1. Het uitgangspunt voor de leer van de 70 ‘jaar’weken

Tijdperkenknippers, zo noemen we voor het gemak maar de mensen die o.a. in de Bedelingenleer van Darby en Scofield en de aardse Israëlaanbidding geloven en dezelfde opvattingen m.b.t. de eindtijd hebben. Zij stellen dat de grote verdrukking over een periode van zeven jaar verloopt. Een periode die speciaal voor het natuurlijke volk van Israël bestemd is (over antisemitisme gesproken!). De gemeente heeft daar niets mee te maken, want zij is immers vóór de grote verdrukking opgenomen? De gemeente kijkt op gerieflijke wolkjes toe naar de uitroeiing van 2/3e van de Joden op aarde volgens deze hemelfietsers (Zacharia 13:7 tot 14:7; Jesaja 54).

Lezen wat er staat of verstaan wat men leest?

Hoe weet men zo zeker dat die verdrukking alleen voor Israël bestemd is? Waar haalt men die zeven jaar vandaan? Vragen als deze zijn uiterst belangrijk, omdat ze in nauw verband staan met de gedachte, dat de gemeente vóór die tijd opgenomen zal worden. De Bedelingenleer aanhangers zullen antwoorden, dat men dit in één van de profetieën van Daniël kan lezen, namelijk in de profetie over de ‘zeventig weken’, die we in Daniël 9 vinden. Men beschouwt elke week als een periode van zeven jaar en concludeert dan: negenenzestig weken of 483 jaar zijn bij het optreden van Jezus vervuld.

Een ‘genadetijd’?

Maar dan is er nog een laatste week? Hoe zit dat? Volgens de tijdperkenknippers is er tussen het eind van de voorlaatste en het begin van de laatste week een hiaat verborgen, waar Daniël zelf niets van wist: de genadetijd; een tijd die zou moeten lopen vanaf het ontstaan van de gemeente tot de opname. De zeventigste week begint volgens de leer bij de opname van de gemeente en valt samen met de openbaring van de antichrist én de grote verdrukking. Aan het begin van deze periode van zeven jaar zal de antichrist een verbond met Israël sluiten, maar in het ‘midden van de week’ – na drie en een half jaar dus – zal hij zich als de grote tegenstander van Israël ontpoppen. Het offeren in de inmiddels herstelde tempel(!) in Jeruzalem zal dan stoppen.

Wordt het Romeinse rijk hersteld?

Volgens die Bedelingenleer moet, als de Heer dan in die nacht komt, binnen drie en een half jaar de tempel functioneren, het Romeinse rijk hersteld worden én volgens sommigen ook nog Babel herbouwd zijn! Als op dat moment de Joodse ogen voor Satans ware aard opengaan, zullen ze met hem breken. De strijd die daarop in de volgende ‘halve week’ losbreekt, zal uitlopen in het Armageddon, waarin God zijn volk op bovennatuurlijke wijze van een zekere ondergang zal redden. Zo te zien heeft men het allemaal keurig op een rijtje staan, maar toch zal men eerst enkele aannames moeten waarmaken, wil men de dit dogma kunnen bewijzen. Er zijn twee belangrijke uitgangspunten, die men voor de interpretatie van dit gedeelte van Daniël 9:24-27 gebruikt.

  1. In de eerste plaats neemt men zonder meer aan dat er tussen de laatste en de voorlaatste week een ‘hiaat verborgen zou zijn’.
  2. In de tweede plaats gelooft men dat de profeet in één adem zowel over het optreden van Christus in het verleden als over het optreden van de antichrist in de toekomst spreekt.

Wie bij de bestudering van de Bedelingenleer pogingen doet om goede argumenten voor beide uitgangspunten te vinden, zal ontdekken dat deze er eenvoudig niet zijn. Men gaat er doodleuk van uit dat deze axioma’s juist zijn, zonder naar bewijzen te zoeken. Het is eenvoudig zo en daarmee uit. In verband met het hiaat dat tussen de laatste en de voorlaatste week verborgen zou zijn, argumenteert men nog wel eens geheimzinnig dat Daniël daarover niet kón profeteren, ‘omdat het tijdperk van de gemeente een verborgenheid voor de Oudtestamentische profeten was’. Dit argument klinkt op het eerste gehoor indrukwekkend, maar het zet juist de hele Bedelingenleer op losse schroeven.

Hiaat of geen hiaat?

