De dossiers van de duivel

  • ‘Toen zag ik een grote witte troon en Hem die daarop zat. De aarde en de hemel vluchtten van Hem weg en verdwenen in het niets. Ik zag de doden, jong en oud, voor de troon staan. Er werden boeken geopend. Toen werd er nog een geopend: het boek van het leven. De doden werden op grond van wat in de boeken stond geoordeeld naar hun daden’ (Openbaring 20:11,12).

De boeken van de dood en het boek van het leven

In het beeld dat de apostel ziet, worden de boeken geopend. Het zijn de boeken van de dood, waarin de namen zijn genoemd en de werken zijn opgesomd die de doden tot veroordeling leiden, maar er is ook een boek van het leven, waarin de namen en de werken zijn van hen, die niet in de poel van vuur worden geworpen, omdat deze doden nog leven claimen. Zij waren in het dodenrijk aan de goede kant van de onoverbrugbare kloof. Hoe zijn de eerstgenoemde boeken als verzameling schulden ontstaan en van wie zijn ze?

Het is duidelijk dat de inhoud ervan gebruikt wordt als aanklacht om de veroordeling te rechtvaardigen. Er blijken dus ontelbare dossiers te zijn, waarin minutieus alle strafbare feiten van de doden zijn opgetekend. Ogenblikkelijk komt de vraag naar voren wie dit allemaal heeft genoteerd en wie er zo’n enorm belang bij heeft dat geen enkel verkeerde daad door de vingers wordt gezien. Wanneer men zich deze rechtszitting voorstelt, ligt het voor de hand dat de rechter niet de aangewezen persoon is om tegelijkertijd als aanklager te fungeren. In een (sporadisch nog) goed werkend strafproces zijn rechter, aanklager en verdediger aparte figuren. De rechter is degene die in naam van de wet spreekt, hier dus God van wie de wet is uitgegaan. Het is daarom onlogisch dat Hij continu in actie zou komen om elke kleine of grote overtreding van de mens onmiddellijk te registreren. Hieruit zou immers ook volgen dat de duivel voortdurend inzage in deze boeken zou hebben en er gebruik van zou mogen maken om de mens bij God aan te klagen. Het ligt echter meer voor de hand om aan de duivel deze accurate boekhouding toe te schrijven, want hij heeft er alleen belang bij dat de mens verloren gaat en in het verderf komt. Van God staat echter dat Hij wil dat alle mensen worden behouden (1 Tim.2:4):

  • ‘Want de ogen van de Heer gaan over de hele aarde, om hen vol kracht bij te staan, wier hart volkomen naar Hem uitgaat’ (2 Kron.16:9).

Men moet God geen ongerijmde dingen toeschrijven, zoals Bijbelbelten en Rome dagelijks doen. Hij is heilig en heeft geen enkele connectie met het kwaad en houdt er ook geen aantekening van bij. De duivel speurt echter tijdens zijn omzwervingen de aarde af om slechte daden te noteren. God vroeg hem bijvoorbeeld: ‘Heb je ook op mijn knecht Job gelet?’ (Job 1:8). God heeft namelijk alleen een levensboek en daarin stond Job hoog genoteerd. Uitdrukkelijk wordt in de Bijbel vastgesteld dat de mens die zondigt, zich in dienst stelt van de duivel:

  • ‘Weet u niet, dat u hem, in wiens dienst u zich stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij dan van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid?’ (Rom.6:16).

Er is een wet in de geestelijke wereld dat elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtmatige vergelding ontvangt (Hebr.2:2). Daarmee maakte het eerste mensenpaar al kennis, toen God hen waarschuwde en zei: ‘Op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven’ (Gen.2:17). De duivel keert loon uit aan allen die voor hem werken. Hij is een werkgever die niets onbetaald laat. Men zegt wel eens van iemand die kwaad heeft gedaan, dat hij zijn verdiende loon zal ontvangen. Wetteloosheid wordt beloond met wetteloosheid: met ellende, pijn, angst en dood, dus met de sfeer van het rijk van de duisternis. Vergelding, wraak en straf horen bij het loon dat de duivel uitkeert. Van de notities die hij in zijn boeken maakt, zou men dus kunnen zeggen dat zij loonstaten zijn.

