1 Corinthe 8:1-13 ‘En wat de afgodenoffers betreft: wij weten dat wij allen kennis bezitten. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde bouwt op’ 1. Corinthe was een stad met veel heidense tempels en met veel afgoden. In de voorhaven Kenchreeën (Rom.16:1) prijkte het beeld van Poseidon, de oppergod van de zee. >>>>>
Maandelijkse archieven: oktober 2021
1 Corinthe 8:9-13 ‘Maar let erop dat deze vrijheid van u niet op een of andere manier een aanstoot wordt voor hen die zwak zijn. Want als iemand u, die deze kennis bezit, in een afgodstempel aan tafel ziet aanliggen, zal dan zijn geweten, omdat het zwak is, er niet toe aangezet worden om afgodenoffers te eten?’ 9,10. De waarschuwing: pas dan op dat uw vrijheid geen aanstoot gaat worden, zal ongetwijfeld wel bedoeld zijn voor die groep christenen, die zich naar Paulus hadden genoemd. >>>>>
1 Corinthe 8:6-8 ‘toch is er voor ons maar één God: de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem en één Heer: Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem’ 6. Er is voor de christen maar één God, namelijk de Vader die in de hemelen is. Deze is geest en vol creativiteit. Hij heeft alles bedacht en uit Hem is alles voortgekomen: ‘Wie bestuurde de Geest van de Heer en onderwees Hem als zijn raadsman? >>>>>
Efeziërs 4:1-6 ‘Ik, die gevangen zit omdat ik de Heer dien, verzoek u dringend: leid een leven dat in overeenstemming is met uw roeping’ 1. Opnieuw richt Paulus zich tot de geadresseerden als ‘gevangene omdat hij de Heer dient’. Hij is er trots op, want hij lijdt niet als een crimineel, maar als een volgeling van Jezus Christus. >>>>>
Efeziërs 4:7-10 ‘Maar aan ieder van ons afzonderlijk is de genade gegeven, naar de mate, waarin Christus haar schenkt’ 7. Maar ieder van ons in de gemeente heeft zijn eigen roeping om op een bepaalde plaats en met een bepaalde taak te functioneren. Christus, het hoofd van de gemeente, roept iemand en Hij voegt aan deze roeping genade (charis) toe, dit wil zeggen bijpassende geestelijke gaven, die nodig zijn om de taak uit te voeren. >>>>>
Definitieve scheiding Nadat de valse kerk ingestort is en haar leiders aan de kant worden gezet, breekt een algemeen gejammer uit. Dan worden de overigen erg bang en geven de God van de hemel eer (Op.11:13 en 18:9-20). Maar dan is het te laat. De gemeente van Jezus Christus is opgenomen. De definitieve scheiding tussen de uitverkorenen van God en de verworpenen heeft nu plaats: >>>>>
Jacobus 3:13-18 13: ‘Wie is wijs en verstandig onder u? Laat hij door zijn goede levenswandel zijn werken laten zien’ Waarom begint Jacobus nu onverwacht te vragen wie wijs en verstandig is, nadat hij eerst aangetoond heeft dat goede werken noodzakelijk zijn en dat alleen iemand die zijn tong in bedwang kan houden, geschikt is om anderen te onderwijzen? >>>>>
1 Corinthe 15:50-54 ‘Maar dit zeg ik, broers, dat vlees en bloed het Koninkrijk van God niet kunnen erven en de vergankelijkheid erft de onvergankelijkheid niet’ 50. Na de uiteenzettingen over de opstanding met een geestelijk lichaam komt er tenslotte nog één onderwerp aan de beurt: hoe zal het gaan met hen die de terugkomst van de Heer meemaken? >>>>>
Openbaring 12:13-18 ‘En zodra de draak zag dat hij op de aarde was neergeworpen, ging hij de vrouw vervolgen die het mannelijke Kind gebaard had’ 13. De zonen van God hebben de overwinning behaald en zij zoeken de vervulling van de belofte: ‘Wie overwint zal samen met Mij op mijn troon zitten, net zoals Ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit’ (3:21). >>>>>
Openbaring 12:7-12 ‘Toen brak er oorlog uit in de hemel: Michaël en zijn engelen voerden oorlog tegen de draak, ook de draak en zijn engelen voerden oorlog. Maar zij waren niet sterk genoeg en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden’ 7,8. In de onzichtbare wereld barst de strijd los. >>>>>
1 Corinthe 15:55-58 ‘Dood, waar is jouw prikkel? Graf, waar is jouw overwinning?’ 55. Aan het einde van zijn bespreking over dood en opstanding, komt Paulus nu tot een climax in zijn gedachten. In Romeinen 5:12-14 wordt opgemerkt dat de dood tot alle mensen was doorgegaan. De dood had het dus altijd nog gewonnen. Hij had zelfs als koning geheerst over de rechtvaardigen, zoals Abraham en Job, of over kleine, onschuldige kinderen, die niet op dezelfde manier als Adam ongehoorzaam waren geweest. >>>>>
Romeinen 4:1-25 ‘Wat zullen wij dan zeggen dat Abraham, onze aartsvader, ontvangen heeft? Immers, als Abraham uit werken gerechtvaardigd is, heeft hij iets om zich op te beroemen, maar niet bij God’ 1,2. Paulus richt zich nog steeds tot de Joodse christenen in Rome. >>>>>
Hebreeën 12:14-29 ‘Streef naar de vrede met allen en naar de heiliging, zonder welke niemand de Heer zal zien’ 14. In het Koninkrijk van God heerst vrede. Het is van groot belang dat wij daarom ook in vrede leven. Dit niet alleen met God, maar ook met onze broers en zusters en met allen, voor zover het van ons afhangt. Een kind van God moet geen ruzie zoeken of maken. >>>>>
Romeinen 8:24-30 ‘Want in de hoop zijn wij behouden. Hoop nu die gezien wordt, is geen hoop. Immers, wat iemand ziet, waarom zou hij dat nog hopen? Maar als wij hopen wat wij niet zien, dan verwachten wij het met volharding’ 24,25. Wanneer wij de Heer aannemen, hebben wij de eerste stap gezet op de weg van het behoud. Het einddoel van onze redding is volkomenheid naar geest, ziel en lichaam. Wat wij nog niet hebben, hopen wij alsnog te ontvangen. Sommige vertalingen luiden: ‘Want tot deze hoop zijn wij behouden’, of ‘Wij worden gered voor onze hoop’. >>>>>