Als deze profetie van Daniël inderdaad zo gebrekkig en onvolledig is als men doet voorkomen, mag men op zo’n wankele basis toch zeker niet een heel dogma bouwen, zoals de tijdperkenknipper en aardse Israëlaanbidders dit wél doen. Aangezien er geen enkele Bijbeltekst te vinden is die bevestigt dat de veronderstellingen, waar de Bedelingenleer vanuit gaat, juist zijn, zullen we zelf onderzoek moeten doen. De vraag is dan:

  • ‘Vinden we in deze profetie van Daniël inderdaad aanwijzingen dat er van een ‘hiaat’ en een ‘antichrist’ per se sprake is? Of is er géén hiaat en is deze profetie in haar totaliteit juist Messiaans?’

Is dit laatste het geval, dan hoort deze hele profetie allang bij het verleden. Dan zullen we, wat de toekomst betreft, naar heel andere gebeurtenissen moeten uitzien dan die de Bedelingenleer ons voorschotelt. We willen het omstreden gedeelte daarom vers voor vers onder de loep nemen.

  • Wat de berekening betreft over de 70 ‘jaarweken’: Daniël spreekt over zeventig weken. Andere Bijbelvertalingen spreken over een periode van 7 maal 70 jaar, dan kom je dus uit op 490 jaar. Dat de Bedelingenleer daarvan uit gaat en voor het gemak er nog maar eens 1900 jaar bij optelt (sommigen spreken over 2300 jaar), is on-Bijbels. Wij gaan uit van het symbolische getal van 70 weken. Vergelijk het met de periodes genoemd worden in De Openbaring van Johannes. Het zijn geen vaste, afgebakende periodes. Ook hier moet men verstaan wat men leest.

Daniël 9:24-27:

‘Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad.’

De Bedelingenleer zegt: ‘Het duurt zeventig jaarweken, of 490 jaar, voordat Israël definitief, als het volk van God in het duizendjarige rijk, hersteld zal zijn. Aangezien in deze periode, op geheimzinnige manier een ‘genadetijd’ verborgen is, moeten wij bij deze 490 jaar nog zo’n 1900 jaar optellen. Deze zeventig weken wijzen er echter niet op, dat God nà die tijd Israël definitief als zijn eigendom aanneemt. Vóór het begin van de 70 weken beloofde de Heer Israël, als zondig en rebels volk, niet definitief te verwerpen. Deze gedachte wordt bevestigd door de context: Jeruzalem lag in puin en Israël was in ballingschap. Dit alles was te wijten aan de voortdurende zonden van het volk. Als Daniël de zonde van zijn volk belijdt, troost de Heer hem met de zekerheid: deze bestraffing die het volk nu ondergaat, is niet definitief. Ik zal mijn volk niet definitief aan het onheil overgeven, voordat de 70 weken verlopen zijn.

‘Om de overtreding te beëindigen’

  • De Bedelingenleer zegt: De Joden zouden een rebels volk blijven, totdat in het duizendjarige rijk hun deze mogelijkheid ontnomen zou worden.

Het is onmogelijk dat God het continu zondigen van zijn volk verbindt aan de belofte van een reddingstijd, die speciaal voor Israël bestemd zou zijn. Een heiden, die tot het einde zondigt, wordt met de straf van het eeuwige vuur bedreigd. Zou dan het Joodse volk, dat in zijn totaliteit hetzelfde doet, op grond van deze profetie wel een heerlijke toekomst tijdens het duizendjarig rijk mogen opeisen? De consequentie van het ‘beëindigen’ van de overtreding is daarom niet een zegen, maar een vloek. Het sluit aan bij wat Jezus over de Joden zei: ‘Daarmee erkennen jullie zelf dat jullie kinderen zijn van hen die de profeten vermoord hebben. Maak de maat van jullie voorouders dan maar vol! Slangen zijn jullie, addergebroed, hoe denken jullie te kunnen ontkomen aan een veroordeling tot de hel?’ (Matth.23:31-33).

Het beëindigen van de overtreding en het volmaken van de zondemaat zijn synoniemen. De vervulling van dit gedeelte van Daniëls profetie moeten we daarom in de tijd van Jezus zoeken. De Heer vervolgde zijn toespraak tot de Joden namelijk met: ‘Jullie zullen sommigen van hen (gelovigen) u doden en kruisigen, en jullie zullen sommigen van hen geselen in uw synagogen, en jullie zullen hen vervolgen van stad tot stad, opdat over u al het rechtvaardige bloed zal komen dat vergoten is op de aarde. Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht’ (Matth.23:31-36). Jezus zinspeelde hier op de verwoesting van Jeruzalem, die in het jaar 70 zou gebeuren. Na de beëindiging van de zonden zijn de Joden dus als uitverkoren natie voorgoed door God verworpen. Natuurlijk niet als individuen, want voor Israël zal altijd blijven wat voor ieder ander volk geldt: een rest wordt behouden.