Niet door God bijgehouden

Van God staat dat Hij de zonden, die tevoren onder zijn verdraagzaamheid gepleegd waren, heeft laten geworden (Rom.3:25). Wanneer God geduld heeft met hen die kwaad doen, kan men zich moeilijk voorstellen dat Hij tegelijkertijd alles nauwkeurig bijhoudt, temeer omdat het in zijn goddelijk raadsplan vaststond, dat Hij alle zonden door één offer zou verzoenen. Om zijn boekhouding te preciseren en geen enkele fout te begaan, maakt de satan gebruik van Gods heilige wet. De apostel stelde:

  • ‘Toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven’ en vraagt verder: ‘Is dan het goede mijn dood geworden? Zeker niet! Maar de zonde(macht) heeft, opdat zij zou blijken zonde (wetteloosheid) te zijn, door het goede (de wet) mijn dood bewerkt’ (Rom.7:9-13).

Met de wet in de hand is de duivel in staat de zonde van de mens te verifiëren en in te boeken, om ze later als aanklacht aan de rechtvaardige Rechter voor te houden. Door deze boeken van de dood wil de duivel de mens naar zich toetrekken en een claim op hem hebben. Bij het openen van deze boeken zou God, de rechtvaardige Rechter, dus kunnen controleren welke mensen voor de duivel hadden gewerkt.

Het lijden van Job

De rechtvaardige Job stond niet in de boeken van de duivel. Hij daagde zelfs zijn beschuldiger uit, de aanklacht tegen hem maar op te schrijven, want hij wist dat hij niet op diens loonstaat voorkwam. Hij zei vrijmoedig:

  • ‘Ook het stuk (of zoals de Statenvertaling luidt: het boek) dat mijn tegenpartij heeft geschreven. Voorzeker, ik zal het op mijn schouder nemen, het mij als een diadeem ombinden. Van al mijn stappen zal ik hem (de duivel) rekenschap geven, als een vorst hem naderen’ (Job 31:35-37).

Het woordje ‘Hem’ moet dus niet met een hoofdletter worden gezet. Een rechtvaardige zal immers God niet als een vorst naderen. De Leidse Vertaling heeft:

  • ‘En heeft mijn tegenpartij een stuk geschreven, ik zal het voorzeker op mijn schouder nemen, het mij als een kroon ombinden, mijn schreden, één voor één, hem aanwijzen, als een vorst hem naderen’.

De satan getuigt tegen de mens

Job wist dat hij niet in de boeken van de satan voorkwam en daarom wilde hij zijn dossier wel op de schouder nemen en zich ermee omhangen als met een erekrans. Hij was niet als Adam, die zijn zonde wegmoffelde, als een die uit angst voor mensen ze niet had durven te belijden. Hij wist dat hij nauwkeurig met God had geleefd en als hij al eens gestruikeld was, had hij ongetwijfeld een brandoffer gebracht om zijn zonden te verzoenen. Zo deed hij dit toch ook voor zijn kinderen. In Colossenzen 2:14 schrijft de apostel over allen, die het offer van Jezus hebben aangenomen, dat Deze hun overtredingen kwijtschold, door het bewijsstuk uit te wissen dat door zijn inzettingen tegen hen getuigde en hen bedreigde. Wanneer iemand tot berouw en bekering komt, mag hij dus geloven dat zijn zonden uitgewist zijn (Hand.3:19).

De meeste vertalingen spreken niet over ‘het bewijsstuk’ maar over ‘het handschrift’ dat tégen de kinderen van God was. Men meent dan dat hiermee de wet wordt bedoeld, maar Christus heeft deze niet weggedaan door haar aan het kruis te nagelen, zoals het volgende vers luidt. Ook kan hier geen sprake zijn van de ceremoniële wetten, omdat deze niet tegen de mens getuigden, maar juist zijn zonden verzoenden. Het gaat hier echter over het handschrift van de satan. Dit getuigt tegen de mens. Het woordje ‘inzettingen’ is een vertaling van het Griekse woord ‘dogma’. Dit heeft te maken met iets dat is vastgesteld, hetzij een vonnis, een leerstuk, een traditie of een inzetting. In de boeken van de satan waren onze overtredingen alle vastgelegd, maar Jezus Christus heeft met zijn bloed, dat is in de geestelijke wereld met zijn leven, de zondeschuld uitgewist. In Openbaring 20:10 staat dat de duivel vóór het laatste oordeel in de vuurpoel wordt geworpen, maar zijn dossiers liet hij als een testament achter, want daarin staat nauwkeurig opgetekend wie als strafwaardige naar de eeuwige dood moet worden afgevoerd, dus die geen deel zou hebben aan het eeuwige leven.

