoestten, maar we moeten in hem ook een geestelijk beeld zien van de antichrist, die aan het einde van de zeventigste week naar Jeruzalem zal oprukken om deze stad te verwoesten. De ondergang van Jeruzalem in het jaar 70 is slechts een ‘voor-vervulling’. Als in de eindtijd de antichrist naar Jeruzalem trekt, zal de Heer in de slag bij Armageddon zijn plannen echter op bovennatuurlijke wijze verijdelen en door zijn komst het duizendjarige rijk inluiden.

Inderdaad, dit vers spreekt over de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70. Maar over niet meer dan dat. Hoe komt men er nu ineens bij om nu wel te gaan vergeestelijken en in Titus het beeld van de antichrist te zien? Het belangrijkste uitgangspunt van de tijdperkenknippers (en alle letterknechten) is altijd geweest, dat men de Bijbel volkomen letterlijk moet nemen. Waarom spreekt men nu ineens dan van een ‘voorvervulling’? Bovendien klopt de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 helemaal niet met het beeld, dat men van de uiteindelijke vervulling in de eindtijd heeft. In het jaar 70 werd de stad met de grond gelijk gemaakt en het Joodse volk over de hele wereld verstrooid. Bij de ‘echte’ vervulling zou Jeruzalem echter niet verwoest worden, maar door een goddelijk ingrijpen gespaard worden en voortaan de troon van God op aarde(!) huisvesten. In plaats van over de hele wereld verspreid te worden, zouden de Joden bij die ‘vervulling’ het ‘Herrenvolk’ worden, dat in het duizendjarig rijk op aarde de lakens mag uitdelen. Een vreemde manier van vergeestelijken. Type en ‘vervulling’ blijken helemaal niet met elkaar overeen te stemmen.

‘Maar zijn einde zal zijn in de overstroming; en tot het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen, waartoe vastbesloten is.’

  • De Bedelingenleer zegt: Het einde waarvan hier sprake is, slaat op het einde van de genadebedeling. ‘De inwoners zullen omkomen door het zwaard of in gevangenschap worden weggevoerd en onder alle volken worden verstrooid, terwijl Jeruzalem vertrapt zal worden door heidenen, tot de tijd van de heidenen voorbij is’ (Luc.21:24). Wanneer Jeruzalem weer in Joodse handen is, zal een einde aan de verwoestingen komen en zal ook de tempel spoedig herbouwd worden.

Weer wordt er in de tekst zelf geen enkele aanwijzing gevonden, dat dit einde op het einde van de genadetijd zou moeten slaan. Volgens de tijdperkenknippers vandaag wist Daniël niets van dit tijdperk – het was een verborgenheid voor hem. Is het niet wat vreemd, dat hij nu plotseling wél iets te horen krijgt over het einde van een tijdperk? Dat men in de woorden van Jezus een verwijzing ziet naar de herbouw van de tempel, kan men hier ook niet uithalen. Men maakt er zelf maar wat van. Er staat slechts dat Jeruzalem totdat de tijden van de heidenen vervuld zijn, dus tot het definitieve einde bij de komst van Christus, door heidenen vertrapt zal worden. Dit ‘vertrapt worden’ slaat niet op de vraag of Jeruzalem al of niet in Joodse handen zou komen (als dit het geval was, dan zouden de tijden van de heidenen al vervuld moeten zijn), maar het spreekt van de ‘pressie’, waaronder Jeruzalem als een rechtmatig oordeel van God tot het einde toe zou lijden. ‘De toorn, is over hen gekomen tot het einde’.

’En hij zal het verbond voor velen zwaar maken’ Dan.9:27.

  • De Bedelingenleer zegt: Plotseling neemt de profeet ons mee naar de tijd van de grote verdrukking. Tussen dit vers en het voorgaande ligt een hiaat waar de profeet zelf geen weet van had: de genadetijd. Als deze afgelopen is, wordt de gemeente opgenomen en dan treedt de antichrist op het toneel om een verbond met de Joden te sluiten. De ‘hij’ uit dit vers slaat op de ‘vorst die komen zal’ uit het voorgaande vers. Met deze vorst werd weliswaar in de eerste plaats Titus bedoeld, maar hij was een beeld van de antichrist, die in dit vers na de tussenperiode openbaar wordt.