Voor Jood én heiden geldt in onze tijd: ‘Want God heeft iedereen schuldig bevonden aan het niet gehoorzamen van hem, om Zich over hen allen te ontfermen’ (Rom.11:32). Er is bij God geen onderscheid tussen Jood en heiden. Paulus doelde op die definitieve verwerping van Israël als uitverkoren volk, toen hij schreef: ‘Zij hebben de Heer Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd. Ze behagen God niet en zijn alle mensen vijandig gezind, omdat ze ons belemmeren andere volken bekend te maken hoe ze kunnen worden gered. De maat van hun zonden raakt nu vol en Gods veroordeling is volledig over hen gekomen’ (1 Thess.2:15,16).

‘De zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om eeuwige gerechtigheid te brengen.’

  • De Bedelingenleer zegt: Deze begrippen spreken over de kruisdood van de Heer en zijn verzoenend sterven, maar ze spreken tegelijkertijd over de definitieve uitwerking, die deze kruisdood voor het nationale Israël heeft bij het aanbreken van het duizendjarige rijk. De eeuwige gerechtigheid begint dan pas voor Israël werkelijk en definitief.

Ook in deze tekst is geen enkel bewijs te vinden, dat hier over meerdere dingen gesproken wordt dan over de kruisdood van de Verlosser. Dat hier per se sprake zou moeten zijn van het inluiden van het duizendjarige rijk is iets dat men in de tekst leest, maar wat men er beslist niet uit bewijzen kan. Wij hebben nu al deel aan de eeuwige gerechtigheid, zo goed als ook nú al diegene die gelooft, eeuwig leven hééft.

‘Om visioen en profeet te verzegelen’

  • De Bedelingenleer zegt: Er zijn nog onvervulde profetieën die over Israël uitgesproken werden. Deze worden pas bij de komst van Christus voor Israël in het duizendjarige rijk vervuld. Bovengenoemd tekstgedeelte wijst erop dat het eind van de zeventigste week nog in het verschiet ligt.

Waar is het bewijs van onvervulde profetieën over Israël? Wanneer de zeventig weken in hun geheel vervuld zijn, zou dit juist een bewijs zijn dat er géén beloften meer voor het nationale Israël gelden. Jezus Zelf profeteerde over de Joden: ‘want in die dagen wordt de straf voltrokken, waardoor alles wat geschreven staat in vervulling zal gaan’ (Luc.21:22). Uit de context in Lucas blijkt duidelijk dat Hij doelde op de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70. Hij vervolgde namelijk: ‘De inwoners zullen omkomen door het zwaard of gevangen genomen worden en onder alle volken worden verstrooid, terwijl Jeruzalem vertrapt zal worden door heidenen, tot de tijd van de heidenen voorbij is’ (Luc.21:24). Met geen enkele mogelijkheid valt uit dit verband iets anders op te maken dan dat dit in het verleden al gebeurd is. Bovendien wijst de uitdrukking ‘want in die dagen wordt de straf voltrokken’, in vers 22 duidelijk op het oordeel dat Jezus over zijn tijdgenoten aankondigde, toen Hij volgens Mattheüs 23:36 profeteerde: ‘Ik verzeker jullie: op deze generatie zal dit alles neerkomen…’

Sommigen gaan zelfs zover met hun dwaling, dat zij lezen: ‘Jeruzalem zal door heidenen vertrapt worden, totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn’ en hieraan toevoegen: “en dan zal Israël behouden worden…” Wie de eigen woorden van Jezus echter serieus neemt en hieraan niets wil toevoegen, kan niet anders concluderen dan dat alles wat over het Joodse volk geschreven is, al vervuld is!

‘om iets allerheiligst te zalven’

  • De Bedelingenleer zegt: Deze tekst spreekt over het aanbreken van het duizendjarige rijk. Dán pas zal Jezus waarlijk als koning over de Joden gezalfd worden.

Ook hier is weer geen enkel bewijs voor aan te voeren dat alleen deze uitleg per se juist zou moeten zijn. Bovendien wordt dit ‘iets’ in de Bijbel nooit voor het zalven van personen gebruikt. Het is dus zeer dubieus of we hier aan de zalving van Christus mogen denken. Is het niet veel aannemelijker om bij dit onbestemde ‘iets’ te denken aan de Nieuwtestamentische tempel, de gemeente van Jezus Christus, die op de Pinksterdag met Gods Geest gezalfd werd? Vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken (vers 25). Het is moeilijk vast te stellen, wanneer dit woord uitging. Er bestaan talloze gissingen over het uitgangspunt voor deze zeventig weken. Elke poging om het einde van deze tijd te berekenen is, net als het berekenen van het getal 666 uit Openbaring, bij voorbaat tot falen gedoemd. Het enige wat ons te doen staat, is dus uit de tekst zelf te concluderen, wanneer de vermelde gebeurtenissen ongeveer gebeurd zijn.

>>>>>