Het boek van het leven

Er is echter nog een ánder boek, want God is rechtvaardig. Er zijn altijd mensen geweest die het evangelie van Jezus Christus niet hebben gekend, maar die toch ‘van nature deden wat de wet gebiedt’. Zij hadden het werk van de wet geschreven in hun harten, zoals Paulus in Romeinen 2:14,15 meedeelt. Zij gehoorzaamden de ingeschapen wet van God en daarom verontschuldigt hun ingeschapen(!) geweten hen, wanneer zij het goede gedaan hebben en beschuldigt hun geweten hen, wanneer zij het kwade gedaan hebben. Zelfs wanneer iemands geweten hem beschuldigt, is dit een bewijs dat er nog echt leven in hem is. Hij heeft dan nog de gelegenheid zich van het kwaad af te keren. Hij is er dus niet aan gebonden door de duistere geesten, die hem dwingen tot het kwaad en die zijn geweten als met een brandijzer dichtschroeien. Altijd kan hij van nature het goede en kwade onderscheiden en of doen of niet.

Altijd zijn er mensen geweest die goddelijke eigenschappen van naastenliefde en barmhartigheid openbaarden. Denk bijvoorbeeld aan de Egyptische vroedvrouwen Sifra en Pau (Ex.1:15), aan de Ethiopiër Ebed-Melech (Jer.38:7-13), aan de barmhartige Samaritaan (Luc.10:30-37) en zoveel andere rechtschapen mensen, die het evangelie van Jezus Christus met beide handen zouden hebben aangegrepen, om nog meer goedheid te kunnen bewijzen door de gaven van Gods Geest. God heeft hun namen en goede werken opgetekend in het boek van het leven. In Maleachi 3:16 wordt over hen opgemerkt:

  • ‘Dan spreken zij die de Heer vrezen, onder elkaar, ieder tot zijn naaste: De Heer merkte het toch en hoorde het en er werd een gedenkboek voor zijn aangezicht geschreven, ten goede van hen die de Heer vrezen en zijn naam in ere houden. Zij zullen Mij ten eigendom zijn, zegt de Heer van de legermachten, op de dag die Ik bereiden zal. En Ik zal hen sparen, zoals iemand zijn zoon spaart, die hem dient. Dan zult u tot inkeer komen en het onderscheid zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze; tussen wie God dient en wie Hem niet dient’.

Het gaat hier dus niet over de rechtvaardigen, die vanwege hun geloof in de schuldvergeving waren geschreven in ‘het boek van het leven van het Lam’, maar over een grote categorie mensen die in hun leven het goede hadden gedaan en het eeuwig evangelie nooit hadden gekend. Zij komen tot de opstanding ten leven (Joh.5:28,29). Zij waren niet verbonden met de demonen van de duisternis en hadden het licht, dat is het leven, lief.

Al in het Oude Testament is sprake van het levensboek. Het wordt daar voorgesteld, dat de goede God de mens vanaf zijn prille jeugd af in dit boek opneemt. Wie echter tegen Hem zondigt, wordt uit dit boek gewist (Ex.32:32,33). Wanneer de vijanden van David schuld bij schuld voegen, bidt hij: ‘Laten zij uit het levensboek worden uitgedelgd, met de rechtvaardigen niet worden opgeschreven’ (Ps.69:28,29). Deze rechtvaardigen zullen volgens de uitspraak van onze Heer in Mattheüs 25:46 ‘héén gaan naar het eeuwige leven’. Zij bezitten dit eeuwige leven nog niet, maar de gemeente van Jezus Christus zal hen na de opstanding door de boodschap van het eeuwige evangelie zover brengen. Wanneer zij van de Levensboom gegeten hebben, zullen zij het nieuwe Jeruzalem ingaan, binnen de stad waarnaar Abraham al uitzag, want zij zijn dan ‘geschreven in het levensboek van het Lam’ dus horen zij dan bij de volmaakt rechtvaardigen (Op.21:27). Op dezelfde wijze gaan de verdoemden héén naar de eeuwige straf.