Hoe komt men op het idee dat er een hiaat tussen beide verzen zou zijn? Dit ‘hiaat’ duurt inmiddels nu al een kleine tweeduizend jaar – meer dan vier keer zo lang als al die zeventig weken bij elkaar! Dit maakt de profetie dat deze weken over Israël ‘bepaald’ waren, tot een holle frase. Bovendien kan de ‘hij’ waarvan hier sprake is, eenvoudig niet op de ‘vorst die komen zal’ uit het voorgaande vers slaan, omdat – zoals we al uitlegden – de gebeurtenissen rondom de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 beslist niet kunnen dienen als type van de gebeurtenissen, die de Maranathaleer voor het Israël van de eindtijd reserveert. Bovendien is daar nog een grammaticale moeilijkheid: het onderwerp van de vorige zin is niet ‘een vorst’, maar ‘het volk’. Over de ‘vorst die komen zal’ wordt slechts zijdelings gesproken om aan te duiden welk volk er bij de verwoesting van Jeruzalem betrokken zou worden. Het is daarom grammaticaal onmogelijk dat deze ‘hij’ betrekking heeft op de vorige zin. We moeten voor een redelijk antwoord dus terug naar het vijfentwintigste vers. Daar is sprake van een ‘gezalfde’, de Messias. Over Hem gaat het, wanneer gezegd wordt: ‘Hij zal het verbond voor velen zwaar maken’. Dit verbond is het nieuwe verbond. Een verbond waarvan gezegd kan worden dat het een ‘zwaar verbond’ is, niet in de zin van een verbond met moeilijke condities en zware consequenties, zoals maranatha mensen lezen; maar een stevig, zeker en betrouwbaar verbond. Het is een verbond, verzegeld met bloed. ‘Dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden’.

’Een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden.’

  • De Bedelingenleer zegt: De antichrist zal onmiddellijk na de opname van de gemeente, waardoor het hiaat van de genadetijd afgesloten wordt, een verbond van zeven jaar met Israël sluiten. Hij zal de tempel herbouwen en de offerdienst weer instellen, of goedkeuren dat de Joden dit doen. Na drie en een half jaar zal hij zich echter in zijn ware gedaante laten zien en de offerdienst doen staken.

Wie in dit vers een verwijzing naar Golgotha ziet, komt tot veel simpeler conclusies. Slacht- en spijsoffers verloren hun betekenis op het moment dat Jezus gekruisigd werd. Dit is de kernwaarheid van het Nieuwe Testament. Jezus werd dus in het midden van de zeventigste week gekruisigd. Dit wordt nog eens zo aannemelijk, wanneer men zich realiseert dat de gezalfde ‘na’ de negenenzestigste week uitgeroeid zou worden. Dit vers zou dus een herhaling zijn van wat al eerder werd genoemd. Zo’n herhaling is in de Bijbel een bekend gegeven. Zoals dit bijvoorbeeld in de Openbaring vaak voorkomt, wordt in de profetie eerst een totaalbeeld van een bepaalde zaak gegeven. Daarna wordt hetzelfde nog eens gezegd, maar dan ligt het accent op de details. Het is onmogelijk om in de profetie per se een starre chronologie te willen zien. De Heer toont doorgaans in verschillende beelden verschillende facetten van eenzelfde zaak.

Stelt men de kruisiging in het midden van de zeventigste week, dan omvat het verbond van ‘een week lang’ de drie en een half jaar voor en de drie en een half jaar na dit gebeuren. Het eerste gedeelte van de week zou zo lopen vanaf het eerste optreden van de Heer tot de kruisiging en het tweede gedeelte van de kruisiging tot de eerste jaren van de verspreiding van het evangelie door de apostelen onder de Joden. Het is de periode van de opdracht: ‘U zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judéa’ (Hand.1:8). Tijdens de eerste jaren van het tijdperk van de gemeente zou aan Jeruzalem en aan Judéa verteld worden over de verlossing in de kracht van Gods Geest.

‘En op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen en wel tot aan de voleinding toe en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.’

In het licht van het voorgaande kan deze tekst niet anders zijn dan de tweede verwijzing naar de verwoesting van Jeruzalem, wat in het jaar 70 plaats gebeurd is.

Wees er klaar voor!

De Maranathaleer is uiterst gekunsteld en gaat van tal van stellingen uit, die zonder meer voor waar worden aangenomen en waarvan elk bewijs ontbreekt. Op die manier bouwt men een heel dogma op over een opname, die voor die grote verdrukking van zeven jaar zou gebeuren rond deze profetie van Daniël. Maar dit alles is een zeer dubieuze zaak. Er is in deze profetie geen enkele aanleiding te vinden om te geloven, dat de gemeente zeven jaar voor de definitieve terugkomst van Christus opgenomen zal worden. Ook niet dat de grote verdrukking, die over de Joden komen zal als de ‘wetteloze zich zal openbaren’, een periode van zeven jaar of in haar ergste vorm drie en een half jaar zal omvatten.

Deze dwaling van de Bedelingenleer bestaat uit twijfelachtige interpretaties van een duister gedeelte in het Oude Testament. Een opnieuw geboren kind van God kan zich beter richten op de profetie van Jezus:

  • ‘Dan zal men jullie onderdrukken en doden en jullie zullen door alle volken worden gehaat om mijn naam. Velen zullen dan ten val komen, ze zullen elkaar verraden en elkaar haten’ (Matth.24:9,10).

Dit staat de gemeente van Jezus Christus te wachten. Niemand hoeft echter bang te zijn voor wat over de kinderen van God komen gaat. Juist voor deze tijd van steeds heftiger wordende verdrukking geldt de belofte: ‘Pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, zal het einde komen’ (Matth.24:14). Kinderen van God gaan een glorieuze tijd tegemoet. Zij gaan door verdrukking tot heerlijkheid!

**********

Gerelateerd:

De rampzalige tijdperkenleer >>>>>