Geoordeeld naar hun werken

De doden worden geoordeeld naar wat in de de dodenboeken of in het levensboek staat geschreven, naar hun werken. Het hoofdbegrip van ‘oordelen’ is scheiden of schiften. Zij die één geest met de duivel geworden waren, staan niet in het levensboek, want zij missen iedere vorm van gerechtigheid en goedheid. Hun verschrikkelijke en goddeloze werken staan opgetekend in de dossiers van de duivel. Beide soorten boeken oordelen hen naar hun werken: wat zij gedaan hadden en wat ze nagelaten hadden te doen, denk bijvoorbeeld aan de rijke man. Het eeuwig oordeel of de eeuwige scheiding voltrekt zich, wanneer deze categorie doden zelf naar de vuurpoel vlucht.

Dan blijven zij over van wie de namen alleen in het boek van het leven staan. Deze personen hadden niet gezondigd of hun zonden waren vernietigd. Denk aan jong gestorven kinderen die leefden, hoewel ze nog geen werken hadden gedaan. Maar ook aan rechtvaardigen die verzoening van hun zonden hadden verworven door schaduwachtige offers, die later werden bekrachtigd door het offer van Jezus Christus op Golgotha, denk bijvoorbeeld aan Job.

Dan is er ook nog de laatste en grootste groep, die uit goeden en barmhartigen bestaat, maar die door de demonen ook wel gedwongen ware om dingen te doen, die ze niet wilden en waarover ze zich later schaamden. Ook zij staan voor de troon en vragen zich af wat met hen zal gebeuren, als de boeken worden geopend en ingezien. Zij zijn nog vertegenwoordigd in het boek van het leven, maar hun zonden waren niet uitgewist. Wanneer onze Heer als barmhartige Rechter hen aanziet, stelt Hij de vraag:

  • ‘Waar zijn nu eigenlijk uw beschuldigers? Ik heb hier wel veel documenten, maar jullie aanklagers zie Ik niet meer.’

Wie denkt hierbij niet aan de getuigen à charge bij de overspelige vrouw, die één voor één afdropen of ‘vluchtten’. Jezus vroeg toen ‘Waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeeld? En zij zei: Niemand, Heer. En Jezus zei: Ook Ik veroordeel u niet. Ga heen, zondig van nu af niet meer!’ (Joh.8:10,11).

Een moeilijk te verteren verhaal dat ook niet als volwaardig een plaats in de Bijbel kreeg. Velen zeggen immers: ‘Dat gaat toch wel te gemakkelijk!’ Zij stoten zich eraan. Hun hart is slecht, omdat de Heer goed is. Zij zullen bij het laatste oordeel hopelijk voor hun eigen bestwil nog iets veel grootser meemaken, want dan worden door de Heer – aan wie gelukkig de macht gegeven is om gericht te houden en die in alles is verzocht geweest – de boeken van de satan aan de kant geschoven. Dan is alleen het levensboek actueel. Daarin staan behalve de namen van de groten en kleinen in gerechtigheid, ook al hun goede werken. Deze bepalen hun plaats en hun status op de nieuwe aarde, waarop zij als rechtvaardigen worden geplaatst om verder te worden onderwezen in het eeuwige evangelie.

Ook in het laatste gericht roemt de barmhartigheid tegen het oordeel, want God is goed! Het evangelie van Jezus Christus waarnaar de doden geoordeeld worden, is gebaseerd op liefde, goedheid en barmhartigheid. Het oordeel is dan tot overwinning gebracht. Halleluja! Het volgende hoofdstuk kan dan beginnen met de woorden:

  • ‘Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont!’ (Op.21:1).